Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2368

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
200.138.109-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling zorgregeling, opleggen dwangsom.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, geldigheid: 2014-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 april 2014

Zaaknummer : 200.138.109/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-5929

Zaaknummer rechtbank : C/09/424915

[de moeder]

wonende te [woonplaats]

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.A. Breetveld te Den Haag,

tegen

[de vader]

wonende te [woonplaats]

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.L. Garnett te ‘s-Hertogenbosch.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 28 november 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 augustus 2013 van de rechtbank Den Haag.

De vader heeft op 20 januari 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

De moeder heeft op 5 maart 2014 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 31 januari 2014 een V-formulier van 29 januari 2014 met bijlagen ingekomen.

De zaak is op 19 maart 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikkingen van 19 oktober 2012 en 11 april 2013 van de rechtbank Den Haag.

Bij de tussenbeschikking van 19 oktober 2012 van de rechtbank Den Haag zijn, voor zover in geschil van belang, partijen verwezen naar het omgangshuis voor het onder begeleiding op gang brengen van de omgang tussen de vader en de na te noemen minderjarige.

Bij de tussenbeschikking van 11 april 2013 van de rechtbank Den Haag is, voor zover in geschil van belang, een voorlopige zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

o op zondag 10 maart 2013 en op 17 maart 2013 van 15.00 uur tot 16.00 uur,

o vanaf zondag 24 maart 2013 elke zondag van 15.00 uur tot 17.00 uur,

onder begeleiding van de grootvader vaderszijde, waarbij de grootvader vaderszijde de minderjarige ophaalt en terugbrengt onder aan de flat bij de moeder, zonder dat de vader daarbij in beeld is voor de moeder, en verklaart deze voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, een definitieve zorgregeling vastgesteld, waarin is bepaald dat de na te noemen minderjarige bij de vader zal zijn:

  • -

    tot het moment dat zij drie jaar oud is (derhalve tot 24 september 2014) eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur,

  • -

    vanaf het moment dat zij drie jaar oud is (derhalve met ingang van 24 september 2014) eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 16.00 uur,

  • -

    vanaf 24 maart 2015 eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 16.00 uur,

waarbij de vader de minderjarige bij de moeder thuis ophaalt en weer terugbrengt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de ouders hebben gezamenlijk het gezag over de na te noemen minderjarige;

  • -

    de minderjarige verblijft bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1.

In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) met betrekking tot de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige.

2.

De moeder verzoekt het hof zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bestreden beschikking wordt vernietigd in die zin dat de reguliere zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld, wordt vernietigd c.q. de verzoeken van de vader ten aanzien van de zorgregeling in eerste aanleg af te wijzen dan wel een zorgregeling in goede justitie te bepalen.

3.

De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de moeder in haar appel niet ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven af te wijzen met bekrachtiging van de beschikking waarvan appel. In incidenteel appel verzoekt de vader:

primair:

de moeder te veroordelen tot een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat de moeder in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;

subsidiair:

te bevelen dat de moeder wordt gegijzeld totdat zij bereid is de door de rechtbank de bij de betreden beschikking vastgestelde zorgregeling na te komen;

meer subsidiair:

(na wijziging van zijn verzoek ter zitting) de minderjarige onder toezicht te stellen.

4.

De moeder verweert zich tegen het incidentele hoger beroep van de vader en verzoekt het incidentele verzoek van de vader af te wijzen.

5.

De moeder stelt dat de huidige zorgregeling te belastend is voor de minderjarige. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de minderjarige na het contact met de vader misselijk en erg vermoeid is en dat zij een paar dagen nodig heeft om weer in haar dagelijkse ritme te komen. De moeder is ook van mening dat de lange treinreis die de minderjarige tweewekelijks moet maken te vermoeiend is voor de minderjarige, gelet op haar jonge leeftijd. Het is daarom in het belang van de minderjarige dat de contacten plaatsvinden in [woonplaats], aldus de moeder. De moeder is niet tegen het contact tussen de vader en de minderjarige, maar zij acht een langzame opbouw van de contacten met de vader veel meer in het belang van de minderjarige. De moeder stelt zich op het standpunt dat de zorgregeling te snel is uitgebreid ten opzichte van de voorlopige zorgregeling, welke regeling is vastgelegd in de tussenbeschikking van 11 april 2013 van de rechtbank Den Haag. Zij is van mening dat de voorlopige zorgregeling dient voort te duren en dat deze regeling geleidelijk kan worden uitgebreid als blijkt dat de vader in staat is deze regeling na te komen. Tot op heden heeft de vader zich echter niet altijd aan de afspraken met betrekking tot de zorgregeling gehouden en heeft hij meermalen verstek laten gaan. Voorts voert de moeder aan dat het contact met de vader tijdens de overdracht nog steeds veel stress bij de minderjarige veroorzaakt. Zij stelt daarom dat het in het belang is van de minderjarige dat de overdracht plaatsvindt via derden.

6.

De vader verweert zich daartegen als volgt. Na de uitspraak van de rechtbank Den Haag op 29 augustus 2013 heeft de moeder geweigerd om haar medewerking te verlenen aan de vastgestelde zorgregeling. De vader is hierop een kort geding procedure gestart. In deze procedure heeft de rechter bepaald dat aan de moeder een dwangsom zal worden opgelegd, wanneer de moeder de zorgregeling niet nakomt. Sindsdien houdt de moeder zich aan de zorgregeling en inmiddels heeft de vader vijf keer contact gehad met de minderjarige. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij niet gemerkt heeft dat de minderjarige misselijk of vermoeid is na afloop van de contactmomenten en ook stelt hij dat de overdracht vooralsnog goed verloopt. De vader merkt hierbij op dat hij bereid is om met de moeder te communiceren over zaken met betrekking tot de minderjarige, waaronder de zorgregeling, maar hij stelt dat de moeder hier niet voor openstaat en geen contact met hem wenst. De vader stelt dat een uitbreiding van de voorlopige zorgregeling noodzakelijk is, gezien de reistijd naar [woonplaats], zodat hij tijd kan doorbrengen met de minderjarige in zijn woonomgeving. Daarbij stelt hij dat de voorlopige zorgregeling ruim een jaar heeft geduurd en dat dus niet gesteld kan worden dat de zorgregeling te snel is uitgebreid. Tot slot voert de vader aan dat de angst die de moeder zou hebben voor de vader en de stress die veroorzaakt zou worden door het contact met de vader onvoldoende door de moeder is aangetoond door middel van medische verklaringen. Desalniettemin rust op de moeder de verplichting om het contact tussen de vader en de minderjarige te bevorderen en mag van haar verwacht worden dat zij hulp zoekt voor eventuele stress en angstklachten, zodat zij aan deze verplichting kan voldoen, aldus de vader.

7.

Gelet op de weigerachtige houding van de moeder heeft de vader er geen vertrouwen in dat zij de zorgregeling zal nakomen. De vader verzoekt daarom in incidenteel appel aan de moeder een dwangsom op te leggen voor elke keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, subsidiair de moeder te gijzelen totdat de moeder bereid is de zorgregeling na te komen, meer subsidiair de minderjarige onder toezicht te stellen.

8.

Aangezien de moeder de zorgregeling nakomt, zijn een dwangsom, gijzeling en ondertoezichtstelling niet aangewezen. De moeder verzoekt derhalve het incidentele verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen.

9.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling blijkens lid 2 sub a kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

10.

Het hof is onvoldoende gebleken dat de minderjarige wordt belast door het contact met de vader. De moeder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd waarom het contact met de vader niet in het belang zou zijn van de minderjarige. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de huidige zorgregeling, waarbij de vader eenmaal per veertien dagen contact heeft met de minderjarige op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur niet te handhaven en op termijn uit te breiden.

11.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verhandeld, is gebleken dat de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige pas na de procedure in kort geding is opgestart en er slechts vijf keer contact is geweest tussen de vader en de minderjarige. Het hof acht het daarom in het belang van de minderjarige dat de uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting eerst zal plaatsvinden vanaf januari 2015. Dit om de ouders en de minderjarige de komende periode te laten wennen aan de nieuwe situatie, waarin de minderjarige tweewekelijks contact heeft met de vader. Het hof acht het op dit moment nog te vroeg om een verdere uitbreiding van de weekendregeling op te nemen.

12.

Het hof overweegt wellicht ten overvloede dat de volledige zorgregeling aldus zal zijn als volgt:

  • -

    tot 1 januari 2015 zal de minderjarige bij de vader verblijven: eenmaal in de twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur;

  • -

    met ingang van 1 januari 2015 zal de minderjarige bij de vader verblijven: eenmaal in de twee weken vanaf zaterdag 9.00 uur tot zondag 16.00 uur.

Het hof gaat er daarbij van uit dat de minderjarige steeds door de vader bij de moeder zal worden opgehaald en teruggebracht.

13.

Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling zal worden vernietigd.

14.

Het hof is van oordeel dat de dwangsom verbonden aan de nakoming van de zorgregeling gehandhaafd dient te blijven, nu gebleken is dat de zorgregeling pas is opgestart na het opleggen van de dwangsom in de kort geding procedure. Het hof zal het verzoek van de vader in incidenteel appel dienaangaande toewijzen en de dwangsom bepalen op € 100,- per keer, met een maximum van € 5.000,-.

15.

Nu het primaire verzoek van de vader in incidenteel appel zal worden toegewezen, behoeft het subsidiair en meer subsidiair verzochte geen nadere bespreking meer.

16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt in het kader van verdeling van zorg- en opvoedingstaken de volgende zorgregeling vast:

  • -

    tot 1 januari 2015 zal de minderjarige bij de vader verblijven: eenmaal in de twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur;

  • -

    met ingang van 1 januari 2015 zal de minderjarige bij de vader verblijven: eenmaal in de twee weken vanaf zaterdag 9.00 uur tot zondag 16.00 uur;

bepaalt dat de minderjarige steeds door de vader bij de moeder zal worden opgehaald en teruggebracht;

bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt aan de vader van € 100,- voor iedere keer dat zij de bij deze beschikking vastgestelde zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,- ;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Kempen, van Nievelt en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Schapendonk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2014.