Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2498

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
BK-13-01654
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:19103, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:387
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade terecht en op goede gronden afgewezen. Geen reden voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1767
V-N Vandaag 2014/1541
V-N 2014/45.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01654

Uitspraak d.d. 15 juli 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur,

Procesverloop

1.1 De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.004 (de aanslag). Tegelijkertijd heeft hij bij beschikking aan belanghebbende € 9 aan heffingsrente in rekening gebracht (de beschikking heffingsrente).

1.2 Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking heffingsrente bezwaar gemaakt. In de uitspraak op dit bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank). Bij uitspraak van 18 september 2013, nr. SGR/3027, heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 14.510 met toepassing van een alleenstaande-ouderkorting van € 644 en een aanvullende alleenstaande-ouderkorting van € 1.291 en het verzoek van belanghebbende de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade afgewezen. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.179 en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het onderzoek ter zitting van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. De Inspecteur is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

2.1 In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of:

1e. de Inspecteur veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade en zo ja, op welk bedrag de schadevergoeding dient te worden vastgesteld;

2e. belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding tot het werkelijke bedrag van de door haar gemaakte kosten.

2.2 Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De bestuursrechter is ingevolge (oud) artikel 8:73 en (nieuw) artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd op verzoek van een belanghebbende het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade. Dat de Rechtbank belanghebbende wat betreft haar verzoek de Inspecteur te veroordelen tot een schadevergoeding ten bedrage van € 545.600 heeft verwezen naar de burgerlijke rechter is in strijd met de wet. Belanghebbende heeft deze schade daadwerkelijk geleden; de Inspecteur had dit kunnen voorkomen door voor het jaar 2009 een juiste voorlopige teruggaaf of aanslag vast te stellen, waardoor belanghebbende reeds eerder - ondanks de eventuele verrekeningen - in aanmerking had kunnen komen voor een teruggaaf van € 2.902 exclusief heffingsrente.

Bij gegrondverklaring van het hoger beroep komt belanghebbende voorts in aanmerking komen voor een integrale proceskostenvergoeding tenzij deze vergoeding wordt getransformeerd in een nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

2.3 De Inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennend en voert daartoe samengevat het volgende aan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Het bestaan van een causaal verband tussen de geleden schade - waarvan overigens niets is gebleken - en het bestreden besluit is niet aangetoond. Van een onterechte verwijzing door de Rechtbank naar de burgerlijke rechter is geen sprake.

Belanghebbende komt zonder nadere bewijsvoering niet in aanmerking voor de door hem gevraagde integrale proceskostenvergoeding. Voor een vergoeding van proceskosten door toekenning van een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb dan wel op de voet van artikel 8:88 van de Awb biedt de wet geen ruimte.

Conclusies van partijen

3.1 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin haar verzoek de Inspecteur te veroordelen tot een schadevergoeding wordt afgewezen, veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade ten bedrage van € 545.600 en veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het werkelijke bedrag van die kosten.

3.2 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende tot het werkelijke bedrag van die kosten.

Oordeel van de rechtbank

4.

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

”9. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang een partij schade lijdt die voor vergoeding in aanmerking komt, moet de bestuursrechter zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht, dat is neergelegd in de artikelen 6:95 tot en met 6:126 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (MvA II, Parl. Gesch. Awb II, p. 476).

10. [

Belanghebbende] stelt ten gevolge van onrechtmatig handelen van [de Inspecteur] een vermogensschade van € 545.600 te hebben geleden. Ter adstructie betoogt zij – samengevat – het volgende. Het door [de Inspecteur] sinds 2007 weigeren van de jaarlijkse renteaftrek ten aanzien van de [a-straat] ad € 14.388 heeft geleid tot het niet kunnen nakomen van de renteverplichtingen jegens de hypotheeknemer op die woning. Het niet nakomen van de betalingsverplichtingen resulteerde in een executoriale verkoop van die woning op 27 april 2010. De executoriale verkoop van de woning heeft uiteindelijk geleid tot een restschuld van € 248.000. Voorts heeft [belanghebbende] rendement gemist, hetgeen in totaal leidt tot een vermogensschade van € 545.600 .

11.

De door [belanghebbende] gestelde vermogensschade komt, gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het BW, alleen voor vergoeding in aanmerking indien en voor zover zij in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkstelling van [de Inspecteur] berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Daarvan is sprake indien de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van onrechtmatig handelen van [de Inspecteur].

12. [

Belanghebbende] dient feiten te stellen en bij betwisting door [de Inspecteur] aannemelijk te maken waaruit het bestaan van een rechtstreeks verband tussen het weigeren van aftrekbare kosten en de door hem gestelde schade volgt. Aan deze stel- en bewijsplicht heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. [Belanghebbende] heeft de aangifte IB/PVV 2009 ingediend op 3 april 2010 en daarin weliswaar hypotheekrente in aftrek gebracht, maar die zag - gezien de daarin opgenomen postcode - op de [b-straat]. [Belanghebbende] heeft in haar aangifte geen hypotheekrente in aftrek gebracht ten aanzien van de [a-straat]. Eerst na verzoeken om informatie van de zijde van [de Inspecteur] van 28 januari 2011 en 23 februari 2011 met betrekking tot de hypotheekrente [b-straat], heeft [belanghebbende] op 15 maart 2011 een saldo-opgave van de rente met betrekking tot de [a-straat] overgelegd. Overigens licht [belanghebbende] in de brief van 15 maart 2011 niet toe wat [de Inspecteur] geacht wordt met die saldo-opgave te doen. Wat daar ook van zij, gezien de datum van de verstrekking van die informatie door [belanghebbende] op 15 maart 2011 en gezien de datum van de executoriale verkoop van de [a-straat] op 27 april 2010 kan de daaruit voortvloeiende schade niet zijn veroorzaakt door enig handelen van [de Inspecteur] met betrekking tot de behandeling van de aangifte IB/PVV 2009. De schade was toen immers al geleden en kon daarom geen gevolg zijn van het (onrechtmatig) handelen van [de Inspecteur]. Reeds om die reden heeft [belanghebbende] geen recht op vergoeding van schade.

13.

Voor zover [belanghebbende] overigens verzoekt om vergoeding van schade, omdat de ontvanger belastingteruggaven bij (voorlopige) aanslagen heeft verrekend met openstaande schulden merkt de rechtbank op dat een dergelijk verzoek bij de civiele rechter aanhangig dient te worden gemaakt en niet bij de belastingrechter.”

Beoordeling van het hoger beroep

5.1 Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank het verzoek van belanghebbende de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade terecht en op goede gronden afgewezen. Aan de overwegingen van de Rechtbank dienaangaande voegt het Hof het volgende toe.

5.2 In hoger beroep heeft belanghebbende, naar het Hof begrijpt, haar verzoek om schadevergoeding mede gebaseerd op de met ingang van 1 juli 2013 in werking getreden nieuwe wettelijke schadevergoedingsregeling in Titel 8.4 van de Awb. De nieuwe regeling is echter alleen van toepassing op schade die is veroorzaakt door een besluit dat is bekendgemaakt of een handeling die is verricht na het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe regeling, derhalve na 1 juli 2013. Aangezien de aanslag ruimschoots voor die datum is opgelegd en ook de uitspraak op bezwaar voor die datum is gedaan, biedt de nieuwe regeling, anders dan belanghebbende meent, geen grond voor inwilliging van haar schadevergoedingsverzoek. Daarbij komt nog dat ingevolge de artikelen art. IV en V van de Wet van 31 januari 2013, Stb. 2013 nr. 50, de nieuwe regeling (nog) niet geldt voor besluiten van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting.

5.3 Belanghebbendes grief dat de Rechtbank belanghebbende wat betreft haar verzoek de Inspecteur te veroordelen tot een schadevergoeding ten onrechte heeft verwezen naar de burgerlijke rechter, heeft, zo begrijpt het Hof, betrekking op hetgeen de Rechtbank in haar uitspraak onder 13 heeft overwogen. Deze overweging van de Rechtbank gaat de rechtsstrijd, die immers geen betrekking heeft op de verrekening van belastingteruggaven met openstaande schulden door de ontvanger, te buiten. Kennelijk heeft de Rechtbank belanghebbende, al dan niet met (analoge) toepassing van artikel 8:71 van de Awb, erop willen wijzen dat een vordering betreffende de verrekening door de ontvanger van belastingteruggaven met aanslagen uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. De overweging doet niet af aan de juistheid van het oordeel van de Rechtbank op het verzoek van belanghebbende om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade.

5.4 Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

6.

Naar het oordeel van het Hof is er geen reden voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Mitsdien behoeft het eerst in hoger beroep door belanghebbende ingenomen standpunt dat de proceskostenvergoeding gesteld moet worden op het werkelijke bedrag van de door haar gemaakte kosten, geen behandeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. G.J. van Leijenhorst, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 15 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.