Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2521

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.143.822/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing; maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende om de ernstige bedreiging van de minderjarige af te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 2 juli 2014

Zaaknummer : 200.143.822/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 13-3703

Zaaknummer rechtbank : C/10/437564

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.

[vader],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2.

[stiefvader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefvader,

3.

mr. G.E. van der Pols,

kantoorhoudende te Rotterdam,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

4.

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

5.

Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening te Rotterdam,

hierna te noemen: LJ&R.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
20 december 2013 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 15 april 2014 een brief van 14 april 2014 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 21 mei 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw A. Hardonk namens de raad;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    mevrouw E. Rietveld en de heer R. Gorter namens het LJ&R.

De vader, de stiefvader en Jeugdzorg zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige. Voorts heeft zij tot voogdes over de minderjarige benoemd Jeugdzorg en verstaan dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de ambulante LJ&R. Verder is de moeder veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarige te doen. Het verzoek van de moeder tot het verrichten van (nader) onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige.

2.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:), opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat het verzoek tot ontheffing van de minderjarige alsnog zal worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de moeder het hof om een aanvullend onderzoek te gelasten van de raad en daarmee de zaak aan te houden.

3.

Namens de raad en het LJ&R is hiertegen ter terechtzitting verweer gevoerd.

4.

De moeder betoogt dat de indicatiebesluiten en de daarmee samenhangende verzoekschriften met de bijbehorende Plannen van Aanpak niet actueel zijn. Het LJ&R heeft geen enkele vorm van een “aanwijzing” dan wel “hulp” geboden om zo doende de opvoedings- en verzorgingsverantwoordelijkheid van de juridische ouder, in casu de moeder, te herstellen. Er is niet, althans niet voldoende, gewerkt aan een terugplaatsing van de minderjarige. De moeder betwist dat bij haar sprake is van persoonlijke problematiek en in hoeverre deze veronderstelde zorgen de moeder zouden beletten om voor de minderjarige te zorgen. Er is nimmer hulp of enige vorm van hulp geboden door het LJ&R op dit punt. De moeder heeft dan ook geen hulp geweigerd. Ten onrechte gaat de rechtbank ook voorbij aan de wens van de minderjarige om bij zijn moeder te wonen. Tot slot is de moeder van mening dat de raad een tweede fase onderzoek had moeten verrichten.

5.

Namens de raad is ter terechtzitting het verzoek zoals neergelegd in het verzoekschrift van

23 oktober 2013 gehandhaafd. Dit verzoek is gebaseerd op een door de raad op verzoek van LJ&R uitgevoerd onderzoek naar een verderstrekkende maatregel, hetgeen heeft geleid tot het raadsrapport van 15 oktober 2013. Op basis van dat onderzoek heeft de raad het besluit genomen de rechtbank te verzoeken de moeder (gedwongen) te ontheffen van het gezag over de minderjarige. Volgens de raad is terugplaatsing bij de moeder niet reëel, omdat de moeder nu en in de toekomst onvoldoende in staat is en zal zijn om aan te sluiten bij de specifieke behoeften van de minderjarige en om hem een adequate opvoedingssituatie te bieden. Het is naar de mening van de raad te verwachten dat de bedreiging van de geestelijke ontwikkeling zal herleven wanneer de minderjarige wordt teruggeplaatst bij de moeder. De ontwikkeling van de minderjarige is gebaat bij voortzetting van zijn huidige plaatsing omdat hij hier een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Vanuit deze plek moet bezien worden wat een geschikte vervolgplek is voor de minderjarige. De raad ziet geen aanleiding om een nader onderzoek te verrichten.

6.

Namens het LJ&R is ter terechtzitting eveneens verklaard dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet bij de moeder ligt. Het LJ&R schaart zich achter de standpunten van de raad. In het verleden zijn wel degelijk de mogelijkheden van een terugplaatsing bezien. Samenwerking met de moeder was echter zeer lastig. Afspraken werden op het laatste moment afgezegd.

7.

De bijzondere curator wijst erop dat er inmiddels uitvoering wordt gegeven aan een duidelijke omgangsregeling met de moeder, hetgeen zorgt voor enige rust bij de minderjarige. Deze rust zal bij de minderjarige worden vergroot zodra er duidelijkheid komt en een definitieve beslissing wordt genomen over het gezag. Of het gezag nu bij de moeder zal blijven of dat zij wordt ontheven uit het gezag is daarbij in dit kader niet relevant; op het moment dat de minderjarige van de procedures af is, zal hij meer kunnen genieten van de contacten die hij heeft met zijn moeder, maar ook met zijn zus, stiefvader, vader en opa en oma.

8.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging in artikel 1:254 lid 1 BW af te wenden.

9.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in de bestreden beschikking gebezigde gronden en neemt deze over. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof overweegt in aanvulling daarop nog dat uit het dossier en de informatie die de raad en de WS&J tijdens de zitting in hoger beroep hebben gegeven, is gebleken dat de minderjarige een kwetsbare jongen is bij wie sprake is van meervoudige problematiek waarvoor specifieke behandeling geïndiceerd is. Dit vraagt om extra opvoedvaardigheden van ouders om te zorgen voor een opvoeding die aansluit bij zijn ontwikkelbehoeften. De moeder kan de minderjarige, mede gelet op haar eigen problematiek, (al dan niet met de nodige hulpverlening) niet bieden wat hij nodig heeft. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de (ontwikkeling van de) minderjarige dat voor hem duidelijk is dat hij verder zal opgroeien in een gezinshuis. Onder de gegeven omstandigheden acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende om de ernstige bedreiging van de minderjarige af te wenden zodat alles overziende een ontheffing van het gezag van de moeder in het belang van de minderjarige te achten is.

10.

Het hof acht zich op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een (naar het hof begrijpt:) aanvullend onderzoek te gelasten, zoals door de moeder betoogd.

11.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige is voldaan. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

12.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van den Wildenberg en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2014.