Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2201

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
BK-13/00307 t/m 13/00310
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Waren de Poolse arbeidskrachten werkzaam als zelfstandige ondernemers of in dienstbetrekking bij belanghebbende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1522
V-N 2014/42.11.7
FutD 2014-1769
mr.drs. G. Benning annotatie in NTFR 2014/2134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

nummers BK-13/00307 t/m 13/00310

meervoudige kamer

Uitspraak van 28 mei 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2013, nummers SGR 12/4007, SGR 12/4008, SGR 12/4009 en SGR 12/4011.

Naheffingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en beroep

1.1. Belanghebbende zijn over de tijdvakken 2006 tot en met 2009 met dagtekening 26 september 2011, naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen en bij beschikkingen verzuimboeten opgelegd. Voorts is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar van 4 april 2012 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 168 (4x € 42) is geheven.

1.4. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 november 2013 in Den Haag. de Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft ter zitting omstreeks 9.50 uur tevergeefs getracht de gemachtigde van belanghebbende, [A], telefonisch te bereiken op het in het hoger-beroepschrift vermelde telefoonnummer. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Na de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de griffier desgevraagd zowel telefonisch als bij brief van 26 november 2013 in kennis gesteld van het feit dat hij niet ter zitting van 20 november 2013 aanwezig kon zijn wegens een onverwachte ziekenhuisopname. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om hiervan een verklaring van het ziekenhuis of de behandelende arts te overleggen. Dit is niet gebeurd. Bij aangetekende brief van 11 december 2013 heeft de griffier de gemachtigde van belanghebbende op het vorenstaande gewezen en hem nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na 11 december 2013, deze verklaring of enig ander stuk waaruit blijkt dat hij wegens ziekte niet aanwezig kon op de zitting te overleggen, en hem voorts medegedeeld dat bij uitblijven van een reactie het Hof zal overgaan tot het doen van uitspraak in de onderhavige zaken.

2.5. Iedere reactie van de gemachtigde van belanghebbende is uitgebleven.

Feiten

3.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid.

”Feiten

1.

Op 28 oktober 2009 heeft verweerder bij eiser een bedrijfsbezoek afgelegd. In zijn brief aan eiser van 22 november 2009 heeft verweerder de tijdens het bezoek gemaakte afspraken als volgt weergegeven:

”U heeft toegezegd de volgende bescheiden aan mij te doen toekomen:

- Kopie van de registratie m.b.t. het gebruik van de bedrijfsauto's;

- Kopie van de volmacht van [eiser] inzake V.O.F. [B];

- Kopie van het v.o.f. contract (inclusief de aanvullingen) betreffende V.O.F. [B];

- Huuroverzichten en huurcontracten inzake de panden [a-straat 1] en [a-straat 1a] en [b-straat 1];

- Betalingsbewijzen van de naheffingen omzetbelasting (en/of suppleties) naar aanleiding van het controlerapport d.d. 14-05-2009 t.n.v. V.O.F. [B];

- Kopieën VAR verklaringen;

- Lijst van opdrachtgevers;

- Overzicht van de vennoten vanaf het haar 2006 betreffende V.O.F. [B];

Tevens hebben wij afgesproken dat u mij aangeeft binnen welke termijn ik de aangiften inkomstenbelasting 2006, 2007 en 2008 kan verwachten van [eiser] en van de vennoten van V.O.F. [B]. Zodra deze aangiften zijn ingediend zal er een boekenonderzoek plaats vinden inzake [eiser] en V.O.F. [B].”

2.

Per brieven van 4 maart 2010 heeft verweerder eiser aan de bij het bedrijfsbezoek gemaakt afspraken herinnerd. Per brief van 29 maart 2010 deelde verweerder eiser het volgende mee:

”Uit de gesprekken d.d. 28 oktober 2009 en 25 maart 2010 is mij gebleken dat u over de jaren 2006 t/m 2010 geen administratie heeft gevoerd. Op basis van de thans in mijn bezit zijnde gegevens en de door u verstrekte gegevens stel ik mij op het standpunt dat u inhoudingsplichtig bent voor diverse Poolse werknemers.

Tijdens het gesprek d.d. 28 oktober 2009 zijn de volgende bescheiden door mij ter inzage gevraagd:

- [de in de brief van 22 november 2009 genoemde bescheiden].

Tevens zou u mij aangeven binnen welke termijn de aangiften inkomstenbelasting 2006 t/m 2009 van zowel uzelf alsmede van de vennoten van V.O.F. [B] zou kunnen worden verwacht.

Tijdens het gesprek van 25 maart 2010 is duidelijk geworden dat bovenstaande gegevens nog steeds niet ter inzage aanwezig zijn en ook niet kan worden aangegeven wanneer bovengenoemde aangiften kunnen worden verwacht. Ook na telefonisch contact met uw administrateur [gemachtigde] is daarin geen duidelijkheid verschaft. Volgens [gemachtigde] dient de financiële administratie vanaf het jaar 2006 opnieuw worden opgezet. Echter ontbreken diverse facturen en bankafschriften.

Ten name van uzelf zal ik aanslagen inkomstenbelasting 2006 t/m 2010 opleggen.

Inzake de zelfstandigheid van de diverse Poolse werknemers stel ik mij op het standpunt dat er sprake is van een "fictieve" dienstbetrekking tussen [eiser] en deze Poolse werknemers.”

3.

Op 7 september 2011 heeft verweerder het rapport uitgebracht van een boekenonderzoek dat hij bij eiser heeft uitgevoerd. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

”3 Gegevens Kamer van Koophandel

3.1

[C]

Uit de inschrijving van de KvK op 8 juni 2010 blijkt onderstaande:

- de rechtsvorm is een vennootschap onder firma;

- opgericht op 10 oktober 2006;

- opgeheven op 1 januari 2009 door het uittreden van een of meer vennoten;

- gedurende de periode 10 oktober 2006 en 1 januari 2009 waren er afwisselend en in totaal 8 vennoten;

- [ eiser] is de volledig gevolmachtigde;

- het bedrijfsadres is [adres];

- de bedrijfsomschrijving is een klussenbedrijf;

- het aantal werkzame personen is 5;

- (…).

3.2

[B]

Uit de inschrijving van de KvK op 8 juni 2010 blijkt onderstaande:

- de rechtsvorm is een vennootschap onder firma;

- opgericht op 17 maart 2006;

- vanaf 17 maart 2006 tot 8 juni 2010 waren er afwisselend en in totaal 8 vennoten;

- [ eiser] is de volledig gevolmachtigde;

- Het bedrijfsadres is [adres];

- De bedrijfsomschrijving is een klussenbedrijf;

- Het aantal werkzame personen is 2;

- (...).

3.3 [

eiser]

Uit de inschrijving van de KvK op 8 juni 2009 blijkt onderstaande:

- de rechtsvorm is een eenmanszaak;

- datum vestiging op 1 september 2006;

- het bedrijfsadres is [adres];

- de bedrijfsomschrijving is een klussenbedrijf, im- en export, verhuur van transportmiddelen;

- het aantal werkzame personen is 1;

(...).

5.

Informatie uit gesprekken met [eiser]

Tijdens de gesprekken op 28 oktober 2009 en 25 maart 2010 is niet duidelijk geworden wie de boekhouder is/was en waar de administraties van [eiser], [B] en [C] zich bevonden. Zo heb ik in het bijzijn van [eiser] telefonisch gesproken met [gemachtigde]. Deze gaf aan de administratie nog niet compleet te hebben en niets te hebben ingeboekt vanaf 2006. (...). [Eiser] gaf aan dat zijn zoon vanaf 21 november 2009 de post zou meenemen en hij zou een aantal dozen meegenomen hebben om te ordenen. Wat er precies in deze dozen zit is niet duidelijk. [Eiser] had het over ”belangrijke papieren van de Polen”. Hierop heb ik [eiser] aangegeven dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn administratie en dat hij zich niet achter de boekhouder kan verschuilen.

(…).

Het is onduidelijk waar de administratie zich bevindt en waaruit de administratie bestaat.

Tijdens het gesprek verklaarde [eiser] onder andere onderstaande:

- hij wist niet of er een v.o.f. contract was opgemaakt;

- hij had geen administratie van [B] en [C] in zijn bezit;

- hij houdt geen urenregistratie of zoiets dergelijks bij. Iedere Pool zou zelf bijhouden hoeveel uren deze werkt;

- De [bank] rekening [...] staat op naam van [B]. Deze rekening zou door de [bank] zijn opgezegd tijdens een persoonlijk gesprek met [eiser];

- de Polen zouden geen tankpasjes kunnen krijgen, daarom staan de tankpasjes op naam van [eiser];

- de brandstofkosten worden door [eiser] doorbelast. Dit gebeurt één keer per jaar in één factuur;

- de Polen maken gebruik van zijn auto's. [Eiser] belast de kosten hiervoor door.

Alleen doorbelasting van verzekeringen, wegenbelasting, afschrijving en brandstofkosten. Geen winstopslag. De doorbelasting vindt plaats als één totaalbedrag. Er wordt niet per auto doorbelast aan de desbetreffende gebruiker hiervan;

- de Polen zouden zelf bijhouden wie met welke wagen rijdt en wanneer;

- er zijn huurcontracten van de woningen aangegaan met [B] en [C].

Op 25 maart 2010 sprak ik af dat [eiser] onderstaande aan mij zou toesturen:

- kopie volmacht van [B] en [C];

- kopie v.o.f. contract en eventuele aanvullingen;

- kopie VAR verklaringen;

- huuroverzichten;

- lijst van opdrachtgevers;

- overzicht van vennoten van [B] en [C] vanaf 2006;

- financiële administratie.

Ook deze keer heb ik geen enkele reactie of stukken ontvangen, zodat ik de aanslagen naar eigen inzicht zal vaststellen. In het vervolg van dit rapport is de onderbouwing hiervan te lezen.

(…)

6.1

Administratieplicht

(…).

Tijdens het onderzoek is de administratie niet overgelegd. Het is onduidelijk waar de administratie zich bevindt, of er een administratie wordt gevoerd, waaruit de administratie bestaat en of de administratie bewaard is gebleven. Hierdoor heeft [eiser] niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 AWR.

6.2

Informatieplicht

(...).

Ik heb [eiser] diverse keren om informatie verzocht. Hij heeft hieraan geen enkele keer gehoor gegeven. Hierdoor heeft [eiser] niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 AWR.

8

[bank] [Z]

[Eiser] heeft mij geen administratie overgelegd. Daarom ben ik bij de [bank] in [Z] langs geweest op 22 april 2010. Tijdens een gesprek met een medewerker van de [bank] is gebleken dat:

1) de contante opnames alleen door [eiser] zijn gedaan;

2) een speciale bepaling in de overeenkomst voor het [bank] ondernemerspakket is opgenomen. Hierin staat dat de rekening ([...]) alleen een credit-rekening is;

3) [eiser] getracht heeft om voor de Polen een eigen rekening te openen. Hierdoor is de [bank] erachter gekomen dat de KvK inschrijving op dat moment anders was dan ten tijde van het openen van de rekening (in- en uittredende vennoten). De [bank] heeft hierop aangegeven de rekening te willen opheffen. Hierdoor kan [eiser] enkel nog na goedkeuring van de [bank] geld opnemen, mits het saldo dit toelaat;

4) de zakelijke rekening van [C] ([...]) is opgeheven per 23 oktober 2009. Het saldo (zeer laag) is overgemaakt naar de zakelijke rekening van [B];

5) sinds enige tijd wordt de rekening van [B] gevoed door de rekening van [eiser]. Voorheen werd deze rekening gevoed door derden (opdrachtgevers).

6) rond eind 2009/begin 2010 blijkt dat het betalingsverkeer van [B] wordt omgeleid via de zakelijke rekening van [eiser] ([...]). Dit blijkt uit het gegeven dat derden (opdrachtgevers) op zijn rekening storten onder vermelding van [B].

Verder bleek uit de bankafschriften van rekeningnummer [...] dat er in totaal de volgende bedragen jaarlijks zijn ontvangen:

Jaar

Ontvangsten

2006

€ 59.939

2007

€ 218.033

2008

€ 309.006

2009

€ 422.530

9

Beschikbare informatie uit derden onderzoeken

Naast mijn bezoek aan de [bank] heb ik een aantal opdrachtgevers bezocht. Dit om inzicht te krijgen in de feitelijke gang van zaken rondom [eiser]. Uit deze bezoeken heb ik onderstaande informatie verkregen;

- [ eiser] regelt alles inzake de Polen;

- [ eiser] verzorgt de totstandkoming van de opdracht (prijsafspraak), begeleiding en facturatie van het werk;

- alle afspraken gaan mondeling, er staat niets op papier;

- de opdrachtgevers weten de naam van de Polen niet;

- de Polen spreken geen Nederlands, Duits of Engels. Hierdoor is er niet te communiceren met hen;

- [ eiser] rijdt soms de Polen zelf naar de opdrachtgever toe;

- de opdrachtgevers zijn in de veronderstelling dat zij zaken hebben gedaan met [eiser] en dat [B] zijn onderneming is;

- als de factuur niet juist is wordt er contact opgenomen met [eiser];

- als een Pool geen goed werk aflevert, dan wordt er contact opgenomen met [eiser];

- bij verfwerkzaamheden zorgt de opdrachtgever zelf voor het materiaal. De Polen verven alleen;

- de Polen worden ook ingezet om banden van de autovelgen af te draaien;

- de Polen worden ook ingezet om panden te renoveren;

- de Polen worden ook ingezet om panden te slopen.

10

Fiscale kwalificatie werkzaamheden

Een v.o.f. is (...) een (...) vorm van een maatschap. Een maatschap (...) ziet op samenwerking (...) op basis van een zekere gelijkwaardigheid. Met deze gelijkwaardigheid verdraagt zich niet dat tussen de verschillende personen een verhouding van ondergeschiktheid bestaat. Hierdoor onderscheidt de v.o.f. zich van een arbeidsovereenkomst.

Bij [B] en [C] is niet voldaan aan de voor samenwerking in verband van een v.o.f. vereiste basis van een zekere mate van gelijkwaardigheid. De Polen missen zelfstandigheid. Op basis van het voorgaande kwalificeren de Polen op fiscaal gebied niet als zelfstandige ondernemers.

Bovenstaande conclusie baseer ik op onderstaande feiten:

1) in 2008 zijn namens 19 Polen Verklaringen Arbeidsrelaties aangevraagd, die werden geweigerd omdat er geen sprake zou zijn van zelfstandig ondernemerschap van de Polen;

2) [eiser] is volledig gevolmachtigde van [B] en [C];

3) [eiser] heeft de zakelijke bankrekening van beide vennootschappen geopend en ontvangt alle bankafschriften en beschikt over alle pinpasjes en pincodes;

4) alle bankopnamen zijn door [eiser] verricht, geen enkele Pool heeft geld opgenomen;

5) [eiser] bepaalt wie waar en wanneer werkt;

6) opdrachtgevers kunnen bij [eiser] aangeven wanneer ze over iemand niet tevreden zijn;

7) [eiser] "regelt alles" met opdrachtgevers, zoals (prijs)afspraken;

8) [eiser] verzorgt facturatie aan opdrachtgevers;

9) indien er teveel gefactureerd wordt of bij andere problemen, nemen de opdrachtgevers contact op met [eiser];

10) de Polen beheersen de Nederlandse (dan wel Engelse of Duitse) taal in het geheel niet, dan wel te slecht, om bijvoorbeeld zelf een v.o.f. op te richten, een bankrekening te openen, opdrachten te acquireren dan wel afspraken te kunnen maken omtrent de uit te voeren werkzaamheden;

11) opdrachtgevers betalen [eiser] niet voor zijn bemiddeling;

12) de opdrachtgevers geven aan dat zij in de veronderstelling zijn dat [B] en [C] ondernemingen van [eiser] zijn. Ze kennen geen namen van Polen die de werkzaamheden verrichten;

13) er zijn geen v.o.f. contracten;

14) wisselende samenstelling van de "vennoten" met groot verloop zonder dat er afrekening (stakings- en openingsbalans) plaatsvindt;

(...)

15) er worden enkel "handjes" in rekening gebracht. De opdrachtgever zorgt voor het materiaal;

16) de Polen zijn zelf in de veronderstelling dat ze in dienst bij [eiser] zijn;

17) [eiser] betaalt de Polen contant per week uit. De Polen kunnen niet over de bankrekening van [B] beschikken;

18) naast de contante ontvangsten van [eiser], ontvangen de Polen geen (over)winst;

19) de huisvesting wordt verzorgd door [eiser].

20) de Polen verrichten geen investeringen;

21) er wordt geen materiaal ingekocht door de Polen; zij stellen enkel hun arbeid ter beschikking;

22) volgens de KvK zijn de Polen weliswaar volledig bevoegd, maar niet gebleken is dat de Polen op enig moment ook (allemaal) toestemming gaven en tekenden voor zaken als het sluiten van overeenkomsten, kasopnames en het in- en uittreden van vennoten;

23) de Polen slapen in panden van [eiser] en/of zijn moeder;

24) indien nodig worden de Polen door [eiser] van en naar de werkplek gereden;

25) volgens de eigen aanmelding van de eenmanszaak van [eiser] bij de Belastingdienst zou er sprake zijn van een arbeidsbemiddelingsbureau.

(…)

11

Inkomstenbelasting

(…)

[Eiser] heeft verklaard dat de Polen worden verhuurd voor € 15 tot € 17 per uur.

Ook heeft hij verklaard dat de opbrengst per Pool € 7 tot € 7,5 per uur is. De winst bedraagt dan € 8,75 per uur (€ 16 - € 7,25). In een percentage uitgedrukt is dit 54,69% ((8,75 : 16) x 100%).

In hoofdstuk 8 heb ik aangegeven hoe hoog de minimale ontvangsten van [eiser] zijn. Hierna geeft ik aan wat de ontvangsten zonder omzetbelasting zijn en wat de winst is. Het restant is de nettoloonbetaling.

Jaar

Ontvangsten incl btw

Ontvangsten excl btw

Winst

Nettoloon

2006

€ 59.939

€ 50.369

€ 27.547

€ 22.822

2007

€ 218.033

€ 183.221

€ 100.204

€ 83.017

2008

€ 309.006

€ 259.669

€ 142.013

€ 117.656

2009

€ 422.530

€ 355.067

€ 194.186

€ 160.881

totaal

€ 1.009.508

€ 848.326

€ 463.950

€ 384.376

(…)

13.1

Nettoloonbetalingen

(...)

Vervolgens heb ik deze nettoloonbetalingen in de loonheffing betrokken door toepassing van het gebruteerde anoniementarief.

(...)

14.3

Naheffing loonbelasting

Naar aanleiding van het boekenonderzoek wordt op basis van artikel 20 van de AWR een naheffingsaanslag loonheffingen (excl. boete en heffingsrente) opgelegd conform de volgende specificatie:

Naheffing

2006

2007

2008

2009

Totaal

loonheffing

€ 44.712

€ 148.864

€ 212.491

€ 267.186

€ 673.253

14.3.1

Verzuimboete loonheffingen

Naast het bedrag van de naheffingsaanslag leg ik een boete op van 10% met een maximum van E 4.920 per jaar, over het tijdvak 01-01-2006 t/m 30-04-2009. Dit is bepaald in artikel 67c AWR en paragraaf 24 van het BBBB. De grondslag van de boete is het belastingbedrag dat te weinig is voldaan.”

4.

Op basis van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder eiser de onderhavige naheffingsaanslagen en boeten opgelegd.”

De rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

10.

Ter zitting wilde [belanghebbende] een groot aantal stukken overleggen, waaronder de aangiften loonbelasting en (delen van) de administratie. Uit de overige stukken en hetgeen [belanghebbende] daarover ter zitting heeft verklaard komt naar voren dat dit stukken zijn waar [de Inspecteur] in de aanslag- en de bezwaarfase herhaaldelijk om heeft gevraagd, maar die [belanghebbende] nimmer aan [de Inspecteur] heeft overgelegd, terwijl hij al vanaf 2010 over deze stukken moet hebben beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is het eerst ter zitting overleggen van deze stukken daarom in strijd met een goede procesorde. De rechtbank heeft deze stukken daarom als tardief niet tot het geding toegelaten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [de Inspecteur] tijdens de zitting onvoldoende kennis kan nemen van deze stukken. De zitting is ook niet bedoeld om gezamenlijk aangifte, jaarstukken en andere tot de administratie van [belanghebbende] behorende stukken door te nemen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding, zoals [belanghebbende] in zijn pleitnota heeft verzocht, een hercontrole te gelasten.

11.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd op basis van de uitkomsten van het boekenonderzoek zoals vermeld in het controlerapport. De bevindingen van feitelijke aard, zoals die zijn weergegeven op pagina 9 en 10 van het controlerapport, zijn door [belanghebbende] niet of nauwelijks weersproken en laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de Poolse arbeidskrachten bij [belanghebbende] in dienstbetrekking werkzaam waren. Hetgeen [belanghebbende] daartegen heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen komen. De rechtbank heeft daarbij tevens overwogen dat in de gedingstukken geen vennootschapsakte aanwezig was en dat deze ook niet behoorde tot de stukken die [belanghebbende] ter zitting heeft willen overleggen.

12.

Bij het berekenen van de na te heffen loonheffing is [de Inspecteur] uitgegaan van nettolonen zoals die naar voren zijn gekomen uit verklaringen en bankafschriften van [belanghebbende] en van gegevens die [de Inspecteur] heeft verkregen bij derdenonderzoeken die hij het kader van het boekenonderzoek heeft uitgevoerd. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen en [belanghebbende] heeft de juistheid van de door [de Inspecteur] gemaakte berekeningen niet betwist. De stelling van [de Inspecteur] dat de na te heffen loonbelasting niet op de arbeidskrachten kan worden verhaald, heeft [belanghebbende] evenmin betwist. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur] de bedragen van de na te heffen loonheffing op de juiste wijze en naar de juiste tarieven heeft bepaald en de naheffingsaanslagen daarom niet te hoog zijn vastgesteld.

13.

Tegen de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de rentebeschikkingen zijn gegeven in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. De boeten zijn opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr) en paragraaf 24 van het BBBB 1998. Het zijn dus verzuimboeten voor het niet of niet tijdig betalen van aangiftebelastingen omdat er geen of te weinig belasting is aangegeven. Omdat vaststaat dat [belanghebbende] geen aangiften heeft ingediend heeft [de Inspecteur], gelet op het bepaalde in artikel 67c, eerste lid, van de Awr en gezien de hoogte van de naheffingsaanslagen, voor het jaar 2006 terecht een boete opgelegd van € 4.471 en voor elk van de daarop volgende jaren een boete van € 4.920. De rechtbank acht de boeten passend en geboden. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boeten wegens wanverhouding tussen de boeten en de beboetbare feiten, zijn gesteld noch gebleken.

14.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is, net als voor de rechtbank, tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslagen, de heffingsrenten en de verzuimboetes, terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Meer in het bijzonder is in geschil of de Poolse arbeidskrachten werkzaam zijn geweest als zelfstandige ondernemers dan wel bij belanghebbende in dienstbetrekking zijn geweest, welke vraag belanghebbende in eerstvermelde zin en de Inspecteur in laatstvermelde zin beantwoordt.

5.2. Belanghebbende neemt het standpunt in dat hij niet inhoudingsplichtig is en heeft daarvoor aangevoerd dat de vennootschap onder firma geen schijnconstructie is en dat daarvan wel degelijk een akte is opgesteld. De Polen zijn in het bezit van VAR-verklaringen en hen zijn aangiftebiljetten IB voor ondernemers uitgereikt. Maar omdat de Polen geen Nederlands spreken heeft belanghebbende hen in alles bijgestaan. Verder stelt belanghebbende dat in mei 2010 aan de Belastingdienst is meegedeeld dat de administratie was bijgewerkt en dat deze alsnog moest worden gecontroleerd. Omdat belanghebbende niet inhoudingsplichtig was kan geen loonbelasting worden nageheven en moeten daarom ook de boete- en rentebeschikkingen worden vernietigd. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen.

5.3. De Inspecteur neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslagen, alsmede de boete-en rentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en genomen. De Inspecteur baseert zich daarbij op de uitkomsten van het boekenonderzoek en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof komt in hoger beroep niet tot andere overwegingen en oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De voormelde overwegingen en oordelen, de vastgestelde feiten en de gegeven eindbeslissing maakt het Hof tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof nog het volgende.

6.2. Belanghebbende heeft niet voldaan aan zijn administratieplicht. Van een deugdelijke administratie kan geenszins worden gesproken. Met de door belanghebbende in beroep en hoger beroep overgelegde stukken heeft hij onvoldoende weersproken de gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat de Poolse arbeidskrachten bij belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam waren en belanghebbende ten aanzien van hen inhoudingsplichtig is. Voorts heeft belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat enkele van zijn Poolse arbeidskrachten, gegeven de vereisten die daarvoor gelden zoals zelfstandig deelnemen aan het economisch verkeer, streven naar naamsbekendheid, hebben van meerdere opdrachtgevers, en lopen van vermogens- en debiteurenrisico, voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 het ondernemerschap ten deel zouden moeten vallen.

6.3. Het vorenstaande leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 28 mei 2014 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.