Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:276

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
22-000564-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd, door in de Herenstraat in Rijswijk meerdere kogels af te vuren in de richting van een persoon die zich aan de overzijde van de straat in de nabijheid van een zonnestudio bevond. Uit het grote aantal meldingen en verklaringen van getuigen blijkt dat veel mensen zijn geconfronteerd met deze levensgevaarlijke situatie.

Voorts heeft de verdachte de wettelijke regels tegen ongecontroleerd wapenbezit naast zich neergelegd door het een vuurwapen met daarbij horende munitie voorhanden te hebben.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000564-12

Parketnummer: 09-900345-11

Datum uitspraak: 10 februari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 januari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Albanië),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

27 januari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1

primair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, zoals nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij te Rijswijk, op of omstreeks 15 oktober 2007, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en) van het leven te beroven, opzettelijk al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een semi automatisch pistool, in elk geval een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of andere (onbekend) gebleven perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 oktober 2007 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en) van het leven te beroven, opzettelijk met een semi automatisch pistool, in elk geval een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 oktober 2007 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en) te weten [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet opzettelijk met een semi automatisch pistool, in elk geval een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 oktober 2007 te Rijswijk [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een semi automatisch pistool, in elk geval een vuurwapen, een (aantal) kogel(s) afgevuurd in de richting van voornoemde perso(o)n(en);

2.
hij op of omstreeks 15 oktober 2007 te Rijswijk een of meer wapens van categorie III, te weten een semiautomatisch pistool merk IMI Jericho 941 FB, en/of munitie van categorie III, te weten 14 stuks 9mm Luger patronen, voorhanden heeft gehad;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde

Gelet op verscheidene na het bestreden vonnis door de Hoge Raad gewezen arresten waarin de vereisten waaraan moet zijn voldaan alvorens voorbedachte raad in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht bewezen kan worden geacht zijn aangescherpt, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat er in het onderhavige geval onvoldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die duiden op voorbedachte raad. Uit de zich in het dossier bevindende wettige bewijsmiddelen blijkt niet dat er alvorens er is geschoten sprake is geweest van een moment van kalm beraad in de zin waarin dit begrip tegen de achtergrond van de huidige jurisprudentie moet worden verstaan.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 15 oktober 2007 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk personen genaamd [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en een andere (onbekend gebleven) persoon van het leven te beroven, opzettelijk met een semiautomatisch pistool kogels heeft afgevuurd in de richting van die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en een andere (onbekend gebleven) persoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 15 oktober 2007 te Rijswijk een wapen van categorie III, te weten een semiautomatisch pistool merk IMI Jericho 941 FB, en munitie van categorie III, te weten 14 stuks 9mm Luger patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman van de verdachte heeft daartoe, zoals nader weergegeven in de door hem overgelegde pleitnotities, – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende betoogd:

De verdachte was ten tijde van de schietpartij in het poolcentrum met onder meer [betrokkene 1], diens vriendin en [betrokkene 2]. Zij waren aan het poolen aan de tafels die bij de ramen aan de kant van de Herenstraat stonden. [betrokkene 2] heeft de jas van de verdachte -waarin zich de handschoenen en het pistool van de verdachte bevonden- van de kapstok in het poolcentrum gepakt, is daarmee naar buiten is gegaan en heeft met het pistool geschoten, terwijl de verdachte zich nog in het poolcentrum bevond. De verdachte is nadat hij schoten hoorde naar de ramen aan de zijde van de Herenstraat gelopen om naar buiten te kijken; aan de overkant zag hij [betrokkene 2] schieten.

Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dan wel de schutter degene is geweest die op of in de richting van de zonnestudio Sunday’s heeft geschoten, nu de precieze feitelijke toedracht van het schietincident niet kan worden vastgesteld.

Er is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [aangever 1],

[aangever 2] en [aangever 3], nu de personen in de zonnestudio Sunday’s niet waarneembaar waren en de kans op het intreden van de dood niet aanmerkelijk was.

Het hof overweegt ten aanzien van de onder I, II en III genoemde verweren als volgt.

Ad I

Uit de bewijsmiddelen volgt:

- op 15 oktober 2007 werd op de Tollensstraat te Rijswijk ter hoogte van perceelnummer 10 aangetroffen een beige jas (SVO-700).

- op 16 oktober 2007 werden in een achter perceel Tollensstraat 10 te Rijswijk staande vuilcontainer zwarte handschoenen (SVO-901 en -902) en een vuurwapen (SVO-900) aangetroffen.

De aangetroffen voorwerpen kunnen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen zodanig in verband worden gebracht met de verdachte en met het schietincident dat van de verdachte een aannemelijke verklaring mag worden verwacht. Daaraan doet overigens niet af dat uit het DNA-onderzoek niet kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] de beige jas niet heeft gedragen en het wapen niet heeft gehanteerd.

Het onder I weergegeven bewijsverweer is gebaseerd op de door de verdachte eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat de jas, de handschoenen en het vuurwapen zijn eigendom zijn, maar dat niet hij maar [betrokkene 2] ten tijde van de schietpartij een en ander droeg. Ter toelichting heeft de verdachte verklaard dat hij zich kort voorafgaand aan de schietpartij bevond in het poolcentrum op de eerste verdieping van een aan de Herenstraat te Rijswijk gelegen pand, met onder meer [betrokkene 1], diens vriendin en [betrokkene 2]. Zij waren aan het poolen aan de tafels die bij de ramen aan de kant van de Herenstraat stonden. [betrokkene 2] heeft de jas van de verdachte -waarin zich de handschoenen en het pistool van de verdachte bevonden- van de kapstok in het poolcentrum gepakt, is daarmee naar buiten gerend en heeft met het pistool geschoten, terwijl de verdachte zich nog in het poolcentrum bevond. De verdachte is nadat hij schoten hoorde naar de ramen aan de zijde van de Herenstraat gelopen om naar buiten te kijken; aan de overkant zag hij –zo is zijn lezing- [betrokkene 2] schieten.

Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep door de rechter-commissaris een aantal getuigen gehoord. Vier van deze getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], bevonden zich ten tijde van de schietpartij in het poolcentrum aan de Herenstraat 2 te Rijswijk, waar de verdachte verklaart op dat moment ook te zijn geweest.

Het hof stelt vast dat geen van de getuigen bevestigend antwoordt op vragen over de aanwezigheid van buitenlanders bij de pooltafels of bij de ramen aan de zijde van de Herenstraat ten tijde van de schietpartij. Ook verklaart geen van deze getuigen te hebben opgemerkt dat iemand uit het poolcentrum is weggerend. Voorts wijkt de verklaring die de verdachte tijdens de zitting van 22 oktober 2012 (de reconstructie) heeft afgelegd over de plaats van de kapstok in het poolcentrum, af van de plaats waar de kapstok zich volgens de getuige [getuige 3] bevond. Het hof verwijst daarbij naar de verklaring die deze getuige op 25 januari 2013 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd en de daarbij behorende tekeningen. Het hof stelt vast dat geen van deze getuigenverklaringen de lezing van de verdachte ondersteunt.

Het dossier bevat ook verder geen aanwijzingen voor feiten of omstandigheden die de verklaring van de verdachte ondersteunen. In dit verband overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 5], dat zij op een haar getoonde foto van [betrokkene 2] voor 80% degene herkent die zij zich van de beige jas heeft zien ontdoen, daaraan niet afdoet nu zij, nog daargelaten de verstrekte voorinformatie dat de gefotografeerde persoon bij de schietpartij was betrokken, reeds eerder verklaarde niet te durven zeggen of zij de desbetreffende man op een foto zou herkennen en zij haar verklaring in feite baseerde op overeenkomsten in herkomst-type.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat [betrokkene 2] degene is geweest die met het pistool van de verdachte heeft geschoten niet aannemelijk. Het verweer wordt verworpen.

Ad II

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat van de 16 in de Herenstraat ter hoogte van Sunday’s aangetroffen hulzen (SVO-807 t/m SVO-821 en SVO-825) er vijftien zijn aangetroffen aan de overzijde van de Herenstraat.

Slechts één, te weten de huls met het nummer SVO-807 is aangetroffen aan de kant van de Herenstraat waar de zonnestudio Sunday’s gevestigd is. Vastgesteld is dat deze huls afkomstig is van een patroon kaliber .45 ACP, dat zeker niet is verschoten met het pistool (SVO-900), zijnde het hiervoor genoemde pistool waarvan het hof uit de bewijsmiddelen afleidt dat dit tijdens de schietpartij is gehanteerd door de verdachte.

De aan de overzijde van de Herenstraat aangetroffen hulzen hebben alle de bodemstempel “CCI”. De patronen waarvan deze hulzen afkomstig zijn, zijn (met uitzondering van de huls SVO-813, waarvan de herkomst niet meer kon worden vastgesteld) waarschijnlijk verschoten met het hiervoor genoemde pistool(SVO-900) van de verdachte.

Op het trottoir vóór Sunday’s is een kogel (met het nummer SVO-802) aangetroffen, die zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum is, hetgeen hetzelfde kaliber is als van het pistool SVO-900. Vóór het pand naast Sunday’s zijn een manteldeel (SVO-800) en een gedeformeerde kogel (SVO-805) aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze zeer waarschijnlijk eveneens van het kaliber 9 mm Parabellum zijn. Tevens is er in Sunday’s een kogelfragment aangetroffen en zijn in het pand naast Sunday’s loodfragmenten aangetroffen. Voorts is in een ruit in de voorgevel van Sunday’s een kogelgat aangetroffen en is volgens getuigenverklaringen de glazen toegangsdeur van Sunday’s tijdens het schieten verbrijzeld.

Ofschoon het dossier zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting geen vaststelling bevat omtrent de herkomst van de in de panden aangetroffen fragmenten, is het hof van oordeel dat het aantreffen van deze fragmenten toch bijdraagt aan de conclusie dat met het wapen (SVO-900) in de richting van Sunday’s is geschoten, nu uit het opsporingsonderzoek als meest waarschijnlijke toedracht voortvloeit dat met het wapen (SVO-900) is geschoten op een opponent die zich aan de zijde van Sunday’s op de Herenstraat bevond en het hoogst onwaarschijnlijk voorkomt dat deze opponent vervolgens hetzij achterwaarts hetzij met de rug naar de verdachte op Sunday’s dan wel het daarnaast gelegen pand heeft geschoten.

Het hof is van oordeel dat, ondanks dat de precieze toedracht van de schietpartij niet kan worden vastgesteld, op basis van het voorgaande wel boven redelijke twijfel verheven is dat er met het pistool SVO-900 meerdere malen vanaf de overzijde van de Herenstraat in de richting van Sunday’s is geschoten. Het verweer wordt verworpen.

Ad III

Op grond van de verklaringen van getuigen staat vast dat het pand van Sunday’s ten tijde van de schietpartij verlicht was. Nu de kans dat in een verlicht pand mensen aanwezig zijn aanzienlijk is, moet de kans dat een of meer van de in het pand aanwezige personen dodelijk wordt getroffen wanneer in de richting van dat pand wordt geschoten – met name wanneer meerdere schoten worden afgevuurd - naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk worden geacht.

Het hof stelt vast dat de verdachte, zich bevindend aan de overzijde van de Herenstraat ter hoogte van Sunday’s, lopend en met gestrekte arm meerdere malen heeft geschoten in de richting van Sunday’s. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat de verdachte daarbij in elk geval heeft opgemerkt dat het pand waarin Sunday’s gevestigd was, verlicht was. Het gedrag van de verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm derhalve worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood, ook van niet bij de schietpartij betrokken personen, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van personen aanwezig in Sunday’s heeft aanvaard. Uit de verklaring van de verdachte noch uit de inhoud van het dossier zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting is er enige aanwijzing voor het tegendeel naar voren gekomen.

Het verweer dat opzet op de dood van [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] in de zin van voorwaardelijk opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt wordt op grond van het vorenoverwogene dan ook verworpen. Voor het overige behoeft het verweer geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd, door in de Herenstraat in Rijswijk meerdere kogels af te vuren in de richting van een persoon die zich aan de overzijde van de straat in de nabijheid van een zonnestudio bevond. Uit het grote aantal meldingen en verklaringen van getuigen blijkt dat veel mensen zijn geconfronteerd met deze levensgevaarlijke situatie. Dat er tijdens de schietpartij geen doden of gewonden zijn gevallen is een zeer gelukkige omstandigheid, die echter niet afdoet aan de verwerpelijkheid van het gedrag van de verdachte. De verdachte heeft door zijn handelen, in het bijzonder bij de personen die zich in het schootsveld bevonden en bij de omstanders maar ook in de samenleving als geheel, gevoelens van onveiligheid veroorzaakt en aldus de rechtsorde op ernstige wijze geschokt.

Voorts heeft de verdachte de wettelijke regels tegen ongecontroleerd wapenbezit naast zich neergelegd door het een vuurwapen met daarbij horende munitie voorhanden te hebben. Dergelijk gedrag dient met het oog op de veiligheid van personen en - in samenhang daarmede - ter voorkoming van gevoelens van onveiligheid in de samenleving streng te worden bestraft.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 800,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 800,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 800,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 800,- (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2], een bedrag te betalen van € 800,- (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. R.M. Bouritius en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 februari 2014.