Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2370

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
200.017.543
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang met biologische, gedetineerde vader. Nieuw onderzoek raad na vijf jaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a, geldigheid: 2014-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 april 2014

Zaaknummer : 200.017.543

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 08-549

[de man]

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Verschoor te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de juridische vader],

wonende te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

hierna te noemen: de juridische vader.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de na te noemen minderjarige.

Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van 7 oktober 2009 en 8 mei 2013 en de daarin vermelde stukken, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij de tussenbeschikking van 7 oktober 2009 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. Voorts heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop statusvoorlichting plaats zou kunnen vinden alsmede de mogelijkheid van omgang tussen de man en de minderjarige en hierover rapport en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Op 29 juni 2011 is de mondelinge behandeling voortgezet. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De moeder is verzocht het hof te informeren of de kosten voor het traject voor vrijwillige hulpverlening, te verlenen door mevrouw drs. L. Graatsma, worden vergoed door haar ziektekostenverzekeraar. Verder is partijen verzocht het hof te informeren over het tijdsbestek dat het traject voor vrijwillige hulpverlening zal gaan innemen en of dit traject rond die tijd al in gang is gezet (of zal worden gezet). De zaak is verder pro forma aangehouden.

Op 14 juni 2012 is de mondelinge behandeling voortgezet. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn tijdens deze zitting als volgt overeengekomen: de moeder gaat eerst in therapie bij het MoleMann Instituut. Rond 1 september 2012 zal de moeder de man omtrent de voortgang berichten. In oktober/november 2012 kunnen partijen dan naar mevrouw Graatsma. Vóór 1 februari 2013 zal de mededeling aan de minderjarige worden gedaan. Partijen hebben het hof verzocht de zaak aan te houden tot 1 februari 2013.

Bij genoemde tussenbeschikking van 8 mei 2013 heeft het hof partijen verwezen naar het Rotterdamse Omgangshuis. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang is pro forma aangehouden, in afwachting van berichtgeving door het omgangshuis omtrent het verloop van de omgangsbegeleiding, de begeleiding van de ouders in hun onderlinge contact en de wijze waarop een omgangsregeling vorm zou moeten krijgen. Voorts heeft het hof een informatieregeling met betrekking tot de minderjarige vastgesteld, inhoudende dat de moeder drie keer per jaar per e-mail informatie omtrent de ontwikkeling van de minderjarige aan de man zal verstrekken, alsmede goed gelijkende (school)foto’s en schoolrapporten van de minderjarige aan hem zal doen toekomen.

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 30 januari 2014 een faxbericht van diezelfde datum;

van de zijde van Horizon:

  • -

    op 16 september 2013 een brief van 12 september 2013;

  • -

    op 27 december 2013 een brief van 19 december 2013;

van de zijde van de juridische vader:

- op 7 maart 2014 een brief.

De raad heeft bij brief van 4 februari 2014 zijn rapport van 3 juni 2010 aan het hof overgelegd, met de mededeling dat de raad bereid is om nader onderzoek te doen.

Op 26 maart 2014 is de mondelinge behandeling voortgezet. Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    mr. A.A. van den Berg, kantoorgenoot van de advocaat van de vader;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de juridische vader.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

Het hof handhaaft al hetgeen is overwogen en beslist in zijn beschikkingen van 7 oktober 2009 en 8 mei 2013.

2.

In geschil is thans nog de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige.

3.

Uit de brief van 19 december 2013 van Horizon komt naar voren dat op 25 september 2013 de begeleide omgang bij het omgangshuis is gestart tussen de man en de minderjarige. In totaal waren er acht afspraken gepland, maar hiervan is slechts één afspraak doorgegaan. Het eerste contact is goed verlopen, maar na dit contact heeft de minderjarige laten weten dat hij de man niet meer wil zien. De minderjarige heeft in een gesprek bij het omgangshuis te kennen gegeven dat hij vindt dat zijn biologische vader hem in de steek heeft gelaten en dat hij zich er schuldig over voelt dat hij het eerste contact met hem wel leuk vond. Volgens de raad duiden deze uitspraken op loyaliteitsproblemen bij de minderjarige. De moeder en de juridische vader wilden de minderjarige niet dwingen om contact te hebben met de man en hebben daarom besloten om te stoppen met het traject bij het omgangshuis.

4.

De moeder heeft op 30 januari 2014 het hof schriftelijk geïnformeerd over het feit dat de man sinds 13 november 2013 in detentie verblijft en dat de begeleide omgang om die reden niet meer door kan gaan. Ter zitting verwijst de moeder naar de begrippen beschikbaarheid en betrouwbaarheid, welke begrippen nadrukkelijk zijn benoemd en uitgelegd in de tussenbeschikking van 8 mei 2013 en zij constateert dat de vader op dit moment niet beschikbaar is voor de minderjarige. Mede gelet op de zorgelijke ontwikkeling van de minderjarige, die op school wordt waargenomen, betwijfelt de moeder of omgang met de man thans in het belang van de minderjarige is. De moeder verzoekt daarom primair het verzoek van de man af te wijzen. Desgevraagd heeft zij echter te kennen gegeven dat zij tevens kan instemmen met een nieuw raadsonderzoek, waarbij opnieuw wordt bekeken of een omgangsregeling onder de huidige omstandigheden in het belang van de minderjarige is.

5.

De juridische vader heeft bij brief laten weten dat hij en de moeder uit elkaar zijn gegaan en dat de omgang met zijn kinderen sindsdien problematisch verloopt. Hij is om die reden eveneens een procedure gestart tegen de moeder. De juridische vader zegt nu te begrijpen wat de man heeft moeten doormaken. De juridische vader is van mening dat het in het belang is van de minderjarige dat hij zijn biologische vader beter leert kennen en stelt dat dit met de juiste begeleiding geen probleem zou moeten zijn, aangezien de minderjarige het ontzettend naar zijn zin heeft gehad tijdens de eerste ontmoeting bij het omgangshuis. Dat de minderjarige daarna geen contact meer wenste, komt volgens de juridische vader, omdat de moeder op hem heeft ingepraat. De juridische vader gunt de man omgang met zijn zoon en hij is tevens bereid om zijn erkenning in te trekken, zodat de biologische vader zijn zoon kan erkennen.

6.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht.

7.

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is het hof van oordeel dat het zonder aanvullende informatie geen verantwoorde beslissing over de omgangsregeling kan nemen. Gebleken is dat het ingezette traject bij het omgangshuis na het eerste contactmoment is beëindigd, omdat de minderjarige te kennen had gegeven dat hij de man niet meer wilde zien. Vaststaat dat de minderjarige moeite heeft met de situatie en zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Nader onderzoek door de raad is naar het oordeel van het hof noodzakelijk om te kunnen vaststellen of het loyaliteitsconflict een omgangsregeling met de man in de weg staat. Het hof verzoekt derhalve de raad opnieuw onderzoek te verrichten naar de vraag of omgang met de man in het belang is van de minderjarige, en of het traject bij het omgangshuis dient te worden voortgezet. Daarbij dient de raad tevens de omstandigheid te betrekken dat de vader thans in detentie verblijft. Voorts wordt de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag of een beschermingsmaatregel noodzakelijk is in het belang van de minderjarige.

8.

Teneinde de raad in de gelegenheid te stellen het onderzoek uit te voeren zal het hof de behandeling van de zaak zes maanden pro forma aanhouden.

9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen zoals hiervoor in rechtsoverweging 7 is uiteengezet en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

houdt de behandeling aan tot de zitting van 27 september 2014 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, van Nievelt en Husson, bijgestaan door mr. Schapendonk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2014.