Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:24

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
BK-13-00409
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2885
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Ambtshalve aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/292
FutD 2014-0364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00409

Uitspraak d.d. 14 januari 2014

in het geding tussen

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2013, nummer SGR 12/8191, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000 en - bij gelijktijdig genomen beschikking - een verzuimboete ten bedrage aan € 1.134 aan belanghebbende opgelegd.

1.2. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3. Van de uitspraken op bezwaar is belanghebbende in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee heeft de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 december 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met nummer BK-13/00405. Al hetgeen in een zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar 100 percent aandeelhouder in [A] B.V. Daarnaast is hij in 2008 in dienstbetrekking bij [B] B.V. en heeft hij werkzaamheden op het gebied van milieu-advisering verricht.

3.2. Volgens het door de Inspecteur aangehouden systeem Beheer Van Relaties (hierna: BVR) is belanghebbende met ingang van 1 januari 2010 100 percent aandeelhouder van [C] Ltd. [C] Ltd en Stichting [D] zijn commanditaire vennoten in [E] C.V. (hierna: [E]), welke is gevestigd op het adres [adres]. Onduidelijk is in welke relatie belanghebbende tot [C] Ltd stond in het onderhavige jaar, 2008.

3.3. Uit rekeningafschriften blijkt dat [E] gedurende het kalenderjaar 2008 op een op haar naam staande bankrekening een totaalbedrag van € 68.097 aan bijschrijvingen heeft ontvangen. Het merendeel van de bijschrijvingen (€ 52.221) betreft ontvangen betalingen op door [E] aan [B] B.V. uitgereikte facturen. Ook stort belanghebbende zelf bedragen op de bankrekening van [E].

3.4. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn kosten op 19 december 2011 een groot aantal kopieën van nota’s aan de Inspecteur overgelegd, waaruit voornamelijk bedragen blijken die aan [E] in rekening zijn gebracht. Tevens heeft belanghebbende kopieën overgelegd van facturen die op zijn naam zijn gesteld. Daarnaast heeft belanghebbende een groot aantal kassabonnetjes van bouwmarkten overgelegd .

3.5. Uit deze bescheiden blijkt dat belanghebbende uitgaven voor brandstof en onderhoud van een voertuig tot de aftrekbare kosten rekent. Onduidelijk is of het hier om een voertuig gaat dat tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoort dan wel tot zijn privévermogen. Bij brief van 10 januari 2012 heeft de Inspecteur vragen gesteld over deze auto. Belanghebbende heeft die vragen niet beantwoord.

3.6. Noch van [A] B.V., noch van [E] C.V., noch van [C] Ltd, noch van belanghebbendes werkzaamheid zijn administraties bijgehouden die voldoen aan de vereisten van artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.7. Aan belanghebbende is op 31 oktober 2009 een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 2008 uitgereikt. Voor het indienen van deze aangifte is uitstel verleend tot 1 februari 2010. Op 25 februari 2010 is aan belanghebbende een herinnering gezonden voor het indienen van de aangifte. Vervolgens is op 12 mei 2010 aan belanghebbende een aanmaning gezonden. De Inspecteur heeft met dagtekening 10 augustus 2011 ambtshalve de onderhavige aanslag vastgesteld.

3.8. Op 19 september 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag en heeft daarin gesteld dat hij de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 op 22 maart 2010 heeft ingediend. Daarin heeft hij aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.173, bestaande uit € 24.829 aan looninkomsten en € 3.344 (€ 31.966 minus € 28.622) aan resultaat uit overige werkzaamheden. Met dagtekening 10 augustus 2011 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000. Hij heeft daarbij het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met een bedrag van € 11.827.

3.9. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd en de verzuimboete vernietigd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of het belastbare inkomen naar het juiste bedrag is vastgesteld.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur ten onrechte voormelde correctie heeft aangebracht.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat de verhoging van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 11.827 niet te hoog is en voert ter ondersteuning van die stelling onder meer het volgende aan:

a. belanghebbende stelt in 2008 aan [B] B.V. € 29.736,45 (ex. BTW) te hebben gefactureerd, terwijl uit de rekeningafschriften van [E] een totaal aan bijschrijvingen van [B] B.V. in 2008 blijkt van € 52.221. Indien deze bijschrijvingen feitelijk aan belanghebbende toe zijn gekomen, zijn de inkomsten van [B] B.V. tot een bedrag van ongeveer € 23.000 te laag aangegeven;

b. belanghebbende heeft géén privégebruik auto tot het resultaat gerekend;

c. er zijn ten onrechte niet-aftrekbare kosten ex artikel 3.14 en 3.15 Wet IB 2001 opgevoerd;

d. er zijn ten onrechte huurkosten in aanmerking genomen welke zijn gefactureerd aan [A] B.V. (nota: 22 december 2008 € 2.768).

4.4. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning naar een bedrag van € 28.173 en tot dienovereenkomstige wijziging van de beschikking heffingsrente.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschilpunt het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”7. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat eiser niet (tijdig) de vereiste aangifte heeft gedaan, dat eiser evenmin aan zijn administratieverplichting heeft voldaan en concludeert daarom tot omkering van de bewijslast.

8.

Indien vaststaat dat een eiser pas bij zijn bezwaarschrift tegen de primitieve aanslag aangifte heeft gedaan en het hem kan worden aangerekend dat hij te laat aangifte heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat niet de vereiste aangifte is gedaan en volgt op grond van het bepaalde in artikel27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) omkering van de bewijslast (vgl. Hoge Raad 2 maart 2001, nr. 42 311, LJN: AZ9676).

9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn stelling dat hij op 22 maart 2010 aangifte heeft gedaan niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat op het voor blad van de door eiser ingebrachte kopie van de aangifte als datum 22 maart 2010 is vermeld, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, nu eiser geen bewijs van verzending of ontvangst van de aangifte heeft meegebracht. Het vorenstaande brengt mee dat eiser pas in de bezwaarfase tegen de primitieve aanslag de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2008 heeft ingediend. Nu gesteld noch gebleken is dat te dezen sprake is geweest van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat het te laat indienen van het aangiftebiljet eiser niet kan worden aangerekend, is de rechtbank van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr (tekst vanaf 1 juli 2011) de bewijslast dient te worden omgekeerd.

10.

Nu de bewijslast wegens het niet tijdig doen van de vereiste aangifte reeds is omgekeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiser niet aan zijn administratieverplichting heeft voldaan.

11.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank gehouden het beroep, ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de Awr (tekst vanaf 1 juli 201 I), ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.

12.

Eiser is naar het oordeel van de rechtbank niet in dat bewijs geslaagd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser het door hem in aanmerking genomen bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden niet, althans onvoldoende, met nadere bewijsstukken heeft onderbouwd.

13.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de Inspecteur, gelet op de gedingstukken, in alle redelijkheid een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000 in aanmerking heeft genomen.

14.

Gelet op het voren overwogene is de aanslag niet te hoog vastgesteld. Het beroep, voor zover gericht tegen de aanslag, is dan ook ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 toegezonden. Ondanks daartoe te zijn aangemaand heeft belanghebbende binnen de gestelde termijn de aangifte niet ingediend. Aangezien de vereiste aangifte niet is gedaan dient de rechter op grond van artikel 27e, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het is derhalve aan belanghebbende om te doen blijken dat de aanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld.

7.2. Belanghebbende is in die bewijslast niet geslaagd, aangezien hij dienaangaande onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die zijn daartoe aangevoerde stellingen onderbouwen.

7.3. Het vorenstaande ontslaat de Inspecteur niet van de plicht een redelijke schatting te maken van het belastbare inkomen van belanghebbende. In gevallen als het onderhavige heeft de inspecteur in het algemeen daarbij een zekere armslag omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens en rekening moet houden met de mogelijkheid dat er - hem niet bekende - bronnen van inkomen zijn.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de onderbouwing die hij aan die schatting ten grondslag heeft gelegd (hiervoor in rechtsoverweging 4.3 weergegeven), voor welke onderbouwing voldoende feitelijke grondslag in de gedingstukken is te vinden en waarvan de juistheid door belanghebbende niet is weerlegd, in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de alsnog aangegeven winst met € 11.827 verhoogd moet worden. Hetgeen belanghebbende verder in dit verband naar voren heeft gebracht leidt niet tot een andere conclusie.

7.4. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 14 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.