Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2401

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
BK-13-00653 tot en met BK-13-00657
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7684, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KBL-zaak. Verzwegen buitenlands vermogen. Belanghebbende terecht geïdentificeerd als rekeninghouder bij KB-Lux. Belanghebbende heeft voor de jaren 2001 t/m 2005 niet de vereiste aangifte gedaan. Omkering en verzwaring bewijslast. Sprake van redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1718
V-N Vandaag 2014/1489

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/00653 tot en met BK-13/00657

Uitspraak d.d. 16 juli 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2013, nummer SGR 12/10902, SGR 12/10904 en SGR 12/10905, SGR 12/10907 en SGR 12/10908 betreffende na te melden aanslagen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft over de jaren 2001 tot en met 2005 met dagtekening 19 november 2004 (2001), 19 mei 2005 (2002), 28 oktober 2005 (2003), 11 september 2007 (2004) en 27 juni 2008 (2005) aan belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2012 heeft de Inspecteur de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” is aangeduid:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag over het jaar 2001 in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot een bedrag van ƒ 19.373;

-vermindert de aanslag over het jaar 2002 in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot een bedrag van € 6.102;

- vermindert de aanslag over het jaar 2003 in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot een bedrag van € 5.825;

- vermindert de aanslag over het jaar 2004 in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot een bedrag van € 5.240;

- vermindert de aanslag over het jaar 2005 in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot een bedrag van € 5.428;

-wijzigt de heffingsrentebeschikkingen aldus dat de heffingsrenten worden verminderd tot de bedragen, berekend naar de nader vastgestelde bedragen van de aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2005;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.768,50, te betalen aan eiser;

-draagt verweerder op het in de zaak SGR 12/10902 betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 118 voor de behandeling van de zaken BK-13/00653 tot en met BK-13/00657. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 juni 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten.

“1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de verkregen afdrukken van de microfiches (de renseignementen).

2.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende de rekeningen bij de KB Lux. De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens. Het renseignement luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“[nummer] TER LDO [X]-[Y] 332.252,81

[nummer] VUE [X]-[Y] 337,80”.

3.

Eiser, geboren op [dag en maand] 1947, is gehuwd met [Y]. Eiser is in de onderhavige jaren beschreven voor de inkomstenbelasting. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder van de onder 2. genoemde rekening. Eiser heeft in zijn aangiften geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KB Lux.

Navorderingsaanslagen 1990 tot en met 2000

4.

Verweerder heeft eiser bij brief van 11 februari 2002 verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) inzake omkering van de bewijslast. Nadien heeft verweerder eiser in 2002 diverse malen schriftelijk om nadere informatie verzocht en heeft hij met de gemachtigde over het informatieverzoek gecorrespondeerd. Eiser heeft geen gegevens over een buitenlandse bankrekening verstrekt.

5.

Met dagtekening 31 december 2002, 31 mei 2003 en 6 juni 2003 zijn aan eiser in het kader van het Rekeningenproject navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000, alsmede verhogingen en vergrijpboetes over die jaren, opgelegd. De correcties zijn berekend volgens het voor het Rekeningenproject ontworpen model, met toepassing van de zogenoemde factor 1,5. Bij uitspraak van 3 februari 2012, nr. 04/02517, LJN: BV7666, heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1999 verminderd en de overige navorderingsaanslagen gehandhaafd en de verhogingen en vergrijpboetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn verminderd. Het gerechtshof heeft daarbij onder meer geoordeeld dat eiser in die jaren rekeninghouder is geweest bij de KB Lux. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 april 2013, nr. 12/01601, LJN: BZ6811, voormelde uitspraak vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. De verwijzing ziet op het volgende:

- de toepassing van de factor 1,5 bij de berekening van de correcties (vgl. Hoge Raad 30 maart 2012, nr. 11/02222, LJN: BW0188);

- het niet in behandeling nemen van een na de zitting ingediend verzoek om immateriële schade vergoeding;

- de verhogingen en de vergrijpboetes (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

Aanslagen 2001 tot en met 2005

6.

Verweerder heeft eiser bij brief van 18 oktober 2004 verzocht om informatie over zijn KB Lux rekening over het jaar 2001 te verstrekken. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 19 november 2004 (2001), 19 mei 2005 (2002), 28 oktober 2005 (2003), 11 september 2007 (2004) en 27 juni 2008 (2005) de onderhavige aanslagen opgelegd, waarbij verweerder correcties heeft toegepast in verband met de hiervoor onder 2 vermelde KB Lux rekening met nummer [nummer]. De correcties zijn berekend met toepassing van de factor 1,5 en zijn volledig bij eiser in aanmerking genomen. Voor het jaar 2001 heeft verweerder tevens het bedrag van de aangegeven Nederlandse banksaldi van ƒ 66.544 gecorrigeerd tot een bedrag van ƒ 499.362.

7.

Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de factor 1,5 uit de KB Lux correcties geëlimineerd en op die grond de aanslagen verminderd.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur voordat hij uitspraak op bezwaar mocht doen een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) had moeten geven. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. In het geval de vraag ontkennend moet worden beantwoord is in geschil of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende rekeninghouder is bij KB Lux en zo deze vraag bevestigend moet worden beantwoord of de hoogte van de door de Inspecteur aangebrachte correcties juist is, welke vragen belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of de rechtbank het bedrag aan immateriële schadevergoeding te laag heeft vastgesteld.

4.3. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt zakelijk weergegeven aangevoerd.

De rechtbank heeft de bewijslast ten onrechte omgekeerd omdat belanghebbende geen aangifte zou hebben gedaan. Dat oordeel is onjuist aangezien belanghebbende de aangiften wel heeft gedaan.

De Inspecteur had de aangiftebiljetten in het geding moeten brengen.

In het geval de Inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd omdat niet voldaan is aan de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen op grond van artikel 47 van de Awr had hij een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Awr moeten nemen. Het nemen van zo’n beschikking geldt als voorwaarde in het geval omkering plaatsvindt na 1 juli 2011.

De hoogte van de correcties is niet redelijk. De Inspecteur heeft die niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft destijds al toegezegd de correcties te verminderen met een bedrag van ƒ 25.000 per jaar voor consumptieve bestedingen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding ten onrechte rekening gehouden met de omstandigheid dat in een soortgelijke KB-Lux-zaak prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EG zijn gesteld. In het geval van belanghebbende zijn de aanslagen opgelegd met gebruikmaking van de reguliere aanslagtermijn van drie jaar. Belanghebbende is weliswaar destijds akkoord gegaan met de aanhouding van de uitspraak op bezwaar maar als hij dat niet had gedaan had de Inspecteur met toepassing van het destijds geldende artikel 25, leden 1 en 2, van de Awr de termijn verlengd tot twee jaar. Belanghebbende moest wel akkoord gaan met verlenging van de termijn voor uitspraak op bezwaar.

4.4. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de beschikkingen heffingsrente na de uitspraak van de rechtbank rechtens juist zijn onder aanvoering van het volgende.

De Inspecteur was niet verplicht informatiebeschikkingen te geven. Hij heeft alvorens belanghebbende de onderhavige aanslagen op te leggen telkens om informatie gevraagd en belanghebbende gewezen op de verplichting van artikel 47 Awr om die informatie te verstrekken en daarbij vermeld dat de bewijslast zou worden verzwaard in het geval die informatie niet zou worden verstrekt. Belanghebbende heeft nooit enige informatie gegeven. Op het moment van het opleggen van de aanslagen was artikel 52a Awr nog niet in werking. De wetgever heeft aan het per 1 juli 2011 ingevoerde artikel 52a AWR geen terugwerkende kracht toegekend.

Belanghebbende is terecht als rekeninghouder van KB-Lux geïdentificeerd.

De gegevens op de rekeningstandenlijsten zijn betrouwbaar en authentiek. De aangiftebiljetten zijn overgelegd bij het verweerschrift voor de rechtbank.

Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De omkering van de bewijslast is daarom terecht toegepast.

De bankrekening in het buitenland is ook in de jaren na 1996 aangehouden en de (opbrengsten uit) de bankrekening is (zijn) niet in de aangiften inkomstenbelasting verantwoord.

Het door de Inspecteur bij het bepalen van de vermogensaangroei gebruikte percentage is redelijk en voldoende onderbouwd evenals het percentage voor het bepalen van de belaste inkomsten uit de bankrekening. Hij heeft bij de hoogte van de correcties rekening gehouden met de vereiste vrijstellingen voor rente en vermogen. Er is geen sprake geweest van consumptieve besteding van het saldo van de rekening. De Inspecteur heeft niet toegezegd dan wel anderszins de indruk gewekt dat aftrek zou plaatsvinden zonder dat hij bij belanghebbende zelf heeft onderzocht of sprake is geweest van enige consumptie.

De rechtbank heeft de vergoeding voor immateriële schade op een juist bedrag vastgesteld. De uitkomst van de procedure van Nauta Dutilh is op verzoek van belanghebbende afgewacht. In 2008 was overigens pas duidelijk of de identificatie voldoende was.

4.5. Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen tot de aangegeven bedragen.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

Identificatie

12.

De rechtbank stelt voorop, gelet op de ontkenning daarvan door eiser, dat op verweerder de bewijslast rust dat eiser houder is (geweest) van de onder 2. vermelde bankrekening bij de KB Lux. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties van de belastingdienst (het BVR-systeem). Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Vervolgens zijn de uit het BVR-systeem gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister van het Rijksdienst voor het Wegverkeer (het RDW-bestand), waarin onder meer de voornamen van natuurlijke personen zijn vermeld. Uit het door verweerder ingebrachte proces-verbaal van ambtshandeling van 16 december 2002 valt op te maken dat de naamcombinatie [X]-[Y] een unieke treffer oplevert en dat deze unieke treffer eiser en zijn echtgenote betreft. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomsten te twijfelen. Gelet op de combinatie van de achternamen van eiser en zijn echtgenote tezamen met de voornaam van eiser en de omstandigheid dat uit het BVR-systeem en het RDW-bestand naar voren komt dat de voor- en achternaam van eiser en de achternaam van zijn echtgenote een unieke naamcombinatie betreft, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser, al dan niet tezamen met zijn echtgenote, rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekening met nummer [nummer]. Voormeld oordeel vindt bevestiging in de hiervoor onder 5. vermelde uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage en de Hoge Raad.

Bewijslastverdeling

13

Verweerder heeft gesteld dat eiser gedurende de gehele in geding zijnde periode heeft beschikt over voormelde KB Lux rekening. De hoogte van de saldi van die rekening op 31 januari 1994, alsmede het bij de KB Lux in gebruik zijnde systeem van zicht- en tegenrekeningen wijst op een belegging voor de lange termijn. Nu voorts uit het, op de aangiftegegevens van eiser gebaseerde, vermogensoverzicht van verweerder over de periode 1995 tot en met 2005 (bijlage 39 van het verweerschrift) valt op te maken dat het binnenlands vermogen van eiser in die periode niet substantieel in omvang is toegenomen, acht de rechtbank het, een en ander in onderling verband bezien, aannemelijk dat eiser gedurende de gehele door verweerder in aanmerking genomen periode houder was van voormelde KB Lux rekening. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd waaruit het tegendeel volgt. Het beroep van eiser ter zitting op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012, nr. 12/1937, LJN: BY2216 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het aldaar voorliggende geval uitsluitend de rechtmatigheid van een informatiebeschikking in geschil was, en verweerder bovendien, naar hiervoor onder 12. reeds is overwogen, in het onderhavige geval aannemelijk heeft gemaakt dat eiser, rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekening.

Omkering bewijslast

14.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr en dat eiser evenmin de vereiste aangiften heeft gedaan.

15

Gelet op hetgeen hiervoor onder 12. en 13. is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat eiser in de onderhavige jaren houder was van de in de renseignementen vermelde KB Lux rekening. Niet in geschil is dat de saldi en inkomsten van die rekening niet in de aangiften van eiser en zijn echtgenote zijn aangegeven. Gelet op de hoogte van de saldi van de KB Lux rekening van eiser, zoals vermeld in de renseignementen, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiser dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiser niet de vereiste aangiften gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr (tekst vanaf 1 juli 2011) de bewijslast dient te worden omgekeerd.

16.

Nu de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangiften reeds is omgekeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiser niet aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan.

17.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank gehouden de beroepen, ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de Awr (tekst vanaf 1 juli 2011), ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, waarbij het op de weg van eiser ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De enkele, blote stelling van eiser dat hij geen rekeninghouder bij de KB Lux is (geweest) is daarvoor onvoldoende.

Redelijke schatting

18

Eiser is – naar de rechtbank bewezen acht – houder van de voornoemde rekening bij de KB Lux. Eiser heeft geen opening van zaken hierover gegeven. Nu verweerder evenmin kon beschikken over gegevens van de KB Lux vanwege het bankgeheim, is verweerder ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting aangewezen op een schatting.

19.

Verweerder is bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen uitgegaan van hogere correcties (inclusief toepassing van de factor 1,5) dan de standaardcorrecties die voortvloeien uit de in het Rekeningenproject toegepaste modelmatige berekeningsmethode. In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder enkel de factor 1,5 geëlimineerd. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat alsnog van de lagere standaardcorrecties (na eliminatie van de factor 1,5) dient te worden uitgegaan en dat voorts op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst tot 1 maart 2005) de helft van die correcties aan eiser dient te worden toegerekend. Dit leidt tot vermindering van de aanslagen in zoverre dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd tot op respectievelijk ƒ 19.373 (2001), € 6.102 (2002), € 5.825 (2003), € 5.240 (2004) en € 5.428 (2005).

20.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met inachtneming van vorengenoemde verminderingen de belastbare inkomens uit sparen en beleggen over de onderhavige jaren op redelijke wijze geschat. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aan de hand van de modelmatige berekeningsmethode gemaakte schattingen voor de jaren tot en met 2000, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01601, LJN: BZ6811 en 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324 niet onredelijk zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding over de jaren 2001 tot en met 2005 anders te oordelen. Verweerder is voor die jaren voor de berekening van de correcties uitgegaan van het berekende saldo eind 2000 en heeft dat saldo verhoogd met een veronderstelde aangroei. De door verweerder gehanteerde oprenting van het (geschatte) vermogen acht de rechtbank redelijk.

21.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank de aanslagen verminderen overeenkomstig het standpunt van verweerder als vermeld in 19.

Heffingsrente

22

Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten geen gronden ingebracht. Wel dienen de in rekening gebrachte heffingsrenten, in verband met de onder 21. genoemde verminderingen van de onderhavige aanslagen, dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom materiële geschil

23.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

24.

Eiser heeft ter zitting verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087.

25

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

26.

Indien de totale procedure in eerste aanleg langer dan twee jaar heeft geduurd, dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren (vgl. Hoge Raad 22 maart 2013, nr 11/04270, LJN: BX6666). De rechtbank ziet in de complexiteit van de onderhavige zaken aanleiding om een langere termijn als redelijk aan te merken. De rechtbank stelt de redelijke termijn voor de bezwaarfase vast op één jaar en de redelijke termijn voor de beroepsfase vast op anderhalf jaar.

27.

De rechtbank zal, gelet op de overwegend gezamenlijke behandeling in bezwaar en beroep, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 6 december 2004. Nu eiser voorts in zijn bezwaarschriften tegen de aanslagen over de jaren 2002 en 2003 met de aanhouding van die bezwaren heeft ingestemd totdat in de proefprocedures van Nauta Dutilh betreffende het Rekeningproject onherroepelijk is beslist, zal de rechtbank voor de aanvang van de redelijke termijn uitgaan van de datum waarop de Hoge Raad in de laatste proefprocedures arrest heeft gewezen, namelijk 26 februari 2010 (zie onder meer Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43 670bis, LJN: BJ9120).

28.

Vanaf de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 tot de uitspraak van de rechtbank op 11 juli 2013 is (afgerond) drie jaar en vijf maanden verstreken. Derhalve langer dan de termijn van tweeënhalf jaar die als redelijk kan worden beschouwd voor de onderhavige procedures in bezwaar en beroep tezamen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van elf maanden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank van de, op 26 november 2012 ontvangen, (pro forma) beroepen niet langer dan acht maanden heeft geduurd. De overschrijding komt derhalve in haar geheel voor rekening van verweerder. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 (2 x € 500) voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar.

Proceskosten

29.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.768,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang).

Beoordeling van het hoger beroep

Identificatie

7.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank in overweging 12 van haar uitspraak met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende en zijn echtgenote houder zijn (geweest) van de KB Lux-rekening met nummer [nummer]. Aan dit oordeel doet niet af hetgeen belanghebbende daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd.

Aangiftebiljetten

7.2. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur kopieën van originele aangiftebiljetten had moeten overleggen. De door de Inspecteur bij het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde schermuitdraaien, waarin onder de noemer ‘aangeleverde gegevens’ de gegevens zijn vermeld die belanghebbende in de door hem ingediende aangiften heeft opgenomen, volstaan. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende niet zelf op eenvoudige wijze kopieën van de destijds ingeleverde biljetten had kunnen maken. Voorts heeft belanghebbende niet gesteld dat de in overgelegde uitdraaien onder de noemer ‘aangeleverde gegevens’ vermelde gegevens afwijken van de in de aangiften vermelde gegevens.

Omkering en verzwaring van de bewijslast wegens niet doen van de vereiste aangifte

7.3. Van consumptieve bestedingen van het aanzienlijke saldo van de rekening bij KB-Lux in 1994 of in de jaren nadien is niets gebleken. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere gedingstukken. De Inspecteur heeft gesteld en voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over de thans in het geding zijnde jaren in zijn aangiften geen renten of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld. Op grond van het een en ander acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2001 tot en met 2005 over een substantieel in het buitenland aangehouden vermogen beschikte waarvan hij de in de aangiften voor die jaren geen melding heeft gemaakt. Mitsdien heeft belanghebbende voor elk van die jaren niet de vereiste aangifte gedaan. Artikel 27e van de Awr schrijft in dat geval voor dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij belanghebbende doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar en daarmee de bij die uitspraak gehandhaafde aanslag voor elk van de jaren 2001 tot en met 2005 onjuist is. Dit gold reeds voor de inwerkingtreding van de Wet van 27 mei 2011, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus, Stb. 265 (hierna: de Wijzigingswet), en is na de inwerkingtreding van de Wijzigingswet per 1 juli 2011 niet anders. Het standpunt van belanghebbende dat de inwerkingtreding van de Wijzigingswet meebrengt dat de Inspecteur in het geval waarin niet de vereiste aangifte is gedaan gehouden was een informatiebeschikking te nemen alvorens de rechtbank en het Hof kunnen toekomen aan verzwaring van de bewijslast volgt het Hof niet.

7.4. Ten overvloede overweegt het Hof het volgende. Het bepaalde in artikel 52a van de Awr omtrent het nemen van een informatiebeschikking is in werking getreden op 1 juli 2011. De hiervoor genoemde wet van 27 mei 2011 en het Besluit van 14 juni 2011, Stb. 301, dat de inwerkingtreding regelt, voorzien niet in een overgangsregeling. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat artikel 52a Awr geldt vanaf de datum van inwerkingtreding, op 1 juli 2011. Terugwerkende kracht is aan de wetgeving niet verleend. Dat is door de wetgever niet in de Wet neergelegd en ook niet beoogd.

Omkering en verzwaring van de bewijslast wegens niet voldoen aan de informatieverplichting

7.5. De Inspecteur heeft in zijn brief van 11 februari 2002 belanghebbende verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De Inspecteur heeft belanghebbende daarbij onder meer gewezen op de artikelen 47, eerste lid, onderdeel a, 49, 25, zesde lid, onderdeel b, en 27e, onderdeel b, van de Awr inzake omkering van de bewijslast. Nadien heeft de Inspecteur belanghebbende in 2002 diverse malen schriftelijk om nadere informatie verzocht en heeft hij met de voormalige gemachtigde over het informatieverzoek gecorrespondeerd. Vervolgens zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1991 tot en met 2000 opgelegd. Belanghebbende heeft geen gegevens over een buitenlandse bankrekening verstrekt. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 18 oktober 2004 verzocht om informatie over zijn KB Lux-rekening over het jaar 2001 te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Al deze verzoeken zijn gedaan voor de inwerkingtreding van de Wijzigingswet. In de bezwaarfase is niet gebleken van een hernieuwd verzoek om informatie van de kant van de Inspecteur zodat ook in die fase geen informatiebeschikking hoefde te worden genomen.

Gelet op het een en ander heeft belanghebbende met betrekking tot elk van de jaren 2001 tot en met 2005 niet voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 en 49 van de Awr. Ook op die grond dient het beroep ingevolge artikel 27e van de AWR voor elk van die jaren ongegrond te worden verklaard tenzij belanghebbende doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar en daarmee de bij die uitspraak gehandhaafde aanslag voor elk van de jaren 2001 tot en met 2005 onjuist is.

Redelijke schatting

7.6. De rechtbank heeft in de overwegingen 18 tot en met 20 van haar uitspraak met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat de Inspecteur de belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor de jaren 2001 tot en met 2005 op redelijke wijze heeft geschat. Daaraan doet niet af hetgeen belanghebbende op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de Inspecteur de toezegging is gedaan of de gerechtvaardigde indruk is gewekt dat rekening zou worden gehouden met een jaarlijkse afname van het saldo op de rekening zonder dat uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat sprake zou zijn van enige consumptie. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van door de Belastingdienst gevoerd beleid waarop belanghebbende zich kan beroepen. Het enkele feit dat een collega van de Inspecteur een afname heeft toegestaan brengt niet mee dat dit ook voor belanghebbende geldt. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan sprake is van aan het geval van die collega gelijke gevallen.

7.7. In hoger beroep zijn verder geen nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren gekomen die het Hof aanleiding geven over de bewijslastverdeling, de omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangiften, de redelijke schatting en de heffingsrente anders te oordelen dan de rechtbank in de rechtsoverwegingen 13 tot en met 23 van de uitspraak heeft gedaan.

Immateriële schade

7.8. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de rechtbank de redelijke termijn in de bezwaarfase ten onrechte heeft verlengd met de periode vanaf indiening van het eerste bezwaar op 6 december 2004 tot de datum waarop de Hoge Raad de arresten in de laatste proefprocedure van Nauta Dutilh heeft gewezen (26 februari 2010). Het Hof acht deze verlenging echter redelijk. Daarbij neemt het Hof als bijzondere omstandigheden in aanmerking dat de procedures betreffende de onderhavige jaren samenhangen met de procedures inzake de voorgaande jaren, die navorderingsaanslagen betroffen en waarin de kwestie van de voortvarendheid in het geding was, alsmede dat belanghebbende heeft toegestemd in aanhouding van de procedures betreffende de onderhavige jaren. Belanghebbende had het in eigen hand de periode van spanning en onzekerheid te bekorten door niet met de aanhouding in te stemmen.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 16 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.