Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2422

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
22-004248-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:456, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Verwerping beroep op noodweer nu –ondanks het feit dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding- de verdachte ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden. Verwerping beroep op noodweerexces; de gemoedsbeweging aan de zijde van de verdachte kan niet als hevig worden aangemerkt.

Oplegging van een beduidend lagere straf dan door het openbaar ministerie in hoger beroep gevorderd. Daartoe is redengevend dat de mate van schuld van het slachtoffer onvoldoende in die vordering is meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/210

Uitspraak

Rolnummer: 22-004248-13

Parketnummer: 10-690206-13

Datum uitspraak: 18 juli 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Guinee) op [geboortedag] 1993,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 juli 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is het ten laste gelegde bewezen verklaard en is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (telkens) die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht en/of de romp en/of een/de arm(en) en/of hand(en), in elk geval het bovenlichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 mei 2013 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in het gezicht en de romp en de armen en de hand(en) gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld, reden waarom hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773 en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895).

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) (vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9062 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087).

Het hof stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent het hof aan, dat

over hetgeen er in de woning van het slachtoffer is voorgevallen in essentie slechts twee personen verklaringen hebben afgelegd: de verdachte en [neef van het slachtoffer] (verder: [neef van het slachtoffer]). Deze verklaringen stemmen deels overeen, maar lopen op onderdelen uiteen. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte geschetste relaas niet enkel vanwege de op onderdelen andersluidende verklaringen van [neef van het slachtoffer] als onaannemelijk terzijde geschoven kan worden. Om die reden zal het hof bij zijn beoordeling van het verweer, daar waar verschillen tussen de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van [neef van het slachtoffer] bestaan, de verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt nemen.

De verdachte handelde in mei 2013 in verdovende middelen. Het slachtoffer was één van zijn klanten en was hem nog 10 euro schuldig. Op 29 mei 2013 is de verdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan. Het slachtoffer had met – de toen ook in de woning aanwezige - [neef van het slachtoffer] bedacht dat zij de verdachte een lesje zouden leren. Het slachtoffer heeft de verdachte binnengelaten en had op dat moment een verzwaarde sok in zijn handen. De verdachte is met het slachtoffer in gevecht geraakt, in welk gevecht ook [neef van het slachtoffer] zich mengde. De voordeur van de woning was inmiddels op slot. Het lukte de verdachte niet die deur te openen. De verdachte is met een fles geslagen en met een mes bedreigd. Hij is door zowel het slachtoffer als [neef van het slachtoffer] geschopt. [neef van het slachtoffer] heeft de verdachte ook een kopstoot gegeven. De verdachte werd door [neef van het slachtoffer] onder bedreiging van de fles en door het slachtoffer onder bedreiging van een mes gedwongen zich uit te kleden en zijn spullen af te geven, waaronder zijn voorraad verdovende middelen. [neef van het slachtoffer] verliet op enig moment met die spullen de woonkamer en zei dat hij over vijf minuten terug zou komen en de verdachte dan zou vermoorden. Daarna legde het slachtoffer het mes op tafel en liep naar de bank in de woonkamer. De verdachte heeft het mes gepakt en is naar het slachtoffer gelopen. Deze draaide zich om en maakte een beweging alsof hij de verdachte wilde aanvallen. Hierop heeft de verdachte het slachtoffer zestien maal met het mes gestoken en/of gesneden.

Vorenstaande door het slachtoffer en [neef van het slachtoffer] geïnitieerde handelingen zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Die aanranding eindigde niet op het moment waarop het slachtoffer het mes op tafel legde; een andersluidend oordeel zou de feitelijke situatie op dat moment miskennen. De verdachte bevond zich immers in een woning waarvan de voordeur op slot zat, in aanwezigheid van iemand die tot kort daarvoor nog met hem had gevochten en hem met een mes had bedreigd, wist niet of [neef van het slachtoffer], die zich aan bedoelde aanranding mede schuldig had gemaakt, zich nog in de woning bevond en leefde in de veronderstelling dat deze naar de woonkamer zou terugkeren om zijn eerder geuite doodsbedreiging tot uitvoering te brengen.

Het enkele feit dat de verdachte zich – kort gezegd - als dealer in verdovende middelen in het drugscircuit heeft begeven, is geen omstandigheid die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staat. De andersluidende opvatting van het openbaar ministerie vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.

Wel is het hof met het openbaar ministerie van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. De verdachte had het mes immers inmiddels in handen en was daarmee in het voordeel. Hij had het slachtoffer met het mes kunnen bedreigen en ofwel het slachtoffer aldus kunnen dwingen de voordeur te openen ofwel kunnen proberen de woning – zoals, naar achteraf bleek, [neef van het slachtoffer] had gedaan - op een andere wijze dan via de voordeur te verlaten. In plaats daarvan heeft hij er evenwel voor gekozen het slachtoffer met het mes zestien maal te steken en/of te snijden, waarmee hij ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden.

Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer. Het bewezen verklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Het hof stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk “onmiddellijk gevolg” sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794).

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken tegenover de politie, ten overstaan van de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet veel verklaard. Hij heeft gezegd dat hij niets voelde of dacht; hij was zichzelf niet, hij was in shock en bang. Tegen de psychiater heeft de verdachte verteld dat hij erg bang was. De psycholoog heeft genoteerd dat de verdachte over diens verdediging heeft gezegd: “Ik was bang, klaar.”

Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt het hof vast dat bij de verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is teweeggebracht, maar dat deze niet als hevig valt aan te merken. Maar zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er wel van een hevige gemoedsbeweging sprake is geweest, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht op de hier besproken schulduitsluitingsgrond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen, aangezien het hof, gelet op de beperkte intensiteit van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging en gegeven de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, niet aannemelijk acht dat die gemoedsbeweging voor de gedraging van de verdachte – het tot zestien maal toe steken en/of snijden van het slachtoffer - van doorslaggevend belang is geweest en derhalve niet aannemelijk acht dat deze gedraging het onmiddellijk gevolg van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging is geweest.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens verworpen.

Het - meer subsidiair gedane - beroep op putatief noodweer behoeft geen bespreking, aangezien het hof

reeds heeft aangenomen dat van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding sprake is geweest.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts, indien het hof tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt, de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en aldus aan het slachtoffer diens kostbaarste bezit, zijn leven, ontnomen en diens nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Een dergelijk feit brengt daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 juni 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de Pro Justitia rapportages d.d. 26 augustus 2013 en 4 september 2013, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater, respectievelijk M.H. de Groot, GZ-psycholoog, alsmede op het reclasseringsrapport d.d. 10 september 2013, opgemaakt door R. van den Brink, reclasseringswerker.

De psychiater, die heeft overwogen dat de verdachte vanuit antisociale persoonlijkheidstrekken heeft gekozen voor een leven als drugsdealer, heeft geadviseerd hem als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof neemt dat advies niet over, omdat naar diens oordeel sprake is van een te zeer verwijderd verband tussen de geconstateerde persoonlijkheidstrekken en het ten laste gelegde. De psycholoog heeft geadviseerd de verdachte vanwege diens persoonlijkheidsstoornis, waarbij antisociale en paranoïde trekken het meest op de voorgrond staan, als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Ook dit advies volgt het hof niet. Daarvoor is redengevend dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een testpsychologisch onderzoek en de psycholoog derhalve over beperkte gegevens omtrent de (persoonlijkheid van de) verdachte beschikte. Op welke wijze de psycholoog tot diens bevinding is gekomen dat sprake is van antisociale en paranoïde trekken, is het hof aan de hand van diens rapport niet duidelijk geworden.

Wel is het hof van oordeel dat aan de verdachte een beduidend lagere straf moet worden opgelegd dan door het openbaar ministerie in hoger beroep is gevorderd. Daartoe is redengevend dat de mate van schuld van het slachtoffer onvoldoende in die vordering is meegewogen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Nu sprake is van een bewezen verklaard feit waarop een gevangenisstraf van meer dan twaalf jaren is gesteld en de rechtsorde door dit feit ernstig is geschokt, ziet het hof aanleiding om – overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal – de gevangenneming van de verdachte te bevelen.

Vordering tot schadevergoeding van [nabestaande]

In het onderhavige strafproces heeft [nabestaande] zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 3.900,94, te vermeerderen met wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte inhoudelijk niet gemotiveerd betwist en ligt derhalve, nu de gestelde schade ook als een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde valt aan te merken, voor integrale toewijzing gereed.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.900,94, vermeerderd met wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte

– overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal - de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.900,94 (drieduizend negenhonderd euro en vierennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag met rente tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande], een bedrag te betalen van € 3.900,94 (drieduizend negenhonderd euro en vierennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M.M. van der Nat, in bijzijn van de griffier mr. R.S. Wijkstra.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 juli 2014.