Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2496

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
200.142.802/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging gezamenlijk gezag om daarmee spanning voor de kinderen te verminderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253n
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/115

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 juli 2014

Zaaknummer : 200.142.802/01

Rekestnummers rechtbank : F2 RK 11-1335 en F2 RK 11-1421

Zaaknummers rechtbank : C/10/385490 en C/10/386094

[de vader],

wonende te[plaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. van Baaren te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 december 2013 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 14 maart 2014 een brief van 13 maart 2014 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 1 april 2014 een brief van 31 maart 2014 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 28 mei 2014 een brief van 27 mei 2014 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 10 juni 2014 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De raad heeft bij brief van 3 juni 2014 zijn rapport van 22 februari 2012 aan het hof overgelegd.

De zaak is op 18 juni 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer J. Kuhn namens de raad.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige I] is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 31 mei 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij beschikking van 31 mei 2012 van de rechtbank Rotterdam is de voorlopige zorgregeling bepaald bij het Rotterdams Omgangshuis en is de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling pro forma aangehouden in afwachting van het verloop van de begeleide contacten met betrekking tot de hierna te noemen minderjarigen. Voorts is bij die beschikking de behandeling van de zaak ten aanzien van het ouderlijk gezag pro forma aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is:

  • -

    het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling afgewezen;

  • -

    het gezamenlijk gezag van partijen beëindigd en bepaald dat het gezag over de hierna te noemen minderjarigen voortaan aan de moeder toekomt;

  • -

    de beschikking van 3 december 2010 van de rechtbank Rotterdam gewijzigd in die zin, dat de daarbij bepaalde zorgregeling wordt geschorst.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Bij beschikking van 3 december 2010 van de rechtbank Rotterdam is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, het verzoek van de moeder haar te belasten met het eenhoofdig gezag afgewezen, alsmede de volgende zorgregeling bepaald: de vader zal de hierna te noemen minderjarigen ieder weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij zich hebben, waarbij de vader de hierna te noemen minderjarigen bij de moeder ophaalt en bij de moeder terugbrengt. Voorts zal de vader de hierna te noemen minderjarigen de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij zich hebben.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is het ouderlijk gezag over ieder van de minderjarigen:

  • -

    [naam], geboren op [geboortedatum in] 1999 te [plaats], verder:[minderjarige I];

  • -

    [naam], geboren op [geboortedatum in]2004 te[plaats], verder: [minderjarige II], en

  • -

    [naam], geboren op [geboortedatum in] 2005 te [plaats], verder:[minderjarige III],

verder gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, en de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, dan wel, in geval de ouders gezamenlijk met het gezag belast zullen worden, de zorgregeling.

2.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, af te wijzen de inleidende verzoeken van de moeder en toe te wijzen het inleidend verzoek van de vader, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd.

Gezag

4.

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen heeft opgeheven. De omslag die de raad heeft gemaakt in zijn advies acht de vader niet begrijpelijk. Immers, als uit een diepgaand onderzoek blijkt dat er geen reden is voor gezagswijziging, ligt het niet voor de hand om, zonder verder nader onderzoek, het standpunt en het advies tijdens een zitting volledig te wijzigen. Verder stelt de vader dat de rechtbank haar beslissing met name heeft gebaseerd op hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht met betrekking tot de zomervakantie in 2013. Op geen enkele wijze komt in de beslissing terug hetgeen door de vader daaromtrent is gesteld. Zo heeft hij, na eerst informatie te hebben ingewonnen ten aanzien van de plannen en na overleg met zijn advocaat, uiteindelijk toestemming gegeven voor de vakantie van de moeder met de minderjarigen in de zomer van 2013 naar het buitenland. De vader meent dat niet is komen vast te staan dat de minderjarigen door een en ander klem en verloren zouden raken. Ter zitting is namens de vader nog verklaard dat gezamenlijk gezag niet alleen het geven van toestemming inhoudt, maar ook het voeren van overleg met elkaar, bijvoorbeeld over de schoolkeuze voor[minderjarige I].

5.

De moeder stelt – kort samengevat – dat de rechtbank juist heeft geoordeeld door haar alleen te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. Immers, hierdoor hoeft zij niet langer procedures aan te spannen tot het verkrijgen van vervangende toestemming van de rechtbank (althans daartoe regelmatig op het punt te staan), hetgeen uiteindelijk rust brengt bij de minderjarigen.

6.

Namens de raad is ter zitting verklaard dat, indien er geen gezamenlijk gezag meer is, de spanningen bij de minderjarigen zullen afnemen, hetgeen in hun belang is.

7.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) juncto artikel 1:251a, eerste lid BW, kan de rechter het gezamenlijk gezag beëindigen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Uitgangspunt van de wetgever is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding doorloopt. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin het noodzakelijk is dat slechts één van de ouders na scheiding het ouderlijk gezag uitoefent.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet met elkaar overleg plegen kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

8.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat, gelet op het vorenstaande, in onderhavige zaak geen gemeenschappelijke grondslag aanwezig is voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de ouders moeizaam met elkaar overleg kunnen plegen en uit het feit dat de moeder meermalen de rechtbank heeft moeten inschakelen, althans daartoe regelmatig op het punt heeft gestaan door het gedrag en de houding van de vader, teneinde beslissingen aangaande de minderjarigen te kunnen nemen, zoals het verkrijgen van een nieuw paspoort, van de toestemming om met vakantie te gaan en voor een schoolkeuze voor[minderjarige I]. De minderjarigen hebben de spanningen die daarmee telkens zijn gemoeid, gevoeld. Het hof is dan ook van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders indien zij het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Het hof verwacht niet dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank juist heeft beslist door het gezamenlijk gezag te beëindigen.

Omgang

9.

De vader stelt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door de al bestaande zorgregeling te schorsen. Strikt genomen is dit niet door de moeder in eerste aanleg verzocht. De vader wenst omgang met de minderjarigen. Er heeft al lange tijd geen contact plaatsgevonden tussen hem en de minderjarigen, behoudens de contacten in het omgangshuis en de contacten na de datum van de bestreden beschikking. Naar de mening van de vader komt het door de moeder dat de minderjarigen een negatief beeld van hem hebben. De vader kan zich niet vinden in de stelling van de raad dat er geen druk op de minderjarigen moet worden gelegd om wel contact met hem te hebben. Naar de mening van de vader moet je soms juist enige druk opleggen teneinde een legitiem doel te kunnen bereiken. Niet uit het oog moet worden verloren dat het ook schadelijk kan zijn voor de minderjarigen (mogelijk zelfs op latere leeftijd) wanneer zij achteraf tot de conclusie komen dat zij nooit normaal contact met de vader hebben gehad na de scheiding van hun ouders, aldus de vader. Ter zitting is namens de vader nog verklaard dat hij de minderjarigen na de datum van de bestreden beschikking nog één à twee keer per week heeft gezien. Deze contacten zijn echter weer gestopt op het moment dat hij hoger beroep had ingesteld, aldus de vader.

10.

Namens de moeder is ter zitting verklaard dat zij er alles aan wil doen om omgang te bewerkstelligen tussen de vader en de minderjarigen. Voor nu is het volgens de moeder echter beter als er geen contact is. Op die wijze kan er rust komen in de situatie. In de toekomst zal de moeder altijd werken aan contactherstel.

11.

Namens de raad is ter zitting verklaard dat de raad heeft begrepen dat er informeel best mogelijkheden zijn tot contact tussen de vader en de minderjarigen. De raad had derhalve niet verwacht dat het contact tussen de vader en de minderjarigen door de rechtbank zou worden verbroken. De omgangscontacten dienen wel op een veilige manier plaats te vinden. Indien het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, dan zal er ook meer ruimte zijn voor omgangscontacten. Immers, de minderjarigen ondervinden dan minder spanningen en kunnen dan op een meer vrije en ontspannen manier omgaan met de vader, aldus de raad.

12.

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (mede bezien in verband met artikel 1:377e BW) hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

13.

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 3 december 2010 niet meer geldt, althans sinds lange tijd niet meer wordt nageleefd. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank het advies van de raad, inhoudende partijen te verwijzen naar het Rotterdams Omgangshuis, gevolgd. Uiteindelijk heeft de rechtbank de omgangscontacten geschorst, overeenkomstig het verzoek van de moeder ter zitting (zoals blijkt uit de processen-verbaal van 10 oktober 2011 en 3 mei 2012). Het hof is van oordeel dat, hoewel het op gang brengen van de contacten tussen de vader en de minderjarigen bij het Rotterdams Omgangshuis is mislukt, het (tijdelijk) ontzeggen van het recht op omgang van de vader met de minderjarigen thans een stap te ver is. Het hof wijst in dit verband op het feit dat bij deze beschikking een definitieve beslissing komt ten aanzien van het gezag. Met de raad is het hof van oordeel dat door het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de moeder rust zal ontstaan bij de minderjarigen, hetgeen zal kunnen leiden tot een situatie waarbij de minderjarigen wel weer regelmatig contact willen met de vader. De moeder heeft altijd open gestaan en staat ook nog altijd open voor contact tussen de vader en de minderjarigen. Het hof zal thans niet zelf een regeling vaststellen, maar in het dictum bepalen dat de ouders in onderling overleg een regeling kunnen overeenkomen (die in het belang van de minderjarigen is). Dit betekent dat de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 3 december 2010 zal worden gewijzigd.

14.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de omgangsregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt – met wijziging van de beschikking van 3 december 2010 van de rechtbank Rotterdam – een omgangsregeling vast in die zin, dat partijen in onderling overleg invulling kunnen geven aan een omgangsregeling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag over de minderjarigen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Stille en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2014.