Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2455

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
22-001155-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlengde invoer 20,9 kilogram cocaïne;

Gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001155-13

Parketnummer: 10-701200-12

Datum uitspraak: 20 juni 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Ecuador) op [geboortedag] 1980,

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

3, 5 en 6 juni 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1

primair, 2 derde cumulatief/alternatief en 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 10 juni 2012 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans aanwezig en/of voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 20,9 kilogram cocaïne, althans meerdere, althans één,(gebruikers- en/of handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair


hij op of omstreeks 10 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 20,9 kilogram, althans meerdere, althans één, (gebruikers- en/of handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 10 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een pistool van het merk: Unique, model: Mikros, kaliber: .22

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 1, te weten 7, althans één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber .22

en/of

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 10 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk: R9-Arms, kaliber: 9x19mm

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 17, althans één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber: 9x19mm voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 derde cumulatief/alternatief en 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 10 juni 2012 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans aanwezig en/of voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 20,9 kilogram cocaïne, althans meerdere, althans één,(gebruikers- en/of handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 10 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een pistool van het merk: Unique, model: Mikros, kaliber: .22

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 1, te weten 7, althans één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber .22

en/of

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 10 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk: R9-Arms, kaliber: 9x19mm voorhanden heeft gehad.

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 17, althans één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber: 9x19mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige aanhouding/binnentreden

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014 betoogd dat de aanhoudingen op straat hebben plaatsgevonden zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van de wet. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op. Het binnentreden van de woning dat op die aanhoudingen is gevolgd is daarmee eveneens onrechtmatig (“fruits of the poisoned tree”). Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijs dat uit en na die aanhouding (op straat) en dat binnentreden is verkregen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond van 10 juni 2012, nr. PL17J0 2012371266-44 volgt – voor zover voor de beoordeling van het verweer van belang – het volgende. Verbalisanten zien op 10 juni 2012 omstreeks 03:55 uur vier manspersonen in groepsverband bij een portiek van een woning staan. Op dat ogenblik bevinden zich geen andere personen op straat. Aan de overzijde van de straat staat - overdwars op het trottoir - een grijze personenauto geparkeerd. Wanneer de verbalisanten deze mannen willen aanspreken, blijven twee mannen staan en lopen de twee andere mannen weg en gaan direct het portiek in. Eén van deze mannen is gekleed in een opvallend gele jas. Ook draagt één van hen een donkere openstaande sporttas met daarin een wit soort pakket dat vermoedelijk een sealbag was. Middels de ruiten van het trappenhuis is te zien dat de twee personen rennend de trap opgaan en zij samen de sporttas dragen. De twee mannen die dan nog voor het portiek staan, te weten de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1], worden staande gehouden. Vervolgens roept een persoon in de woning aan [adres 2] naar de verbalisanten: ”Ze springen aan de achterkant van het balkon naar beneden”. Hierop ontstaat bij de verbalisanten het vermoeden dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zich bezighouden met overtreding van de Opiumwet, waarop [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] worden aangehouden. Via de portofoon horen beide verbalisanten dat hun collega’s aangaven dat zij meerdere personen aan de achterzijde van de flat zagen rennen, waarna een collega de achtervolging heeft ingezet. Verbalisant [verbalisant 1] heeft toen aangegeven dat deze personen zich vermoedelijk schuldig hadden gemaakt aan overtreding van de Opiumwet, waarna aanhouding is gevolgd van medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6].

Blijkens voornoemd proces-verbaal van bevindingen wordt omstreeks 04:38 uur in het gras aan de achterzijde van de portiek [portiek adres 1 en 2] een klein model zilverachtig vuurwapen aangetroffen met daarin een patroonhouder, een zwartkleurige geluidsdemper en een losse patroonhouder gevuld met patronen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond van 10 juni 2012, nr. PL17J0 2012371266-14 en de getuigenverklaring van verbalisant [verbalisant 2] van 5 december 2012 volgt verder dat een verbalisant vanaf het balkon gelegen aan de linkerzijde van het balkon van de woning aan de [adres 1] op laatstgenoemd balkon een zwart vuurwapen heeft zien liggen. Hierop is omstreeks 05:30 uur de woning aan de [adres 1] op grond van artikel 49 Wet Wapens en Munitie binnengetreden. Daarbij is naast de wasmachine een grijze sporttas aangetroffen met daarin 21 pakketten met vermoedelijk cocaïne en op het balkon een automatisch vuurwapen van het merk R9-Arms. In de woning zijn tot slot aangehouden de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 7].

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte en [medeverdachte 7] zijn aangehouden ongeveer anderhalf uur na de aanhouding van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op straat voor de portiek. Anders dan de raadsman heeft gesteld valt het beoordelingsmoment ter zake van het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien de verdachte en [medeverdachte 7] dan ook niet samen met dat van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Dit brengt met zich dat ook de feiten en omstandigheden die na die aanhoudingen bij verbalisanten bekend zijn geworden mee wegen bij de beoordeling van het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld ter zake van de verdachte. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze hierboven zijn uiteengezet, is het hof van oordeel dat het vermoeden dat zich in de woning aan de [adres 1] te Rotterdam (vuur)wapens bevonden gerechtvaardigd was, zodat het binnentreden van die woning op grond van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie rechtmatig is geweest. Op deze grond acht het hof de daarop volgende aanhouding van de verdachte en [medeverdachte 7] die zich op dat moment in deze woning bevonden eveneens rechtmatig.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat het vuurwapen met de geluidsdemper waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij het heeft vastgehad hetzelfde vuurwapen en dezelfde geluidsdemper zijn als die zijn aangetroffen op balkon van de woning aan de [adres 1] respectievelijk in het gras achter die woning, nu zeer wel mogelijk is dat binnen de groep medeverdachten meer van dat soort wapens voorhanden zijn geweest.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hierboven reeds is uiteengezet, is in het gras achter het portiek van de [adres 1] te Rotterdam een geluidsdemper aangetroffen, en op het balkon van de woning aan voornoemd adres een automatisch vuurwapen van het merk R9-Arms. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hem op vrijdag 8 juni 2012 een vuurwapen is getoond en dat hij dit vuurwapen heeft vastgehad. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 februari 2013 heeft verdachte voorts verklaard dat het vuurwapen dat hij heeft vastgehad het vuurwapen is dat op balkon is aangetroffen en dat de geluidsdemper daar toen aan vastzat. Hij heeft hier toen aan toegevoegd dit zeker te weten aangezien hij zes jaren in dienst (het hof begrijpt: militaire dienst) heeft gezeten. Bij gelegenheid van zijn laatste woord ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014 heeft de verdachte dit nogmaals bevestigd.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de verdachte te twijfelen. Andere wapens in de woning dan wel bij de medeverdachten zijn niet aangetroffen, noch is daarover verklaard, zodat het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte een ander wapen met geluidsdemper heeft vastgehad dan die in de bewezenverklaring onder 2 en 3 zijn bedoeld. Nu de verdachte reeds op vrijdag 8 juni 2012 kennis had van de aanwezigheid van dit vuurwapen en deze geluidsdemper in de woning, dit vuurwapen toen ook daadwerkelijk heeft vastgehad en op generlei wijze afstand heeft genomen van de situatie waarin iedere aanwezige in die woning dat wapen zou kunnen gebruiken, is het hof van oordeel dat ondanks de – door de verdachte met nadruk naar voren gebrachte - omstandigheid dat de verdachte niet de juridische eigenaar van dat vuurwapen en de geluidsdemper was, hij daar wel de beschikkingsmacht over heeft gehad. Gelet hierop heeft de verdachte het vuurwapen en de geluidsdemper voorhanden gehad als bedoeld in art. 13 van de Wet wapens en munitie.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 derde cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Door de officier van justitie is in deze en daarmee samenhangende zaken – kort samengevat - een strafmaatappel ingesteld. De achtergrond hiervan is dat het openbaar ministerie in eerste aanleg om oplegging van een gevangenisstraf heeft verzocht voor een duur die is afgestemd op de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: het LOVS). De rechtbank is hiervan afgeweken en heeft een beduidend lagere straf opgelegd dan gevorderd, met een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak”. De advocaat-generaal heeft zich op deze grond in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hof om een oordeel over “een principieel punt” wordt gevraagd op grond van de stelling van de advocaat-generaal dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij (sterk) naar beneden is afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het LOVS heeft al geruime tijd geleden een eerste aanzet gegeven om te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Besloten is om in de loop van de tijd voor een aantal vaak voorkomende delicten een oriëntatiepunt te ontwikkelen waarop de rechter zich kan richten bij het bepalen van de op te leggen straf; zo ook voor de invoer van harddrugs. Een oriëntatiepunt geeft weer welke straf rechters voor het delict plegen op te leggen. Daarbij is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden die zich in een concreet geval kunnen voordoen, zoals daad- en daderfactoren. Die omstandigheden dient de rechter alsnog mee te wegen als hij in een strafzaak een straf oplegt.

Ten aanzien van de status van de LOVS-oriëntatiepunten is het volgende van belang. Vooropgesteld wordt dat de rechter in een concrete zaak niet gebonden is aan even genoemde oriëntatiepunten. In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de straftoemetingsoriëntatiepunten niet als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie kunnen worden beschouwd; bedoelde oriëntatiepunten zijn niet afkomstig van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden “wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte”, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 2002, NJ 2003, 570. De gevolgtrekking die aan een en ander moet worden verbonden is dat noch de verdediging noch het openbaar ministerie met vrucht kan klagen over de strafmotivering van rechters en rechterlijke colleges in relatie tot de LOVS-oriëntatiepunten. De grief van de advocaat-generaal behoeft daarom geen verdere bespreking.

Het hof overweegt nog ambtshalve dat tegenover het voorgaande staat dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf dermate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn (vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006, 549). Een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak” volstaat dan onder omstandigheden niet, wanneer die rechtspraak niet zo evident en eenduidig is dat daaruit zonder meer heldere conclusies ten aanzien van de strafmaat kunnen worden getrokken.

Ten aanzien van de jurisprudentie constateert het hof (in het ressort) verschillen in de straftoemeting in het bijzonder in zaken betreffende zeer grote en mega grote hoeveelheden verdovende middelen (hard drugs) enerzijds en kleinere (handels)hoeveelheden anderzijds. Niet ondenkbaar is, dat dit mede een gevolg is van de volgende omstandigheid. IJkpunten rond de straftoemeting bij dergelijk grote hoeveelheden verdovende middelen - welke steeds vaker plegen te worden ingevoerd door grotere internationale nauw met elkaar samenwerkende functionele verbanden, via onder meer de grotere internationaal opererende havens - met een ondergrens van 20 kilogram zijn thans (nog) niet onder de LOVS-oriëntatiepunten begrepen. Wat daar ook van zij, de voorliggende strafzaak voldoet naar het oordeel van het hof bij nadere beschouwing niet aan even bedoelde kwantitatieve normering. Zulks en in onderlinge samenhang beschouwd gelet op de onder verdachte en zijn medeverdachten aangetroffen hoeveelheid ingevoerde verdovende middelen, welke maar nauwelijks de ondergrens van 20 kilogram overstijgt, de beperkte mate waarin zicht is ontstaan op de samenwerking tussen de diverse netwerken en de mate waarin verdachte en zijn medeverdachten daarin participeerden alsmede de omstandigheid dat het slechts één enkel bewezenverklaard transport van verdovende middelen via de Rotterdamse haven betreft.

Het hof neemt op grond van het voorgaande in deze zaak de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt van reflectie en houdt voorts rekening met alle bijzondere omstandigheden van elk concreet geval, waaronder de diverse daad- en daderfactoren. Het hof overweegt daartoe meer in het bijzonder als volgt.

De verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven 20,9 kilogram cocaïne ingevoerd. Daarmee heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door de invoer van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de invoer van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Gelet op de geringe overschrijding van 900 gram zal het hof bij het bepalen van de strafmaat ten gunste van de verdachte uitgaan van een hoeveelheid van 20 kilogram cocaïne. Verder neemt het hof als straf-mitigerende omstandigheid in aanmerking dat niet is gebleken van een structureel opererend crimineel samenwerkingsverband en dat slechts één enkel transport van betrekkelijk kleine omvang is tenlastegelegd en bewezenverklaard. Daarnaast neemt het hof in ogenschouw dat de verdachte door overbrengen en doorgeven van het containernummer een cruciale rol heeft gehad bij het laten slagen van de invoer van de cocaïne, alsmede dat is gebleken dat hij speciaal met het doel van het plegen van het onder 1 bewezen verklaarde feit naar Nederland is afgereisd.

Voorts heeft de verdachte heeft in een woning een automatisch vuurwapen en een geluidsdemper voorhanden gehad. Dergelijke feiten verdienen bestraffing, nu de aanwezigheid van dergelijke wapens in huizen onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich brengt, temeer omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting.

Voor zover door de raadsman is betoogd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte als vreemdeling in Nederland verblijft en dat het ondergaan van detentie voor hem als zodanig zwaarder is dan ten aanzien van andere gedetineerden en hij ook niet in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, overweegt het hof als volgt. Ingevolge de artikelen 39 en 40a van de Regeling Tijdelijk Verlaten Inrichting juncto art. 8 van de Vreemdelingenwet 2000 kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft de Minister om strafonderbreking verzoeken. Op grond hiervan kan een vreemdeling bij een opgelegde vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren voor strafonderbreking in aanmerking komen nadat tenminste de helft van de straf is ondergaan en bij een opgelegde vrijheidsstraf van meer dan drie jaren nadat tenminste tweederde deel van de straf is ondergaan. De strafonderbreking gaat in geval van toewijzing in op het moment dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. Het hof leidt hieruit af dat alhoewel een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland niet in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling dit niet automatisch en in alle gevallen impliceert dat zij ook feitelijk langer dan voorheen in detentie zullen verblijven. Gelet hierop ziet het hof in het verschil in rechtspositie tussen de rechtmatig en de onrechtmatige in Nederland verblijvende veroordeelde geen aanleiding om de aan de verdacht op te leggen straf te matigen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 derde cumulatief/alternatief en 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 derde cumulatief/alternatief en 3 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

48 (

achtenveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. A.S.I. van Delden, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

mr. N.N.D. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2014.