Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2542

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
22-005434-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2981, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee meisjes. Het seksueel misbruik vond met name plaats in of bij de paardenstallen van de verdachte, waar de meisjes dagelijks waren om de paarden (van de verdachte) te berijden en te verzorgen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren met meerdere bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005434-12

Parketnummer: 09-901068-11

Datum uitspraak: 29 juli 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

10 april 2013 en 15 juli 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht;

 dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] en

[aangeefster 2];

 dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zijn paarden niet zal laten verzorgen door minderjarige meisjes;

 dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de stallen van de veroordeelde.

Van de gestelde voorwaarden is de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven, een en ander als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in de periode van 1 april 2008 t/m 1 mei 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland,, met [aangeefster 2] (geboren: 7 mei 1993), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn tong in de mond van die [aangeefster 2] geduwd;

2.
hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2006 te Naaldwijk, met [aangeefster 1] (geboren: 4 oktober 1989), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn tong in de mond van die [aangeefster 1] geduwd;

3.
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 te Naaldwijk, gemeente Westland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (te weten: het grote leeftijdsverschil) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 1] geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) de broek van die [aangeefster 1] naar beneden heeft getrokken en/of tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat ze de paarden kwijt zou raken als ze verdachte tegen zou werken en/of (aldus) voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.
hij in de periode van 1 april 2008 t/m 1 mei 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland, met [aangeefster 2], geboren op 7 mei 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen) (telkens) op de mond zoenen van die [aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) knijpen in de billen van die [aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) betasten van de billen van die [aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) betasten van de billen van die [aangeefster 2];

5.
hij in de periode van 1 april 2003 tot en met 31 december 2006 te Naaldwijk met [aangeefster 1], geboren op 4 oktober 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen)(telkens) op de mond zoenen van die [aangeefster 1] en/of het (meermalen) (telkens) (onder de kleding) betasten van de borsten van die [aangeefster 1] en/of die [aangeefster 1] (meermalen) (telkens) zijn penis laten betasten en/of die [aangeefster 1] hem, verdachte, (meermalen) (telkens) laten aftrekken;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

In zijn arrest d.d. 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1431, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geven van een tongzoen niet (meer) kan worden aangemerkt als seksueel binnendringen als bedoeld in onder meer artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

In casu is verdachte onder de feiten 1. en 2. het geven van een of meerdere tongzoenen ten laste gelegd, waarbij de tenlastelegging specifiek is toegesneden op de delictsomschrijving van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien voormeld arrest van de Hoge Raad is het hof

met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat derhalve niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met

31 december 2008 te Naaldwijk, gemeente Westland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (te weten: het grote leeftijdsverschil) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 1] geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) de broek van die [aangeefster 1] naar beneden heeft getrokken en/of tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat ze de paarden kwijt zou raken als ze verdachte tegen zou werken en/of (aldus) voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.
hij in de periode van 1 april 2008 t/m 1 mei 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland, met [aangeefster 2], geboren op 7 mei 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen) (telkens) op de mond zoenen van die

[aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) knijpen in de billen van die [aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) betasten van de billen van die [aangeefster 2] en/of het (meermalen) (telkens) betasten van de billen van die [aangeefster 2];

5.
hij in de periode van 1 augustus 2003 tot en met

3 oktober 2005 te Naaldwijk met [aangeefster 1], geboren op 4 oktober 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen)(telkens) op de mond zoenen van die

[aangeefster 1] en/of het (meermalen) (telkens) (onder de kleding) betasten van de borsten van die [aangeefster 1] en/of die [aangeefster 1] (meermalen) (telkens) zijn penis laten betasten en/of die [aangeefster 1] hem, verdachte, (meermalen) (telkens) laten aftrekken;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman, overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen, aangevoerd dat de door [aangeefster 1] afgelegde verklaring bij haar aangifte onbetrouwbaar is en dat de verdachte derhalve van het onder 3 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof acht enerzijds niet aannemelijk geworden dat deze verklaring is gestuurd door getuige [getuige] of dat deze tot stand is gekomen doordat [aangeefster 1] woorden in de mond zijn gelegd, terwijl de verklaring van [aangeefster 1] naar het oordeel van het hof anderzijds steun vindt in de verklaringen van andere getuigen over het grensoverschrijdend gedrag van de verdachte tegenover zowel [aangeefster 1] als andere meisjes en vrouwen die bij de stal kwamen. Daar komt bij dat de verklaring van [aangeefster 1] bij haar aangifte op relevante punten voor wat betreft de aan de verdachte verweten feiten overeenkomt met hetgeen [aangeefster 1] in het eerdere, informatieve gesprek tegenover de politie heeft verklaard.

Het hof is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaring van [aangeefster 1] onbetrouwbaar is. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Het onder 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals deze in het vonnis waarvan beroep zijn opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee meisjes. Het seksueel misbruik vond met name plaats in of bij de paardenstallen van de verdachte, waar de meisjes dagelijks waren om de paarden (van de verdachte) te berijden en te verzorgen. Voor het mogen berijden en verzorgen van de paarden waren de meisjes afhankelijk van de medewerking van verdachte.

De verdachte heeft aldus ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als staleigenaar en van de grote liefde van de jonge slachtoffers voor (zijn) paarden. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige daarvan nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden; dit blijkt eveneens uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring van [aangeefster 1]. Uit de proceshouding van de verdachte blijkt voorts dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het hof rekent de verdachte zijn gedragingen zwaar aan.

Het hof is – het voorgaande overwegende en tevens in aanmerking nemende dat verdachte thans van de feiten 1. en 2. wordt vrijgesproken- van oordeel dat slechts een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.795,01.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.295,01 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 3.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 4.795,01 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[aangeefster 1].

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 2] zich als benadeelde partij gevoegd en in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 4 ten laste gelegde, tot een bedrag van

€ 2.270,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gevorderde bedrag van € 1.520,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[aangeefster 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.520,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[aangeefster 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 57, 242 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

9 (

negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

5 (

vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht;

 dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] en

[aangeefster 2];

 dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zijn paarden niet zal laten verzorgen door minderjarige meisjes;

 dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) van de veroordeelde.

Geeft de bovengenoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] ter zake van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.795,01 (vierduizend zevenhonderdvijfennegentig euro en één cent) bestaande uit € 1.295,01 (duizend tweehonderdvijfennegentig euro en één cent) materiële schade en € 3.500,- (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 1], een bedrag te betalen van € 4.795,01 (vierduizend zevenhonderdvijfennegentig euro en één cent) bestaande uit € 1.295,01 (duizend tweehonderdvijfennegentig euro en één cent) materiële schade en € 3.500,- (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.520,- (duizend vijfhonderdtwintig euro) bestaande uit € 20,- (twintig euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 2], een bedrag te betalen van € 1.520,- (duizend vijfhonderdtwintig euro) bestaande uit € 20,- (twintig euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer,

mr. M. Moussault en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juli 2014.