Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2353

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
200.129.534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzet; daad van bekendheid, strijd met art. 6 EVRM?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.129.534/01

Zaaknummer rechtbank : 141011 CV EXPL 12-58990

arrest van 22 juli 2014

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats] (gemeente […]),

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. P.L. van 't Veer te Wateringen,

tegen

Lindorff B.V.,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde, hierna te noemen: Lindorff,

advocaat: mr. G. Janssen te Den Haag

Het geding

Voor het verloop van de procedure tot het tussenarrest van 10 september 2013, verwijst het hof naar dat tussenarrest. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 10 september 2013 plaats gevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft Lindorff bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het door Lindorff overgelegde procesdossier ontbreken bovengenoemd tussenarrest en het proces-verbaal van comparitie van partijen, en is het bestreden vonnis deels onleesbaar. Bovendien is de memorie van grieven ten onrechte voorzien van handgeschreven commentaar. Het hof heeft dit commentaar buiten beschouwing gelaten.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

De door de in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

Bij brief van 24 oktober 2012 van haar deurwaarder, heeft Lindorff betaling gevorderd van [appellante] van een bedrag van € 6.248,47 ter uitvoering van een op 25 juni 1999 tussen partijen gewezen vonnis (verder: het verstekvonnis). Het verstekvonnis was als bijlage bij de brief gevoegd.

2.2

Bij bedoeld vonnis is [appellante] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van fl 7.977,62, vermeerderd met rente en kosten.

2.3

[appellante] heeft zich met voornoemde brief van 24 oktober 2012 tot het Juridisch Loket gewend. Het Juridisch Loket heeft haar op 31 oktober 2012 verwezen naar een advocaat om te beoordelen of het door [appellante] gewenste verzet zinvol of kansrijk is.

2.4

Op 19 november 2012 is [appellante] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

2.5

Bij het bestreden vonnis is [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet en veroordeeld in de kosten. De kantonrechter overwoog daartoe dat ingevolge artikel 81, lid 1 Rv, zoals dat luidde tot 1 januari 2002, verzet openstaat binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Van een dergelijke daad was volgens de kantonrechter op 31 oktober 2012 – toen [appellante] advies inwon bij het Juridisch Loket – sprake. De verzet termijn is daarom op 31 oktober 2012 gaan lopen en dus geëindigd op 13 november 2012. Het op 19 november 2012 ingestelde verzet, is daarom te laat gedaan. De kantonrechter was van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring op deze grond onder de gegeven omstandigheden geen strijd opleverde met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces.

3.1

De grieven van [appellante] zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verzet termijn is gaan lopen op 31 oktober 2012 en het verzet dus te laat is gedaan, alsmede tegen het oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 6 EVRM.

Daad van bekendheid?

3.2

[appellante] meent dat zij op 31 oktober 2012 volstrekt onvoldoende gegevens met betrekking tot het vonnis had om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. In feite tast [appellante] tot de dag van vandaag in het duister omtrent de vraag waar het vonnis over gaat. Noch Lindorff, noch haar deurwaarder hebben enig licht in die duisternis kunnen brengen. Door dit gebrek aan gegevens en het grote tijdverloop is [appellante] ten zeerste benadeeld in haar mogelijkheid om zich tijdig en adequaat tegen het verstrekvonnis te verzetten. De niet-ontvankelijkverklaring is daarom onterecht, aldus [appellante].

3.3

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verstekvonnis niet in persoon aan [appellante] is betekend. Dit betekent dat de verzet termijn van artikel 81, lid 1 (oud) Rv is gaan lopen op het moment dat sprake was van enige daad van [appellante] waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat zij bekend was met het vonnis (of de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan). Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat hiervan (in ieder geval) op 31 oktober 2012 sprake was. Op dat moment heeft [appellante] zich immers met de brief van 24 oktober 2012 tot het Juridisch Loket gewend, waarbij de vraag of verzet tegen het verstekvonnis mogelijk was aan de orde is geweest. Op dat moment was zij ook met de inhoud van het vonnis bekend: zij werd tot betaling veroordeeld van een bedrag dat (op 24 oktober 2012, inclusief rente) € 6.248,47 bedroeg. Dat [appellante] op dat moment niet wist, op welke grond zij tot die betaling was veroordeeld, omdat in het verstekvonnis hierover niets anders is vermeld dan "op de in de dagvaarding omschreven gronden" doet daaraan niet af. Die onbekendheid behoefde [appellante] immers niet te beletten tijdig verzet in stellen en het verweer te voeren dat zij Lindorff niet kent en niet op de hoogte is van enige grond voor een vordering. Dit betekent dat de vraag of [appellante] reeds eerder geacht moet worden bekend te zijn geworden met het verstekvonnis door de beslaglegging op haar uitkering, geen beantwoording behoeft.

Strijd met artikel 6 EVRM?

3.4

Daarmee is de vraag aan de orde of onverkorte toepassing van de termijn van artikel 81, lid 1 (oud) Rv onder de gegeven omstandigheden achterwege moet blijven, omdat toepassing van die termijn tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat dit niet het geval is. Het recht op toegang tot de rechter is immers niet absoluut, maar kan aan beperkingen zijn onderworpen. In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat de in artikel 81 (oud) Rv neergelegde regeling van het verzet een onvoldoende waarborg biedt ter voorkoming van gebondenheid van een gedaagde aan een hem niet bekend veroordelend vonnis. Onverkorte toepassing van die regeling leidt in het onderhavige ook niet tot een resultaat dat niet meer voldoet aan de eisen van een eerlijk proces. Door het ontbreken van de gronden in de uitspraak was de toegang tot de rechter immers niet in feite illusoir. Zoals hiervoor reeds overwogen stond het ontbreken van die gronden immers niet in de weg aan het tijdig instellen van verzet. Het recht op toegang tot de rechter was in casu ondanks de relatief korte termijn van artikel 81 (oud) Rv voldoende gewaarborgd.

3.5

Dit betekent dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling zal, zoals door Lindorff bij antwoord gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 29 maart 2013;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Lindorff tot op heden begroot op € 683,-- aan griffierecht en € 1.264,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, M. Flipse en A.J.P. Schild en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2014 in aanwezigheid van de griffier.