Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2233

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
22-000354-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling en mishandeling. In eerste aanleg was onder andere het medeplegen van een poging tot moord bewezen verklaard. Het hof overweegt dat er geen bewijs is voor voorbedachten rade. Ook een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer en het medeplegen worden niet bewezen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000354-14

Parketnummer: 09-827098-13

Datum uitspraak: 3 juli 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats in geboorteland] op [geboortedatum] 1986,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland – Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 juni 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair (medeplegen van poging tot moord) en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beslist als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- naar die [slachtoffer 1] op zoek is gegaan en/of

- een honkbalknuppel en/of een houten stok heeft meegenomen en/of

- met een honkbalknuppel en/of een houten stok (met kracht) op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- ( vervolgens) met die honkbalknuppel en/of een houten stok meermalen, althans eenmaal, tegen de nek en/of de arm(en) en/of de zijkant van het lichaam, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een bloeding in de hersenen), heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- naar die [slachtoffer 1] op zoek te gaan en/of

- een honkbalknuppel en/of een houten stok mee te nemen en/of

- met een honkbalknuppel en/of een houten stok (met kracht) op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of

- ( vervolgens) met die honkbalknuppel en/of een houten stok meermalen, althans eenmaal, tegen de nek en/of de arm(en) en/of de zijkant van het lichaam, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- naar die [slachtoffer 1] op zoek is gegaan en/of

- een honkbalknuppel en/of een houten stok heeft meegenomen en/of

- met een honkbalknuppel en/of een houten stok (met kracht) op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

– (vervolgens) met die honkbalknuppel en/of een houten stok meermalen, althans eenmaal, tegen de nek en/of de arm(en) en/of de zijkant van het lichaam, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken knokkel in de (rechter)hand), heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- die [slachtoffer 2] met een honkbalknuppel en/of een houten stok tegen diens hand te slaan en/of

- die [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, een vuistslag tegen het gezicht en/of hoofd te geven en/of

- zijn arm stevig om de keel van die [slachtoffer 2] te slaan (waardoor die [slachtoffer 2] werd belemmerd in zijn ademhaling);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- die [slachtoffer 2] met een honkbalknuppel en/of een houten stok tegen diens hand heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, een vuistslag tegen het gezicht en/of hoofd heeft gegeven en/of

- zijn arm stevig om de keel van die [slachtoffer 2] heeft geslagen (waardoor die [slachtoffer 2] werd belemmerd in zijn ademhaling), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te Delft, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 2], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- met een honkbalknuppel en/of een houten stok tegen diens hand heeft geslagen en/of

- ( met kracht) meermalen, althans eenmaal, een vuistslag tegen het gezicht en/of hoofd heeft gegeven en/of

- zijn arm stevig om de keel van die [slachtoffer 2] heeft geslagen (waardoor die [slachtoffer 2] werd belemmerd in zijn ademhaling), tengevolge waarvan [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Feiten 1 en 2: voorbedachten rade

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet komen vast te staan dat er ten aanzien van de ten laste gelegde feiten sprake was van voorbedachten rade, nu niet is gebleken van het voor voorbedachten rade noodzakelijke kalm beraad en rustig overleg.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn minderjarige broertje, de medeverdachte, op 8 oktober 2013 met de auto van school heeft opgehaald en dat zij naar de school van [slachtoffer 2] zijn gegaan, omdat zij naar hem op zoek waren in verband met een eerdere confrontatie tussen zijn broertje en [slachtoffer 2] en diens broer [slachtoffer 1] de dag daarvoor; ter plaatse troffen zij [slachtoffer 2] niet aan; zij zijn vervolgens met de auto vertrokken. Even later zag de medeverdachte [slachtoffer 2] op het Minervaplein staan; toen de verdachte zag dat [slachtoffer 2] in het gezelschap was van meerdere jongens waaronder -naar later bleek- de broer van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], heeft hij bij het uitstappen “in een reflex” een houten stok ter grootte van ongeveer 40 centimeter uit de auto meegenomen; hij stapte uit na zijn broertje, die al richting [slachtoffer 2] op het Minervaplein liep; daarop vond een korte woordenwisseling plaats en heeft hij in woede [slachtoffer 1] eenmaal met de stok geslagen waarbij het hoofd van [slachtoffer 1] is geraakt.

Tegenover deze verklaring staat de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] die -kort samengevat- heeft gesteld dat een man uit de auto stapte, op harde toon riep wie [slachtoffer 1] was, direct op hem afliep en hem vervolgens met een honkbalknuppel op het hoofd sloeg, toen hij hem had geantwoord dat hij [slachtoffer 1] was. Daarna is hij door deze man nog een aantal keer met de honkbalknuppel tegen het lichaam geslagen terwijl de man meerdere keren schreeuwde ‘je gaat dood’.

Uit deze verklaring van [slachtoffer 1], een en ander in samenhang bezien met het incident tussen het broertje van de verdachte en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat een dag eerder speelde, blijkt volgens de advocaat-generaal dat sprake is geweest van voorbedachten rade.

Het hof kan zich evenwel met dat standpunt niet verenigen omdat de gang van zaken zoals door de aangever [slachtoffer 1] is geschetst, genuanceerd wordt door de verklaringen van getuigen. Zo heeft getuige [getuige 1] (blz. 67) verklaard dat hij een groep jongens hoorde schreeuwen en vervolgens zag dat er met een houten voorwerp op een jongen werd ingeslagen. Getuige [getuige 2] (blz. 65) heeft verklaard over een woordenwisseling en het slaan van een jongen met een houten stok. Geen van deze getuigen heeft bevestigd dat de verdachte heeft geschreeuwd dat er iemand dood moest, maar wel dat sprake is geweest van een woordenwisseling. Uit deze verklaringen, noch uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij zegt het te hebben willen uitpraten met de broers [naam broers], iets wat niet geheel is uit te sluiten, noch uit overige bewijsmiddelen uit het dossier blijkt van een plan om een rekening te vereffenen met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en dat zij daarom naar hen op zoek zijn gegaan met het voornemen om hen (met een stuk hout) te slaan. Ook overigens is geen bewijs voorhanden voor kalm beraad en rustig overleg.

Derhalve acht het hof de tenlastegelegde voorbedachte rade niet bewezen.

Feiten 1 en 2: medeplegen

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat ten aanzien van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte op basis van de beschikbare informatie niet kan worden gesproken van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, nu niet in voldoende mate is gebleken van de vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Immers niet kan worden vastgesteld dat de medeverdachte (de jongere broer van verdachte) wist dat de verdachte een stuk hout met zich droeg en daarmee zou gaan slaan. Het hof beschouwt de handelingen van de verdachte als losstaand van de handelingen van de medeverdachte.

Feit 1: poging doodslag

Het hof acht bewezen dat de verdachte met kracht met een houten stok (een deel van een bezemsteel) heeft geslagen, nu de verklaringen dat het iets anders zou zijn geweest (te weten de tenlastegelegde honkbalknuppel) niet eenduidig zijn en het voorwerp niet is aangetroffen.

Dat de verdachte [slachtoffer 1] met de houten stok op het hoofd heeft geslagen, blijkt uit zowel de aangifte als de getuigenverklaringen en lijkt te worden bevestigd door de medische verklaring van 8 oktober 2013, waarin melding wordt gemaakt van een zeer kleine bloeding rechts frontaal.

Aan de zich in het dossier bevindende medische informatie kan echter niet zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt - de conclusie worden verbonden dat er een aanmerkelijke kans was op dodelijk letsel. Een dergelijke conclusie kan evenmin worden getrokken onder verwijzing naar het voorwerp waarmee is geslagen omdat nadere informatie omtrent dit voorwerp ontbreekt. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken van een poging tot doodslag.

Feiten 1 en 2: zware mishandeling

De verdachte dient ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten eveneens te worden vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel omdat uit de beschrijvingen van het letsel in het dossier en de medische verklaringen niet volgt dat het bij [slachtoffer 1] toegebrachte letsel van dien aard was en voor wat betreft het letsel van [slachtoffer 2] in de medische verklaring van 21 oktober 2013 niet wordt gerept over diens hand, doch slechts over de wond op het voorhoofd waarvan genezing te verwachten valt op een termijn van twee weken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 08 oktober 2013 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met een houten stok met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en

- ( vervolgens) met die houten stok meermalen, tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 08 oktober 2013 te Delf opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 2],

- met een houten stok tegen diens hand heeft geslagen, tengevolge waarvan [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging feit 1

Het hof acht de opzet op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen nu de verdachte, - zoals hiervoor is overwogen - met kracht met een houten stok op het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar lichaamsdeel is. Door aldus te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en een mishandeling van [slachtoffer 2], zijnde twee broers, waarvan één minderjarige jongen.

Op 7 oktober 2013 is de minderjarige broer van de verdachte na een conflict met de minderjarige [slachtoffer 2] door diens broer, [slachtoffer 1], hardhandig naar het politiebureau gebracht. De verdachte is de volgende dag samen met zijn broer op zoek gegaan naar [slachtoffer 2], volgens de verdachte om een en ander uit te praten. Wat daar ook van zij, in de plaats daarvan is een en ander uitgemond in een zeer gewelddadig treffen op de openbare weg waarvan meerdere mensen getuige zijn geweest. Het hof beschouwt de verdachte als aanstichter van de confrontatie tussen hem en [slachtoffer 1] en het vervolgens toegepaste geweld. Immers, hij is uit de auto gestapt en heeft er -om voor het hof onbegrijpelijke redenen- voor gekozen om uit die auto een houten stok mee te nemen. Met die stok heeft hij [slachtoffer 1] op het hoofd en meerdere malen tegen het lichaam geslagen. [slachtoffer 2] heeft hij met die stok op zijn hand geslagen. Hij heeft daarmee zeer kwalijk gehandeld en is niet in de laatste plaats een slecht voorbeeld geweest voor zijn jongere broer die ter plaatse aanwezig was en die bij arrest van heden eveneens aangaande de gebeurtenissen op 7 en 8 oktober 2013 wordt veroordeeld.

Blijkens de slachtofferverklaringen heeft het gebeurde een grote impact gehad op het leven van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Beide broers hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen en een vastgestelde posttraumatische stressstoornis een behandeling bij een psycholoog moeten volgen. Ter zitting is door de raadsvrouw van de benadeelde partij naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] ook op dit moment nog last heeft van lichamelijke klachten en psychische problemen naar aanleiding van de onderhavige feiten. Ook [slachtoffer 1] ervaart nog psychische en lichamelijke klachten. Zo kan hij licht slecht verdragen, hetgeen onder meer het naar school gaan bemoeilijkt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2014.

Het hof heeft tevens kennis genomen van het rapport van de reclassering van 15 januari 2014.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.118,09, met verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.618,09, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist. Aan het hof is verzocht de gevorderde schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te bezien.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 502,05 materiële schade is geleden. Deze schadeposten betreffen het eigen risico van de zorgverzekering (€ 350,00), de daggeldvergoeding ziekenhuisopname (€ 28,00), de eigen bijdrage psycholoog (€ 80,00), de stomerijkosten (€ 18,50) en de kosten van het gemiste theorie-examen

(€ 25,55). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof merkt daarbij op dat naar het oordeel van het hof ten aanzien van de kleding onvoldoende is komen vast te staan dat deze ten gevolge van het bewezen verklaarde onherstelbaar is beschadigd. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van een verlies aan arbeidsvermogen als is opgegeven door [slachtoffer 1].

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 3.002,05 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.833,65, met verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.183,55, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist. Aan het hof is verzocht de gevorderde schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te bezien.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 93,56 materiële schade is geleden. Dit betreft de contributies van basketbal (€ 61,66) en de sportschool (€ 31,90). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van schade aan de schoenen en de jas merkt het hof op dat van deze schade naar het oordeel van het hof niet vast is komen te staan dat er een rechtstreeks verband is met het bewezen verklaarde.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich

- naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 843,56 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Kosten

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.002,05 (drieduizend twee euro en vijf cent) bestaande uit € 502,05 (vijfhonderdtwee euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 3.002,05 (drieduizend twee euro en vijf cent) bestaande uit € 502,05 (vijfhonderdtwee euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 843,56 (achthonderddrieënveertig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 93,56 (drieënnegentig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 843,56 (achthonderddrieënveertig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 93,56 (drieënnegentig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. M. Simpelaar.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2014.