Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2525

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.140.383/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Alhoewel de rechthebbende zijn inleidend verzoek heeft ingediend op 17 juni 2013, derhalve vóór 1 januari 2014, de datum van de inwerkingtreding van de Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap), zal het hof deze wet (zo nodig anticiperend) toepassen in de onderhavige zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 21 mei 2014

Zaaknummer : 200.140.383/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 13-85272

Zaaknummer rechtbank : 2098767

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. P.A.M. Perquin te Zoetermeer,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de zoon van rechthebbende.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is aangemerkt:

1.namens Adriana-Bewindvoeringen te Zoetermeer,

mevrouw Louise Adriana van Laar;

2.

namens de Stichting Landelijke Instelling voor Maatschappelijke Ondersteuning en Rehabilitatie (LIMOR) te Zoetermeer,

mevrouw K. Beunen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 16 januari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
23 oktober 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

De zaak is op 16 april 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw L.A. van Laar, alsmede haar medewerkster M. van Oorschot, en

  • -

    mevrouw K. Beunen.

De zoon van de rechthebbende is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de rechthebbende tot instelling van een bewind over de goederen die aan hem (zullen) toebehoren, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is het verzoek van de rechthebbende tot instelling van een bewind over de goederen die aan hem (zullen) toebehoren.

2.

De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:), opnieuw beschikkende, het verzoek van de rechthebbende tot zijn onderbewindstelling alsnog toe te wijzen.

3.

Ter onderbouwing van het hoger beroep brengt de rechthebbende het volgende naar voren. Door de kantonrechter wordt niet aangegeven op grond waarvan uit de stukken en de behandeling ter zitting niet aannemelijk is geworden dat de rechthebbende als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De rechthebbende woonde van 2008 tot 2011 in een woonvoorziening van LIMOR. Thans heeft hij een eigen huurwoning waar hij thuisbegeleiding krijgt van LIMOR. LIMOR heeft tijdelijk de gelden van de rechthebbende beheerd, nu de rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is. Aangezien de rechthebbende zich niet aan de afspraken hield, is dit beheer beëindigd. Schuldhulpverlening (SHV) wil de rechthebbende eerst weer bijstaan (de rechthebbende heeft eerder aan een traject deelgenomen bij de SHV) indien er een onderbewindstelling plaatsvindt. Mevrouw L.A. van Laar is als ‘zaakwaarnemer’ aangesteld totdat zij tot bewindvoerder wordt benoemd.

4.

Het hof overweegt vooreerst dat hoewel de rechthebbende zijn inleidend verzoek heeft ingediend op 17 juni 2013, derhalve vóór 1 januari 2014, de datum van de inwerkingtreding van de Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap), het hof deze wet (zo nodig anticiperend) zal toepassen in de onderhavige zaak.

5.

Het hof overweegt vervolgens dat op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dit thans luidt, de kantonrechter, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

6.

De rechthebbende legt aan zijn inleidend verzoek ten grondslag dat hij vroeger in de schuldhulpverlening heeft gezeten en dat hij daar thans enkel weer voor in aanmerking komt indien er een bewind wordt ingesteld over zijn goederen. De rechthebbende stelt problemen te hebben om niet alles te kopen wat hij ziet. Verder kan hij zich niet onthouden van aankopen terwijl hij ook nog andere zaken moet betalen zoals zijn huur. Bij LIMOR begeleiden ze de rechthebbende hier nu bij, maar dit kan deze instelling niet blijven doen en zij adviseren de rechthebbende om een bewind aan te vragen. Dit door de rechthebbende in eerste aanleg (en ook in hoger beroep) aangevoerde feitencomplex en de op basis daarvan ingenomen stellingen rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een (ambtshalve) aanvulling van de rechtsgronden op zodanige wijze dat aan het verzoek van de rechthebbende in eerste aanleg ook als verzoek uit hoofde van (het huidige) artikel 1:431 lid 1 sub b BV kan worden geacht ten grondslag te hebben gelegen.

7.

Het hof is vervolgens op basis van de overgelegde stukken, de verklaringen ter terechtzitting en de eigen waarneming genoegzaam gebleken dat de rechthebbende (ook thans) als gevolg van zijn verkwisting niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de situatie van de rechthebbende zeer problematisch was en dat deze in de afgelopen tijd, met hulp van LIMOR en mevrouw Van Laar is verbeterd. Aangezien de betrokkenheid van LIMOR en mevrouw Van Laar zoals deze thans is vormgegeven onvoldoende waarborgen voor het verloop van zaken na afloop van deze procedure geven, is het hof van oordeel dat de noodzaak tot een onderbewindstelling onder voormelde omstandigheden genoegzaam is gebleken.

8.

Gelet op het voorgaande de bestreden beschikking worden vernietigd en het inleidend verzoek alsnog worden toegewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt onder bewind de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [rechthebbende], geboren [in] 1941 te [geboorteplaats], als rechthebbende en benoemt daarbij Louise Adriana van Laar, handelend onder de naam Adriana-bewindvoeringen, gevestigd te 2711 BG Zoetermeer, Duitslandlaan 29/3 6, tot bewindvoerder;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Kempen en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2014.