Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2582

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
BK-13-01682 tot en met BK-13-01685
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13920, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13921, Niet ontvankelijk
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1674
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belang bij hoger beroep 2006 niet aannemelijk gemaakt. Afwezigheid bron onderneming in 2006 en 2007. Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroepen i.v.m. te laat voldoen van griffierecht aanslagen 2008 en 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1879
V-N Vandaag 2014/1598

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/01682 tot en met BK-13/01685

Uitspraak d.d. 29 juli 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor [P], hierna: de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2013, nummers SGR 13/2190 en SGR 13/2191 IB/PVV, SGR 13/3253 en SGR 13/3924, betreffende na te noemen aanslagen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 door de Inspecteur een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag 2006) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.729. Bij beschikking is heffingsrente vastgesteld ten bedrage van € 827.

1.2. Voor het jaar 2007 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag 2007) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.461. Bij beschikking is heffingsrente vastgesteld ten bedrage van € 359.

1.3. Voor het jaar 2008 is door de Inspecteur een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag 2008) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.998. Bij beschikking is heffingsrente vastgesteld ten bedrage van € 11.

1.4. Voor het jaar 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag 2009) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.726. Bij beschikking is heffingsrente vastgesteld ten bedrage van € 96.

1.5. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslagen 2006 en 2007 gehandhaafd, de aanslag 2008 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.172, de heffingsrente voor dat jaar teruggegeven tot een bedrag van € 62 en de aanslag 2009 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van € 48.243 en heffingsrente voor dat jaar teruggegeven tot een bedrag van € 90.

1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de aanslagen 2006, 2007 en 2009 ongegrond verklaard en het beroep met betrekking tot de aanslag 2008 gegrond, de uitspraak op bezwaar voor dat jaar vernietigd en de aanslag 2008 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.548; met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking heffingsrente en vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118 voor de zaken BK-13/01682 en BK-13/01683 tezamen en een griffierecht van € 118 voor de zaken BK-13/01684 en BK-13/01685 tezamen.

2.2. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 juli 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1970 te [Q] te [land]. Hij staat vanaf 1 juli 2008 ingeschreven op het woonadres [adres]. Belanghebbende is ongehuwd en niet samenwonend.

3.2. Belanghebbende is vanaf 2002 voltijds in dienstbetrekking werkzaam bij [A].

3.3. Belanghebbende heeft in de aangiften voor de inkomstenbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009 de inkomsten uit dienstbetrekking verantwoord van [A] en [B] BV. Onder „inkomsten uit overige werkzaamheden (arbeid)” heeft hij als resultaat vermeld:

Jaar Opbrengsten Kosten Resultaat

2006 € 2.902 € 15.928 € 13.026 negatief

2007 € 7.784 € 15.973 € 8.189 negatief

2008 € 18.762 € 8.103 € 10.659 positief

2009 € 15.105 € 14.032 € 1.073 positief

3.4. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 tot en met 2007 de door belanghebbende als inkomsten uit overige werkzaamheden aangegeven negatieve resultaten niet geaccepteerd en het belastbare inkomen uit werk en woning als volgt gecorrigeerd:

2006

2007

Aangegeven

€ 25.703

€ 32.272

Aanslag

€ 38.729

€ 40.461.

3.5. Bij het vaststellen van de aanslag 2008 heeft de Inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden vastgesteld op € 10.449 (opbrengsten € 10.954 -/- kosten € 505) resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.998 en voor 2009 op € 7.846 (opbrengsten € 8.626 -/- kosten € 780), hetgeen resulteert in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.726.

3.6. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de resultaten uit overige werkzaamheden voor de jaren jaar 2008 en 2009 aangemerkt als winst uit onderneming en vastgesteld op respectievelijk € 10.449 (opbrengsten € 10.954 - € 505) en € 7.588 (opbrengsten € 8.583 -€ 995).

3.7.1. Op 8 januari 2014 heeft de griffier van het Hof aan belanghebbende een nota griffierecht gezonden van € 118 voor het hoger beroep met kenmerk BK-13/01684. Daarin is vermeld dat het griffierecht op 31 januari 2014 op de rekening van het Hof dient te zijn bijgeschreven.

3.7.2. Op 17 januari 2014 heeft belanghebbende geschreven: “U hebt mij een factuur gestuurd van 08.01.2014. Uw kenmerk is AWB/13/01684 [X] vss bd/[P] (kantoor). Zoals wordt overgelegd bij de bijlage heb ik al betaal op 26 november 2012. Kunt u mij hierover informeren?”

3.7.3. Op 21 januari 2014 heeft de griffier van het Hof bij e-mailbericht van de financiële afdeling op voormelde vraag geantwoord: “Uw betaling heeft betrekking op AWB 13/01682. De nota heeft betrekking op 13/01684 en 13/01685. Wilt u meer gegevens hierover, dan raad ik u aan om contact op te nemen met de griffie. Het telefoonnummer is 070-3811499.”.

3.7.4. Bij aangetekende brief van 3 februari 2014 heeft de griffier van het Hof per aangetekende post aan belanghebbende op het adres [adres] een brief gezonden waarbij hij erop wordt gewezen dat hij niet heeft voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht in de zaak met nummers BK-13/01684 en BK-13/01685 te betalen, hij eraan herinnerd wordt dat hij in deze zaken een bedrag van € 118 aan griffierecht dient te betalen, dat dit bedrag binnen vier weken na de verzenddatum van 3 februari 2014 dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof en dat hij niet-ontvankelijk kan worden verklaard in het hoger beroep als het bedrag niet op tijd op de rekening van het Hof staat. De brief is tevergeefs door Post NL aangeboden op voormeld adres van belanghebbende en niet afgehaald binnen drie weken op de afhaallocatie, waarna de brief retour is gezonden aan het Hof.

3.7.5. Bij brief van 25 februari 2014 heeft de griffier van het Hof belanghebbende, naar aanleiding van zijn verzoek in zijn nadere stuk van 16 december 2013, waarin hij heeft verzocht de vier procedures als een procedure te behandelen en de griffiekosten te verminderen, uiteengezet dat het Hof onvoldoende samenhang aanwezig acht tussen de uitspraak van de rechtbank in de hoger beroepsprocedures BK-13/01682 en BK-13/01683 waarvoor belanghebbende al € 118 heeft betaald en de uitspraak van de rechtbank in de hoger beroepsprocedures BK-13/01684 en BK-13/01685 om daarvoor in totaal slechts één keer griffierecht te heffen en heeft belanghebbende erop gewezen dat uiterlijk 3 maart 2014 het griffierecht in laatstgenoemde hoger beroepen moet zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof. Bij brief van 5 maart 2014 heeft belanghebbende naar aanleiding van de brief van 25 februari 2014 een betalingsbewijs naar het Hof gezonden.

3.7.6. Het griffierecht van € 118 in de hoger beroepsprocedures BK-13/01684 en BK-13/01685 is middels digitale overboeking van 5 maart 2014 van de rekening van belanghebbende bij ABNAMRO op dezelfde datum op de rekening van het Hof bijgeschreven.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is voor de jaren 2006 en 2007 in geschil of de activiteiten die belanghebbende naast zijn dienstbetrekking verricht een bron van inkomen vormen (hierna: de bron), welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is niet in geding dat de inkomsten uit deze bron kwalificeren als winst uit onderneming, en is in geschil of belanghebbende recht heeft op ondernemersaftrek in die jaren. Deze vraag wordt door belanghebbende in bevestigende zin en door de Inspecteur in ontkennende zin beantwoord.

4.2. Vanaf het jaar 2008 is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende naast zijn dienstbetrekking inkomsten geniet die moeten worden gekwalificeerd als winst uit onderneming. In geschil is of de door belanghebbende opgevoerde kosten ter zake van (2008) ruimte, opleiding en afschrijving en (2009) ruimte, elektriciteit en afschrijving op de winst in aftrek kunnen worden gebracht en zo ja, tot welke bedragen. Voorts is voor beide jaren in geschil of belanghebbende recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 38.928 voor 2006, € 35.299 voor 2007, € 34.696 voor 2008 en € 38.278 voor 2009.

5.2. Voor de jaren 2006, 2007 en 2009 heeft de Inspecteur geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Met betrekking tot de aanslag 2008 heeft de Inspecteur geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 45.308.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende met betrekking tot de aanslag 2006 en de aanslag 2007 - voor zover van belang - verworpen op de volgende gronden:

“3. Er is sprake van een bron van inkomen indien [belanghebbende] deelneemt aan het economische verkeer, er voordeel wordt beoogd en er redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs te verwachten is, dient te worden onderzocht of de desbetreffende activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de desbetreffende persoon (in de toekomst) positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Nu [de Inspecteur] dit laatste betwist dient [belanghebbende] aannemelijk te maken dat in de jaren 2006 en 2007 redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn naast de dienstbetrekking verrichte activiteiten tot een voor hem positief resultaat zouden leiden.

4.

Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] niet geslaagd het van hem gevraagde bewijs te leveren. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van het Hof 's-Gravenhage inzake de aanslag IB/PVV 2005 (BK-10/00275). Er zijn thans door [belanghebbende] geen wezenlijk andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank anders zou moeten oordelen dan dat het Hof toen heeft gedaan. Het was derhalve ook in 2006 en 2007 niet redelijkerwijs te verwachten dat de werkzaamheden van [belanghebbende] in de nabije toekomst positieve resultaten zouden opleveren. In zoverre is van een bron van inkomen in die jaren dan ook geen sprake. Dat het cliëntenbestand van [belanghebbende] ten opzichte van 2005 in 2007 is uitgebreid met één cliënt maakt dit niet anders mede gegeven het door [belanghebbende] behaalde resultaat. Derhalve heeft [de Inspecteur] [belanghebbendes] buiten dienstbetrekking verrichte activiteiten die hebben geleid tot de negatieve resultaten, terecht niet als bron van inkomen aangemerkt.

5.

Gegeven het oordeel onder 4 behoeft de vraag of [belanghebbendes] activiteiten als een onderneming moeten worden aangemerkt geen behandeling.

6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

7.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

6.2.

De rechtbank heeft met betrekking tot de aanslag 2008 en de aanslag 2009 - voor zover van belang - geoordeeld:

“ 4. Voor zover de in geschil zijnde correcties zien op uitgaven die [belanghebbende] ten laste van het resultaat van zijn onderneming heeft gebracht, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat deze uitgaven als kosten van de onderneming kunnen worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] niet geslaagd in deze op hem rustende bewijslast. Ten aanzien van de commissiekosten banktransfer heeft [de Inspecteur] gemotiveerd gesteld, en is door [belanghebbende] niet weersproken, dat het privékarakter van deze kosten de overhand heeft.

Ook ten aanzien van de afschrijvingskosten en de post overige kosten heeft [belanghebbende] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de daarop betrekking hebbende uitgaven ten behoeve van de onderneming zijn gemaakt. De ruimtekosten - dit zijn de als zodanig door [belanghebbende] aangeduide kosten die betrekking hebben op het gebruik van [belanghebbendes] woning - zijn ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar nu niet is gebleken is dat sprake is van een zelfstandig gedeelte van de eigen woning. Ten aanzien van de kosten voor de opleiding tot Certified Financial Analyst, is de rechtbank van oordeel dat gezien de werkzaamheden die [belanghebbende] voor zijn cliënten verricht (boekhouding, opstellen van jaarrekeningen en verzorgen van belastingaangiften) niet gesteld kan worden dat deze ten behoeve van de continuïteit van de ondernemingsactiviteiten zijn gemaakt en daarmee geen kosten vormen van de onderneming. Nu de opleiding wel de kennis en vaardigheden van [belanghebbende] heeft vergroot die [belanghebbende] kan gebruiken voor zijn werkzaamheden in dienstbetrekking, heeft [de Inspecteur] de opleidingskosten voor een bedrag van € 760 (€ 1.260 -/- € 500 drempel) terecht als scholingskasten in aanmerking genomen. Dit bedrag heeft [de Inspecteur] gecorrigeerd met € 136 betreffende kosten die niet langer in het beroepschrift door [belanghebbende] zijn opgevoerd.

5.

Ingevolge artikel 3.76, eerste lid en artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt, voor zover hier van belang, de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren aan zijn onderneming besteedt (het urencriterium). [Belanghebbende], op wie te dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige jaar aan het urencriterium heeft voldaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door [belanghebbende] ingebrachte urenoverzichten te globaal zijn achteraf en dus niet in de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht, zijn opgesteld en voorts dat [belanghebbende] er ten onrechte vanuit is gegaan dat ook de uren die hij beschikbaar was voor zijn cliënten, maar niet daadwerkelijk heeft gewerkt, kon meetellen. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] nog een voltijd dienstbetrekking had en uit dien hoofde evenmin aannemelijk is dat [belanghebbende] bet door hem aantal opgegeven uren heeft kunnen besteden aan werkzaamheden voor zijn onderneming. De lage opbrengst uit de ondernemingsactiviteiten biedt hiervoor evenmin steun. [De Inspecteur] heeft daarom terecht de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling buiten toepassing gelaten.

6. [

Belanghebbende] heeft nog bepleit om voor 2008 ook de uren mee te rekenen die zijn gemaakt voor een opdrachtgever in [land], waarmee een opbrengst van € 2.214 gemoeid was. [De Inspecteur] heeft zowel deze inkomsten als de daaraan gerelateerde uren niet in aanmerking genomen. De rechtbank volgt [de Inspecteur] hierin, nu deze inkomsten, naar [belanghebbende] heeft bevestigd, aan hem zijn toegekomen op basis van een overeenkomst met zijn [land] vennootschap [C]. Op grond van die overeenkomst moet worden aangenomen dat [belanghebbende] kennelijk deelde in de opbrengsten van die vennootschap. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uren die gemoeid zijn met die opbrengsten, moeten worden toegerekend aan genoemde vennootschap en niet aan [belanghebbendes] onderneming in Nederland. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de opbrengst uit genoemde vennootschap terecht niet bij [belanghebbende] in aanmerking is genomen nu, naar [de Inspecteur] onweersproken heeft gesteld, er vanuit de vennootschap geen daadwerkelijke betalingen aan [belanghebbende] zijn gedaan.

7.

Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2008 is gelet op het nog in aanmerking te nemen bedrag aan scholingskosten de aanslag naar een te hoog bedrag vastgesteld.

8.

Nu [de Inspecteur] bij uitspraak op bezwaar een bedrag van € 7.363 in 2009 als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen, terwijl uit zijn nadere berekening volgt dat de winst uit onderneming € 8.000 zou moeten bedragen, is de aanslag niet naar een te hoog bedrag vastgesteld.

9.

Gelet op hetgeen onder 4 tot en met 8 is overwogen is het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2008 gegrond verklaard en het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2009 ongegrond verklaard.

10.

De rechtbank ziet geen aan leiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat [belanghebbende] kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.”

Beoordeling van het hoger beroep

Belang bij hoger beroep 2006

7.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat het belastbaar inkomen voor het jaar 2006 dient te worden vastgesteld op € 38.928. Dat bedrag is evenwel hoger dan het bij uitspraak op het bezwaarschrift gehandhaafde belastbaar inkomen uit werk en woning voor dat jaar van € 38.729. Het is aan belanghebbende om, nu zijn stellingname leidt tot een hoger te betalen bedrag aan belasting dan waartoe hij op grond van de aanslag, de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank gehouden is, aannemelijk te maken dat hij fiscaal rechtens een belang heeft bij het instellen van zijn hoger beroep. Dat heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Gegrondbevinding van zijn grieven leidt niet tot een gunstiger resultaat.

Bron onderneming in 2006 en 2007

7.2. In hoger beroep zijn voorts geen nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren gekomen die het Hof aanleiding geven over de afwezigheid van de bron onderneming in de jaren 2006 en 2007 anders te oordelen dan de rechtbank in rechtsoverweging 4 van de uitspraak over die jaren heeft gedaan. Het Hof neemt die oordelen over en maakt deze tot de zijne.

Betaling griffierecht in hoger beroep aanslagen 2008 en 2009

7.3. Ingevolge de aan belanghebbende per aangetekende post verzonden brief van het Hof van 3 februari 2014 en de per gewone post verzonden brief van 25 februari 2014, de laatste met uitleg over de zaken waarin belanghebbende nog griffierecht moest betalen, verstreek de wettelijke termijn voor betaling van het griffierecht in de onderhavige hoger beroepen met de nummers BK-13/01684 en BK-13/01685 vier weken na dagtekening van de brief van 3 februari 2014, derhalve met 3 maart 2014. Het griffierecht is op 5 maart 2014 op de rekening van het Hof bijgeschreven. Het griffierecht is derhalve te laat voldaan en belanghebbende dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de hoger beroepen BK-13/01684 en BK-13/01685, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest en het griffierecht zo spoedig mogelijk heeft betaald als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

7.4. Belanghebbende heeft ter rechtvaardiging van de termijnoverschrijding aangevoerd dat hij in verwarring verkeerde voor welke zaken hij nog griffierecht moest betalen. Verder heeft hij gesteld dat hij aangetekende post sterk vertraagd ontvangt omdat hij aan het werk is als de aangetekende post bij hem thuis wordt aangeboden, en hij geen tijd heeft die poststukken tijdig af te halen.

Vaststaat dat belanghebbende het verzoek om griffierecht in de hogerberoepsprocedures voor de aanslagen over 2008 en 2009 heeft ontvangen. Voorts is belanghebbende er in de emailwisseling van 17 en 21 januari 2014 op gewezen dat hij ook voor deze zaken griffie-recht diende te betalen, hetwelk eveneens bleek uit de aangetekend verzonden brief van 3 februari 2014. Ten slotte is belanghebbende bij brief van 25 februari 2014 er nogmaals op gewezen dat voor deze zaken uiterlijk op 3 maart 2014 € 118 aan griffierecht diende te worden voldaan.

De inhoud van voormelde correspondentie laat er geen misverstand over bestaan dat belanghebbende in de hoger beroepen BK-13/001684 en BK-13/001685 nog griffierecht moest betalen en dat het bedrag uiterlijk 3 maart 2014 op de rekening van het Hof moest zijn bijgeschreven. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

De omstandigheid dat belanghebbende aangetekende post vertraagd ontvangt omdat hij overdag niet aanwezig is op zijn woonadres dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het is aan belanghebbende om de ontvangst van zijn post op dusdanige wijze te organiseren dat hij daarover binnen korte tijd kan beschikken. Het Hof merkt op dat de brief van 25 februari 2014 overigens per gewone post aan belanghebbende is verzonden.

Slot

7.5. Het Hof zal, gelet op het vorenoverwogene, het hoger beroep met betrekking tot de aanslagen voor de jaren 2006, 2008 en 2009 niet-ontvankelijk verklaren en het hoger beroep met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2007 ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

8.2. Evenmin bestaat aanleiding de Inspecteur te gelasten het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep voor de jaren 2006, 2008 en 2009 met nummers BK-13/01682, BK-13/01684 en BK-13/01685 niet-ontvankelijk;

- bevestigt op het hoger beroep voor het jaar 2007 met nummer BK-13/001683 de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 29 juli 2014 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. Kroon.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.