Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2524

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.130.169/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat de initiele uithuisplaatsing van de minderjarigen in juli 2011 geboden was. Met betrekking tot de minderjarigen S. en M. is het thans - op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting - echter van oordeel dat Jeugdzorg onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hun uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is in verband met hun opvoeding en verorging of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Door Jeugdzorg is dit niet aannemelijk gemaakt, laat staan onderbouwd. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de thuissituatie van de moeder onvoldoende aanleiding geeft om te constateren dat de jongens niet thuis geplaatst kunnen worden. Hoewel niet alle zorgen van Jeugdzorg zijn weggenomen, is neit komen vast te staan dat de moeder niet in staat is om in de basisbehoeften van S. en M. te voorzien. Verder neemt het hof in aanmerking dat er geen specifieke zorgen omtrent S. en M. bestaan, de moeder erg betrokken is op de jongens en dat Jeugdzorg desgevraagd heeft bevestigd dat de contactmomenten goed verlopen. Een terugkeer van de jongens naar de moeder dient zorgvuldig voorbereid te worden en nu de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing die aan het hof voorligt, eindigt na 22 april 2014, zal het hof niettegenstaande het vorenstaande, de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof gaat er daarbij van uit dat Juegdzorg de komende periode, voor welke de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels door de rechtbank voor drie maanden is verlengd en welke termijn niet aan het hof voorligt, zal gebruiken om concreet naar deze zorgvuldige terugplaatsing toe te werken, waarbij het hof van de moeder verwacht dat zij hieraan haar volle medewerking zal verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 april 2014, geminuteerd op 21 mei 2014

Zaaknummer : 200.130.169/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 13-642

Zaaknummer rechtbank : C/10/419356

[appellante],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te Dordrecht,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[vader],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

de pleegouders van de nader te noemen minderjarige [minderjarige 3],

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
19 april 2013 van de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 16 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

 op 14 augustus 2013 een brief van 13 augustus 2013 met bijlagen.

De zaak is op 18 september 2013 mondeling behandeld.

Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt; daarin heeft het hof Jeugdzorg verzocht naar aanleiding van de huidige stand van zaken een beredeneerd overzicht aan het hof te doen toekomen op grond waarvan Jeugdzorg van mening is dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen moet worden gecontinueerd. Voorts is de moeder in de gelegenheid gesteld om haar arbeidsovereenkomst aan het hof te doen toekomen. Na ontvangst van voormelde stukken zal het hof een nieuwe mondelinge behandeling bepalen, waarbij ook de raad aanwezig zal zijn opdat deze zijn visie kenbaar kan maken.

Na de zitting van 18 september 2013 zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 9 oktober 2013 een faxbericht met bijlage;

- op 1 november 2013 een faxbericht;

- op 17 februari 2014 een brief van 14 februari 2014 met bijlagen;

- op 12 maart 2014 een brief van 11 maart 2014 met bijlage;

- op 11 april 2014 een faxbericht met bijlagen;

- op 15 april 2014 een faxbericht;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 1 oktober 2013 een faxbericht met bijlagen;

- op 13 februari 2014 een brief van 12 februari 2014;

- op 14 april 2014 een faxbericht met bijlage.

Voorts is ingekomen van de zijde van Trivium Lindenhof:

- op 3 april 2014 een brief van 31 maart 2014.

De raad heeft bij brief van 30 oktober 2013 zijn rapport van 28 oktober 2013 aan het hof overgelegd, met de mededeling ter zitting van 5 november 2013 te zullen verschijnen.

De zitting zou op 5 november 2013 worden voortgezet, maar is aangehouden in afwachting van het NIFP rapport.

Op 16 april 2014 is de mondelinge behandeling voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

 mevrouw M. Gantvoort, mevrouw M. Konings en mevrouw M. van der Hoeven (de huidige gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

 mevrouw M. Kooij, gedragswetenschapper bij Trivium Lindenhof;

 mevrouw L. Stap (gezinsmoeder van de nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]).

De vader, de pleegouders van [minderjarige 3] en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]);

  • -

    [minderjarige 2], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]), en

  • -

    [minderjarige 3], geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 3]),

verlengd tot 22 april 2014, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten van
30 januari 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Na de behandeling van de zaak ter zitting en schorsing is de zaak uitgeroepen en heeft het hof terstond uitspraak gedaan.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.

2.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarigen geplaatst worden bij moeder thuis in Dordrecht.

3.

Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

4.

De moeder betwist dat de gronden voor een uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Zij voldoet aan alle gestelde voorwaarden waaraan zij moet voldoen om tot een thuisplaatsing te komen. De moeder neemt wel degelijk haar verantwoordelijkheid voor een deel van de opvoeding van de minderjarigen. De moeder erkent dat het overleg met Jeugdzorg stroef gaat, maar stelt dat dit niet aan haar is te wijten. Ook worden de minderjarigen op geen enkele wijze in hun ontwikkeling bedreigd. De moeder weerspreekt in reactie op de visie van Jeugdzorg van 1 oktober 2013 hetgeen Jeugdzorg heeft gesteld.

Uit het door de moeder zelf geëntameerde onderzoek naar haar pedagogische capaciteiten en opvoedingsvaardigheden blijkt dat de moeder als opvoeder over adequate vaardigheden beschikt. De moeder blijkt over voldoende draagkracht te beschikken en er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De onderzoeker, de heer drs G.J. Postma, maakt wel de kanttekening dat de minderjarigen niet zijn onderzocht en evenmin de interactie tussen de moeder en de minderjarigen. Desondanks luidt het advies terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder.

5.

Namens Jeugdzorg wordt het standpunt ingenomen dat de gronden voor de uithuisplaatsing van de minderjarigen nog onverminderd aanwezig zijn. De moeder toont onvoldoende inzicht in en kan geen aansluiting vinden bij de ontwikkelbehoeften van de minderjarigen. De moeder staat nog onvoldoende open voor tips en adviezen van de hulpverlening en de samenwerking met Jeugdzorg verloopt als gevolg van de weerstand bij de moeder nog immer stroef. De moeder toont nog steeds geen openheid. Bij een terugkeer van de minderjarigen naar huis bestaat er een grote kans dat de moeder helemaal geen openheid meer zal geven, zodat de kans op verwaarlozing weer aanwezig is. Jeugdzorg is van mening dat het onderzoek dat de moeder, zonder hierover in overleg te treden met Jeugdzorg, heeft laten uitvoeren door drs. G.J. Postma, in plaats van een NIFP onderzoek, onvolledig, eenzijdig en onzorgvuldig is. De gekozen onderzoeksopzet kan niet leiden tot een onderbouwde beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen. Om een einde te maken aan de onzekerheid bij de minderjarigen omtrent hun toekomstperspectief dient er zo spoedig mogelijk met een NIFP onderzoek te worden gestart. De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op het sociaal-emotionele vlak, op hun basisveiligheid en op hun identiteitsontwikkeling en niet op kindeigen problematiek. Met betrekking tot [minderjarige 3] bestaan er grote zorgen omtrent haar ontwikkeling die stagneert. Zij is nog immer niet zindelijk en rondom contactmomenten met de moeder laat zij zorgelijk en spanningsvol gedrag zien. Zij is een zeer kwetsbaar meisje, als gevolg waarvan stressvolle momenten haar in haar ontwikkeling beperken. Zij heeft veel sturing en begeleiding nodig van de leerkracht en de pedagogisch medewerker en zij is nog niet toe aan een overstap naar het reguliere basisonderwijs.

6.

De raad heeft in zijn rapport van 28 oktober 2013 aangegeven dat uit het raadsonderzoek te weinig informatie naar voren is gekomen om een conclusie te kunnen trekken met betrekking tot de rol van de moeder als opvoeder. De standpunten van de moeder en Jeugdzorg staat zo ver van elkaar, dat er geen conclusie kan worden genomen op basis van de huidige informatie. De raad is van mening dat er meer zicht moet komen op de persoonlijke situatie en het persoonlijk functioneren van de moeder middels extern specialistisch onderzoek.

7.

Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verlengd

indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, nog bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8.

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de initiële uithuisplaatsing van de minderjarigen in juli 2011 geboden was. Met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het hof thans - op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting - echter van oordeel dat Jeugdzorg onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog langer noodzakelijk is in verband met hun opvoeding en verzorging of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Door Jeugdzorg is dit niet aannemelijk gemaakt, laat staan onderbouwd. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de thuissituatie van de moeder onvoldoende aanleiding geeft om te constateren dat de jongens niet thuis geplaatst kunnen worden. Hoewel niet alle zorgen van Jeugdzorg zijn weggenomen, is niet komen vast te staan dat de moeder niet in staat is om in de basisbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Verder neemt het hof in aanmerking dat er geen specifieke zorgen omtrent [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestaan, de moeder erg betrokken is op de jongens en dat Jeugdzorg desgevraagd heeft bevestigd dat de contactmomenten goed verlopen. Een terugkeer van de jongens naar de moeder dient zorgvuldig voorbereid te worden en nu de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing die aan het hof voorligt, eindigt na
22 april 2014, zal het hof niettegenstaande het vorenstaande, de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof gaat er daarbij van uit dat Jeugdzorg de komende periode, voor welke de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels door de rechtbank voor drie maanden is verlengd en welke termijn niet aan het hof voorligt, zal gebruiken om concreet naar deze zorgvuldige terugplaatsing toe te werken, waarbij het hof van de moeder verwacht dat zij hieraan haar volle medewerking zal verlenen.

9.

Met betrekking tot [minderjarige 3] is het hof van oordeel dat nog altijd wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. Het hof overweegt daartoe dat [minderjarige 3] een kwetsbaar meisje is, dat weinig zelfvertrouwen heeft en duidelijk in haar ontwikkeling stagneert. De zorgen die Jeugdzorg uit, worden (ten dele) ook door de moeder onderkend. Nu door Jeugdzorg wordt opgemerkt dat de spanningen bij [minderjarige 3] voorafgaand aan de contacten met de moeder toenemen en dat zij na deze contacten enkele dagen uitdagend en grensopzoekend gedrag naar de pleegouders laat zien, zal naar het oordeel van het hof eerst onderzocht moeten worden hoe de interactie tussen [minderjarige 3] en de moeder is, waarbij de minderjarige zelf ook (verder) onderzocht dient te worden. Aangezien het onderzoek van voormelde drs. Postma - wat hier verder ook van zij - hier geen betrekking op heeft, geeft het hof Jeugdzorg in overweging om de komende drie maanden - die de kinderrechter na het verstrijken van de thans voorliggende termijn in het kader van de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft gegeven - te gebruiken voor een dergelijk onderzoek. Het hof merkt daarbij op dat door Jeugdzorg dient te worden bezien of de huidige omgangscontacten van [minderjarige 3] met de moeder kunnen worden uitgebreid.

10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Kempen en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2014 en geminuteerd op 21 mei 2014.