Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2200

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
BK-12/00263
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV5970, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:14
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navordering. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een ambtelijk verzuim dat het opleggen van de navorderingsaanslag verhindert. Voorts is in geschil of belanghebbende in 2006 ter zake van de aandelen een voordeel uit dienstbetrekking en een voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten, en zo ja, welke waarde aan de (onderliggende) aandelen dient te worden toegekend ter bepaling van de omvang van die voordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1641
FutD 2014-1872
MR. H.J. NOORDENBOS annotatie in NTFR 2014/2133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-12/00263

Uitspraak d.d. 28 mei 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank

‘s-Gravenhage (thans rechtbank Den Haag) van 8 februari 2012, nr. AWB 10/2821, betreffende de hierna onder 1.1. vermelde navorderingsaanslag.

Aanslagen, beschikkingen heffingsrente, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 met dagtekening 20 december 2008 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (aanslagnummer [...]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 248.395 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.921 (de eerste navorderingsaanslag). Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 10.079 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2006 met dagtekening 11 juli 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (aanslagnummer [...]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 444.471 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 279 (de tweede navorderingsaanslag). Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 14.709 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 maart 2010 de onder 1.1 en 1.2 genoemde navorderingsaanslagen gehandhaafd.

1.4. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen en de heffingsrentebeschikkingen vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten, de Inspecteur veroordeeld de proceskosten tot een bedrag van € 437 aan belanghebbende te voldoen en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende in de zaak AWB 10/2821 betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoed.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. In datzelfde geschrift heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.2. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord en tevens in datzelfde geschrift een conclusie van repliek genomen. Daarin heeft de Inspecteur het hoger beroep tegen de tweede navorderingsaanslag (BK-12/00264) ingetrokken, zodat nog slechts de eerste navorderingsaanslag in geschil is.

2.3. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een nader stuk ingezonden. De griffier heeft een afschrift van dat stuk aan de Inspecteur doorgezonden.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“Algemeen

2.1. Eiser is directeur-grootaandeelhouder van [A] B.V. (hierna: eisers personal holding). Eisers personal holding was aandeelhouder in [B] B.V.

2.2. Op 23 december 2005 zijn eisers personal holding, [C] B.V., [D] B.V. en de Stichting [E] met [F] Inc (hierna: [F]) een “Sale and Purchase Agreement” (hierna: de SPA-overeenkomst) aangegaan. Bij die overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat eerstgenoemde vennootschappen hun aandelen in [B] B.V. verkopen aan [F] tegen een koopsom van € 600.000 in contanten en aandelen [F] ter waarde van € 1,5 miljoen (share payments). In de SPA-overeenkomst staat onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

3.3. [F] shall furthermore remunerate to the [B] Shareholders, conform Schedule B, the following “share payments”:

( a) 650.000 Euro (...) to be paid in newly issued shares in the capital of [F] with a nominal value of $ 0,01 against a value of USD 1,25 (...);

( b) 425.000 Euro (...) to be paid in newly issued shares in the capital of [F] with a nominal value of USD 0,01 against a value based on the low five-day (…) daily volume weighted average price (VWAP) of [F]’s common stock as reported by Bloomberg Financial using the AQR function upon twelve months after Completion, and;

( c) 425.000 Euro (...) to be paid in newly issued shares in the capital of [F] with a value based on the low five-day (…) daily volume weighted average price (VWAP) of [F]’s common stock as reported by Bloomberg Financial using the AQR function upon twenty four months after Completion.

(...)

3.6. The shares issued pursuant to this clause 3.3 (..) shall be restricted shares as defined by Rule 144 as promulgated under the Securities Exchange Act of 1933 as amended and shall be subject to the transfer restrictions imposed by rule 144.”

2.3. Eiser is op 1 januari 2006 in dienst getreden bij [F] als content alliance director. Op 16 januari 2007 is eiser uit dienst getreden.

Aandelen [F]

2.4. Tot de gedingstukken behoort een, door eiser en [F] getekende, employment agreement (hierna: de arbeidsovereenkomst), met dagtekening 1 maart 2006. In die overeenkomst staat onder meer – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…) a. The Employee will be employed by the Company as of Januari 1, 2006 for an indefinite term as Content Alliance Director;

(…)

e. The Parties desire to set forth in writing the terms and conditions of employment in this agreement (herinafter: this Agreement) effective January 1, 2006;”

7.1 Upon employment, the Employee, shall receive 250,000 (…) shares of the Company’s common stock pursuant to the terms and conditions set forth in the Stock Subscription Agreement by and between the Company and Employee, attached hereto as Exhibit 1. The stock will be granted on the day of signature of this Agreement (“Grant Date”). The price of the stock granted to the Employee shall be equal to the fair market value of the Company’s Common Stock on the Grant Date. Fair market value shall equal the last sales price for shares of the Company’s Common Stock on the Grant Date as reported by the OTC National Market. In case of a termination of employment by the Employee within the first twelve months of employment, 50,000 (…) shares of the above shares shall be returned to the Company. In that case, the shares shall be returned on the last day of this Agreement.

7.2 After January 1, 2007 the Employee shall receive 250,000 (two hundred fifty thousand) shares of the Company’s common stock pursuant to the terms and conditions set forth in the Stock Subscription Agreement to be agreed upon at the time of grant between the Company and Employee. The stock may be granted on the day set in this clause. The share price shall be based fair market value of a low five-day daily volume weighted average price (VWAP) of [F]’s common stock as reported by Bloomberg Financials using the AQR function, all subject to the results of the Key Performance Indicators agreed upon with the Board.”.

2.5. Tot de gedingstukken behoort voorts een voorbeeld van een tussen [F] en een werknemer van [F] gesloten Stock Subscription Agreement (hierna: SSA). In de SSA staat onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“ STOCK SUBSCRIPTION AGREEMENT

This Stock Subscription Agreement (the “Agreement”) is made as of December 1, 2006 by and between [F] (the “Company”) and

1) Subscription for Stock. Subject to the terms and conditions of this Agreement, on the date hereof the Company will issue to Subscriber, and Subscriber agrees to purchase from the Company, 500,000 shares of the Company’s Common Stock (the “Shares”) at US$ 0,01 per share. The term “Shares” refers to the Shares and all securities received in replacement of or in connection with the Shares pursuant to stock dividends or splits, all securities received in replacement of the Shares in a recapitalization, merger, reorganization, exchange or the like, and all new, substituted or additional securities or other properties to which Subscriber is entitled by reason of Subscriber’s ownership of the Shares.

2) Subscription. The Subscription of the Shares under this Agreement shall occur at the principal office of the Company simultaneously with the execution of this Agreement by the parties or on such other date as the Company and Subscriber shall agree (the “Subscription Date”). On the Subscription Date, the Company will deliver to Subscriber a certificate representing the Shares Subscribed for by Subscriber (which shall be issued in Subscriber’s name) in exchange for the Consideration.

(…)

4) Investment and Taxation Representations. In connection with the subscription of the Shares,

Subscriber represents to the Company the following:

(…)

( c) Subscriber understands that the Shares are “restricted securities” under applicable U.S. federal and state securities laws and that, pursuant to these laws, Subscriber must hold the Shares indefinitely unless they are registered with the Securities and Exchange Commission and qualified by state authorities, or an exemption from such registration and qualification requirements is available. Subscriber acknowledges that the Company has no obligation to register or qualify the Shares for resale. Subscriber further acknowledges that if an exemption from registration or qualification is available, it may be conditioned on various requirements including, but not limited to, the time and

manner of sale, the holding period for the Shares, and requirements relating to the Company which are outside of the Subscriber’s control, and which the Company is under no obligation and may not be able to satisfy.

( d) Subscriber understands that Subscriber may suffer adverse tax consequences as a result of Subscriber’s subscription for or disposition of the Shares.

(…)

The parties have executed this Agreement as of the date first set forth above.”

2.6. In Rule 144 van de Securities and Exchange Commission (hierna: SEC) is aangegeven onder welke voorwaarden aandelen met een restrictie, zoals bedoeld in artikel 4 (c) van de SSA’s, kunnen worden doorverkocht. De voorwaarden, die gelden voor aandelen die toebehoren aan een zogenoemde “affiliate of the issuer” luiden, kort weergegeven, als volgt:

- de aandelen mogen, nadat deze volledig zijn betaald, gedurende minimaal één jaar niet worden verkocht. De wachtperiode begint te lopen vanaf het moment dat de volledige koopprijs van de aandelen is voldaan;

- het aantal aandelen dat per kwartaal kan worden verkocht, mag niet groter zijn dan 1% van het totaal van de uitstaande aandelen van dezelfde soort of, indien dit tot een hoger bedrag leidt, het gemiddelde wekelijkse omzetbedrag van deze aandelen op de aandelenbeurs gedurende de aan de verkoop voorafgaande maand (de zogenoemde volumebeperking);

- indien het aantal aandelen dat per kwartaal is verkocht het aantal van 500 of de totale verkoopprijs het bedrag van $ 10.000 overschrijdt, moet een kennisgeving van deze verkopen bij de SEC worden gedeponeerd;

- de aandelen mogen slechts worden verkocht door tussenkomst van een “broker” of direct aan een “market maker”;

- de uitgevende instelling moet voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen.

Deze voorwaarden, met uitzondering van de volumebeperking, gelden niet meer na afloop van een wachtperiode van twee jaar, welke periode begint te lopen op het moment dat de aandelen zijn betaald.

2.7. Eiser is op grond van zijn functie bij [F] aangemerkt als “affiliate of the issuer”.

2.8. Tot de gedingstukken behoort tevens een certificaat met het nummer [...]. Voormeld certificaat is op naam van eiser gesteld en is namens [F] en de “Transfer Agent and Registrar Authorized Officer” ondertekend. Het certificaat is gedagtekend op 20 december 2006. In het certificaat staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

This Certifies That -[eiser]-

Is The Owner Of ***TWO HUNDRED FIFTY THOUSAND ***

FULLY PAID AND NON-ASSESSABLE COMMON SHARES, NO PAR VALUE

[F]

transferable only on the books of the Corporation by the holder hereof in person or by attorney upon

surrender of this Certificate properly endorsed. This Certificate and the shares represented hereby are

subject to all the provisions of the Articles of Incorporation, to all of which the holder by acceptance

hereby assents. This Certificate is not valid until countersigned by the Transfer Agent and Registrar.”.

2.9. De aandelen in [F] waren in 2006 verhandelbaar op de Pink Sheets-beurs te New York. De beurskoers van het aandeel bedroeg op 1 maart 2006 $ 2 en op 31 december 2006 $ 0,51. De wisselkoers US-dollar – euro bedroeg op respectievelijk 1 maart 2006 1,1923 en op 31 december 2006 1,3199.

2.10. Tot de gedingstukken behoort een brief van 30 december 2006 van [F] aan eiser. Eiser heeft deze brief niet voor akkoord getekend. In die brief staat onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“As discussed in our meeting shortly before Christmas, we agreed the following:

The company has decided, as a show of goodwill, to grant you the first portion of 250.000 shares (as per your labour agreement), at $0,01 per share (nominal value). This, despite of the market share price on January 15, 2006. This decision was also conditioned upon reaching a full agreement for settlement, acceptable to us.

The value of the shares will be taxed as a salary component, and will be fully to your account since this gross compensation is considered part of your wages. The second portion of 250.000 shares (also as per the labour contract) will not be issued since the targets and KPI’s required were by no means met.”.

Vaststellingsovereenkomst

2.11. Op 14 februari 2008 zijn [F] en eisers personal holding, [C] B.V., Stichting [E] en [D] B.V. een vaststellings­overeenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) overeengekomen. In de vaststellings­overeenkomst staat onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

a. Partijen zijn op of omstreeks 27 december 2005 een Share Purchase Agreement (hierna”SPA”) aangegaan ter overdracht van de aandelen in [B] B.V. per 16 januari 2006.

b. De voormalige aandeelhouders [B] hebben op 16 januari 2006 alle aandelen in [B] B.V. overgedragen aan [F]. De betaling van [F] voor de aandelen in [B] B.V. zou bestaan uit aandelen in het aandelenkapitaal van [F] en een bedrag in contanten, te betalen in drie tranches.

c. [F] heeft de betaling van de laatste tranche van € 200.000 en de levering van de aandelen in het

aandelenkapitaal van [F], niet voldaan. [F] claimt een zodanige vordering (van meer dan 200,000,- Euro) op de voormalige aandeelhouders [B] te hebben dat na compensatie per saldo van geen verplichting van [F] aan voormalige aandeelhouders [B] sprake zou zijn en dat zij daarom haar betalingen zou hebben opgeschort.

(…)

g. Naar aanleiding van juridische stappen die door partijen werden genomen, en teneinde voor eens en voor altijd het geschil te beëindigen is op 14 februari 2008 een minnelijke regeling bereikt hetgeen partijen vastleggen in deze overeenkomst.

(…)

Artikel 2 – Betalingen in aandelen door [F]

2.1 Uiterlijk op 1 april 2008 levert [F] aan de voormalige aandeelhouders van [B], 1.200.000 (...) aandelen in het aandelenkapitaal van [F]. De verkrijgingsdatum van deze aandelen wordt gesteld op 14 februari 2008.

2.2 Daarnaast levert [F] aan [eiser] (in privé) uiterlijk op 1 april 2008 in totaal 500.000 aandelen in het aandelenkapitaal van [F], te weten het certificaat van 250.000 aandelen zoals uitgegeven op het moment van indiensttreding en 250.000 nieuw uit te geven aandelen. De verkrijgingsdatum van de nieuw uit te geven aandelen wordt gesteld op 14 februari 2008.

2.3 [F] verleent volledige medewerking aan de voormalige aandeelhouders van [B] om de aandelen die de voormalige aandeelhouders van [B] reeds in het bezit hebben en waarvan de lock-up periode is verstreken, vrij verhandelbaar te maken. [F] zal daartoe o.a. zo spoedig mogelijk (doch uiterlijk per 1 april 2008) haar gegevens op de pink sheet up to date maken.

(…)

4.3 Partijen verklaren na uitvoering van het bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben uit hoofde van de SPA en verlenen elkaar finale kwijting.(…)”.

Navorderingsaanslagen

2.12. Aan eiser is met dagtekening 6 mei 2008 een definitieve aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.115 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

2.13. Op 21 februari 2008 heeft er op initiatief van [F] een gesprek met de heer [G], die door verweerder is belast met de behandeling van de loonheffings­aangelegenheden van [F], plaatsgevonden over de kwalificatie van de aan de werknemers van [F] verstrekte aandelen. Daarbij heeft [F] aan [G] een overzicht verstrekt van de aan haar werknemers verstrekte aandelen. In dat overzicht staat vermeld dat eiser op 1 december 2006 500.000 aandelen [F] tegen een prijs van $ 0,01 per aandeel heeft verkregen.

2.14. [G] heeft, na diverse correspondentie en gesprekken, bij brief van 16 september 2008 aan [F] meegedeeld dat haar werknemers op het moment van verstrekking van de aandelen door [F] een voordeel hebben genoten en dat dit voordeel in de inkomstenbelasting zal worden betrokken.

2.15. Naar aanleiding van de door [G] aan de met de behandeling van de inkomstenbelasting­aangelegenheden van eiser belaste ambtenaar verstrekte informatie over de toekenning van 500.000 aandelen [F] aan eiser, heeft deze ambtenaar (hierna: de aanslagregelaar) eiser bij brief van 20 oktober 2008 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om in verband met de aan hem verstrekte aandelen [F] een navorderingsaanslag over het jaar 2006 op te leggen.

2.16. Bij brief van 12 november 2008, gericht aan de aanslagregelaar en [G], deelt eiser mede dat hij niet eerder dan in juli 2008 aandelen [F] heeft ontvangen en dat hij geen 500.000, maar 250.000 aandelen heeft ontvangen.

2.17. De aanslagregelaar heeft met dagtekening 20 december 2008 de eerste navorderings­aanslag opgelegd. De aanslagregelaar heeft daarbij de volgende correcties aangebracht:

Box 1:

definitieve aanslag box 1 € 90.115

bij: correctie voordeel uit aandelen [F] 1 december 2006:

500.000 aandelen x ($ 0,51 (beurskoers) - -/ $ 0,01 (verkrijgingsprijs)) $ 250.000

af: 15% afwaardering (6 jaar lock-up x 2,5%):

500.000 aandelen x $ 0,51 (beurskoers) x 15% $ 38.250

$ 211.750

loonvoordeel in euro’s ($ 211.750 : 1,3336) € 158.780

af: vaste aftrek om doelmatigheidsredenen € 500

€ 158.280

Totaal € 248.395

Box 3:

definitieve aanslag box 3 € 0

bij: correctie aandelen [F] op 31 december 2006:

500.000 aandelen x $ 0,51 (beurskoers op 31 december 2006) $ 255.000

af: 15% afwaardering (6 jaar lock-up x 2,5%):

500.000 aandelen x $ 0,51 (beurskoers) x 15% $ 38.250

$ 216.750

gemiddelde rendementsgrondslag aandelen [F] (($ 216.750 : 1,3199) : 2) € 82.108

af: gemiddelde rendementsgrondslag aanslag ((- € 19.798 + € 15) : 2) - / - € 4.479) € 14.371

af: heffingsvrij vermogen € 19.698

€ 48.039

voordeel uit sparen en beleggen (4% x € 48.039) € 1.921

totaal € 1.921.

2.18. Bij brief van 20 januari 2009 heeft [F] aan [G] de arbeidsovereenkomst van eiser verstrekt. In die brief staat voorts – voor zover hier van belang – nog het volgende vermeld:

“Aan (…) heeft u gevraagd om informatie te verstrekken inzake de uitgifte van aandelen in het kapitaal van de vennootschap.

Bijgaand treft u totaaloverzichten aan van alle ,, certificates“ die door de vennootschap zijn uitgegeven. De kolommen ,, gereserveerd“ geven de posities aan waarbij de ,,certificates“ nog niet zijn volgestort.

(…)

Share certificates analysis (…)

datum gereserveerd volgestort prijs commentaar

(…)

Na verrekening [B] B.V.

(…)

[Eisers personal holding] 1/8/2006 408,194 $1.25

(…)

[Eisers personal holding] 16/1/2006 214,861 $ 1.25

(…)

Overige transacties

(…)

[eiser] 1/3/2006 250,000 $ 0.50”.

2.19. Tot de gedingstukken behoort een verslag van de op 11 februari 2009 gehouden bespreking tussen [G], [H], directeur-grootaandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C]) en diens schoonvader. In dat verslag is onder meer – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

- [C] en [eiser] kregen als sign up (voor het in dienst treden) 250.000 aandelen. Afgesproken was dat zij voor deze aandelen niets hoefden te betalen. (…)

- [C] en [eiser] hebben geen stock subscription agreement (zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst) getekend.

- In december 2006 heeft [C] aan [F] gevraagd (mondeling) wanneer hij en [eiser] de aandelen krijgen, die hen op het moment van indiensttreding waren toegekend.

- [C] krijgt in januari 2007 van [F] te horen dat de aandelen voor hem en [eiser] klaarliggen. (…)

- [ Eiser] deelt [F] in augustus 2006 mede dat hij eind januari 2007 weg wil. Hij wilde een jaar volmaken omdat hij dan nog eens 250.000 aandelen kreeg. [X] heeft zijn (eerste 250.000) aandelen niet in januari 2007 ontvangen; dit omdat hij toch weg ging.”.

2.20. In maart 2009 heeft [G] de aanslagregelaar op de hoogte gesteld dat aan eiser op 1 maart 2006 in totaal 250.000 aandelen [F] zijn verstrekt.

2.21. Bij brief van 28 mei 2009 heeft de aanslagregelaar aan eiser een tweede navorderings­aanslag over het jaar 2006 aangekondigd. Met dagtekening 11 juli 2009 heeft de aanslagregelaar de tweede navorderingsaanslag opgelegd. De aanslagregelaar heeft daarbij de volgende correcties aangebracht:

Box 1:

definitieve aanslag box 1 € 90.115

bij: correctie voordeel uit aandelen [F] 1 maart 2006:

250.000 aandelen x ($ 2 (beurskoers) - -/ $ 0,01 (verkrijgingsprijs)) $ 497.500

af: 15% afwaardering (6 jaar lock-up x 2,5%):

250.000 aandelen x $ 2 (beurskoers) x 15% $ 75.000

$ 422.500

loonvoordeel in euro’s ($ 422.500 : 1,1923) € 354.356

totaal € 444.471

Box 3:

definitieve aanslag box 3 € 0

bij: correctie aandelen [F] op 31 december 2006:

250.000 aandelen x $ 0,51 (beurskoers op 31 december 2006) $ 127.500

af: 15% afwaardering (6 jaar lock-up x 2,5%):

250.000 aandelen x $ 0,51 (beurskoers) x 15% $ 19.125

$ 108.375

gemiddelde rendementsgrondslag aandelen [F] (($ 108.375 : 1,3199) : 2) € 41.054

af: gemiddelde rendementsgrondslag aanslag ((- € 19.798 + € 15) : 2) - / - € 4.479) € 14.371

af: heffingsvrij vermogen € 19.698 € 6.985

voordeel uit sparen en beleggen (4% x € 6.985) € 279

totaal € 279.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een ambtelijk verzuim dat het opleggen van de navorderingsaanslag verhindert. Voorts is in geschil of belanghebbende in 2006 ter zake van de aandelen [F] een voordeel uit dienstbetrekking en een voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten, en zo ja, welke waarde aan de (onderliggende) aandelen [F] dient te worden toegekend ter bepaling van de omvang van die voordelen.

4.2. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken en hetgeen partijen tijdens mondelinge behandeling daaraan hebben toegevoegd.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de (eerste) navorderingsaanslag en ongegrondverklaring van het daar op betrekking hebbende beroep. Voorts concludeert hij tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

5.2. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover thans nog van belang, het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“Voordeel uit dienstbetrekking?

4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser op 1 maart 2006 een onvoorwaardelijk recht op levering van 250.000 aandelen [F] heeft verkregen. Daarbij heeft verweerder zich, naar hij ter zitting heeft verklaard, gebaseerd op tussen [F] en eiser bestaande mondelinge afspraken, welke worden bevestigd door de bij het nadere stuk van eiser gevoegde notitie van 19 oktober 2011, waarin staat dat aan eiser de belofte was gedaan dat hij 250.000 aandelen [F] tegen betaling van $ 0,01 kon krijgen, alsmede op de verklaring van [C] dat eiser bij indiensttreding 250.000 aandelen [F] om niet zou verkrijgen. Daarnaast leidt verweerder uit het onder 2.8 genoemde certificaat af dat eiser in 2006 een SSA met [F] heeft gesloten, zoals ook in de arbeidsovereenkomst staat vermeld. Eiser heeft dan ook op 1 maart 2006, gelet op de destijds geldende beurskoers van het aandeel [F], rekening houdende met een afwaardering van 15% (2,5% per “geblokkeerd” jaar), de verkrijgingsprijs van $ 0,01 en een vaste aftrek om doelmatigheidsredenen van € 500, een te belasten voordeel in de vorm van loon in natura van € 353.856 genoten, aldus verweerder.

4.2. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat hij in 2006 geen loon in natura heeft genoten, aangezien hij in dat jaar geen (onvoorwaardelijk recht op levering van) aandelen [F] heeft verkregen. Nadat hij in september 2006 aan [F] had aangegeven zijn dienstverband per 15 januari 2007 te willen beëindigen, is de moeizame verstandhouding tussen eiser en [F] verder verslechterd. Dit heeft voortgeduurd totdat de vaststellingsovereenkomst op 14 februari 2008 werd gesloten. Naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst zou [F] uiterlijk op 1 april 2008 500.000 aandelen [F] aan hem leveren. Pas op 20 juni 2008 heeft hij het onder 2.8 genoemde certificaat van 250.000 aandelen [F] ontvangen. In 2009 is dit certificaat omgezet in verhandelbare aandelen [F]. De levering van de toegezegde tweede tranche van 250.000 aandelen heeft nog steeds niet plaatsgevonden. Bovendien staat in artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst dat betaling tegen de marktprijs dient plaats te vinden, zodat ook in zoverre geen sprake kan zijn van een voordeel.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2006 een voordeel uit aandelen [F] heeft genoten. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

4.4. Verweerder heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door eiser, niet aannemelijk gemaakt dat er een SSA tussen [F] en eiser is gesloten. Een kopie van een door [F] en eiser ondertekende SSA ontbreekt immers. Ook de verklaring van [C] wijst op het ontbreken van een SSA tussen [F] en eiser. De verwijzing in de arbeidsovereenkomst naar een SSA acht de rechtbank onvoldoende bewijs voor het bestaan van de door verweerder gestelde SSA. Daarbij komt dat de arbeidsovereenkomst melding maakt van een op te maken SSA op grond waarvan eiser 250.000 aandelen [F] kan verwerven tegen betaling van de marktprijs, zodat ook op die grond geen sprake zou zijn van een te belasten voordeel in de vorm van loon in natura. Daarnaast kan het onder 2.8 genoemde certificaat niet als bewijs dienen voor de stelling van verweerder dat er een SSA tussen [F] en eiser is gesloten. Voormeld certificaat kan namelijk niet als een waardepapier worden aangemerkt, aangezien het niet verhandelbaar is.

4.5. Daarnaast heeft verweerder evenmin aannemelijk gemaakt dat de tussen [F] en eiser bestaande mondelinge afspraken, als ook hetgeen in artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld, daadwerkelijk in 2006 zijn geëffectueerd. Uit de verklaring van [C] valt op te maken dat eiser in 2006 geen aandelen [F] heeft ontvangen. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser omtrent zijn uitdiensttreding bij [F] heeft aangevoerd, leidt de rechtbank af dat de brief van [F] van 30 december 2006 inzake de toekenning aan eiser van 250.000 aandelen [F] tegen een prijs van $ 0,01, betrekking heeft op onderhandelingen tussen [F] en eiser over diens uitdiensttreding en dat eiser dit, nu die brief niet door eiser voor akkoord is getekend, destijds niet heeft geaccepteerd. Daar in de vaststellingsovereenkomst van 14 februari 2008 betreffende de afwikkeling van de SPA-overeenkomst tevens is bepaald dat [F] uiterlijk op 1 april 2008 in totaal 500.000 aandelen aan eiser zou leveren, welk aantal overeenkomt met het aantal dat is opgenomen in artikel 7.1 en artikel 7.2 van de arbeidsovereenkomst, houdt de rechtbank het er voor dat met de vaststellingsovereenkomst ook de tussen [F] en eiser bestaande geschillen omtrent de aandelen [F] zijn beslecht en dat eiser in 2006 ten tijde van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst geen onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen [F] tegen een verkrijgingsprijs van USD 0,01 per aandeel heeft verkregen.

4.6. Gelet op het vorenoverwoge heeft verweerder ten onrechte een voordeel uit dienstbetrekking in aanmerking genomen. Aan de waardering van de aandelen [F], als ook de vraag of met betrekking tot de tweede navorderingsaanslag sprake is van een nieuw feit, komt de rechtbank niet meer toe.

Voordeel uit sparen en beleggen?

4.7. Nu, naar hiervoor is overwogen, eiser in 2006 geen onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen [F] heeft verkregen, heeft eiser evenmin in 2006 een vermogensrecht als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet IB 2001 verkregen. Aldus heeft verweerder ten onrechte een voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.

Slotsom

4.8. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond. De navorderingsaanslagen, als ook de heffingsrentebeschikkingen, dienen te worden vernietigd.”

Beoordeling van het hoger beroep

Nieuw feit

7.1.1. Belanghebbende heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat een nieuw feit dat navordering mogelijk maakt – vergelijk artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen – ontbreekt. De Inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

7.1.2. Uitgangspunt bij het vaststellen van een aanslag is dat de Inspecteur mag afgaan op de door een belastingplichtige ingediende aangifte indien deze een verzorgde indruk maakt en de Inspecteur niet over gegevens beschikt welke hem binnen redelijke grenzen in de uitoefening van zijn ambt dwingen een nader onderzoek in te stellen. In het onderhavige geval is dat niet anders.

7.1.3. Het Hof is van oordeel dat de ontvangst van informatie van de voor de heffing van loonbelasting bevoegde ambtgenoot voor de Inspecteur nieuwe informatie bevatte die hem tot het opleggen van de navorderingsaanslag heeft gebracht.

Dat de Belastingdienst over informatie beschikte is niet van belang. Van belang is dat de Inspecteur daar over beschikte ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag. Dat dit het geval is geweest heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft tussen beide functionarissen ten tijde van de definitieve aanslag geen overleg plaatsgevonden, noch is sprake geweest van enige vorm van gecoördineerde samenwerking. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat de Inspecteur een navordering verhinderend ambtelijk verzuim heeft begaan.

Tot het loon te rekenen voordeel

7.2. Naar het oordeel van het Hof volgt uit artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [F] dat aan belanghebbende bij het ondertekenen daarvan op 1 maart 2006 een onvoorwaardelijk recht is toegekend op levering van 250.000 aandelen [F]. Dat dit recht bestond, blijkt ook uit diverse verklaringen die in de stukken van het geding voorkomen en uit het certificaat dat uiteindelijk met dagtekening 20 december 2006 aan belanghebbende is verstrekt en waarin is verklaard dat belanghebbende de eigenaar is van 250.000 “fully paid and non assessable common shares, no par value”, hetgeen naar Nederlandse begrippen inhoudt dat de aandelen volledig zijn volgestort.

In tegenstelling tot de letterlijke inhoud van de arbeidsovereenkomst acht het Hof, op grond van de inhoud van de overige stukken van het geding - waaronder de verklaring van [C] c.s. zoals geciteerd in 2.19 van de uitspraak van de rechtbank -, aannemelijk dat belanghebbende ter zake van de verkrijging van die aandelen geen enkel bedrag verschuldigd was. Belanghebbende heeft gesteld dat een recht op levering van aandelen niet tot stand kan zijn gekomen omdat de zogenoemde SSA waarnaar in de arbeidsovereenkomst wordt verwezen, niet is opgemaakt. De Inspecteur heeft dit weersproken. In de eerste plaats stelt de Inspecteur dat het bij de stukken van het geding ontbreken van een SSA niet noodzakelijkerwijs betekent dat een dergelijk stuk niet is opgemaakt. De Inspecteur stelt in de tweede plaats dat een SSA op zichzelf niet nodig is omdat belanghebbende zijn recht op de aandelen rechtstreeks ontleent aan de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van het Hof doet de gestelde omstandigheid dat de voorwaarden met betrekking tot de verhandelbaarheid (nog) niet zijn vastgesteld, niet af aan de toekenning van het onvoorwaardelijk recht op levering van de aandelen in de arbeidsovereenkomst. In het licht van de gedingstukken, met name daar waar het gaat over de toekenning van rechten op aandelen door [F], acht het Hof aannemelijk dat ook aan de verhandelbaarheid van de 250.000 aandelen, voorwaarden zijn, of zouden worden, verbonden. Uit door partijen overgelegde uitspraken in soortgelijke procedures die andere werknemers van [F] betreffen, blijkt ook van gelijkluidende voorwaarden. Het ontbreken van zekerheid omtrent de aan de verhandelbaarheid van de aandelen te stellen voorwaarden is een factor waarmee bij de vaststelling van de waarde van het recht op de aandelen rekening moet worden gehouden.

Waardering

7.3. Het onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen vloeit voort uit de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [F]. Dit wordt niet anders doordat die dienstbetrekking onlosmakelijk is verbonden met de overdracht van de aandelen in [B] B.V.. De waarde van dit recht op aandelen behoort tot het loon van belanghebbende zoals bedoeld in artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB). De waarde van het recht op de aandelen dient te worden bepaald naar het tijdstip van toekenning van de (rechten op de) aandelen zijnde uiterlijk 20 december 2006. Nu het recht is ontstaan bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2006 en het certificaat met betrekking tot de 250.000 aandelen is gedagtekend 20 december 2006, is het loon dat bestaat uit het recht op de aandelen genoten in 2006. Dat het certificaat pas begin 2007 daadwerkelijk aan belanghebbende is uitgereikt doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat het certificaat niet is omgezet in verhandelbare aandeelbewijzen.

7.4.1. Belanghebbende heeft het onvoorwaardelijke recht op de 250.000 aandelen genoten bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2006. Feiten en omstandigheden die zich na die datum hebben voorgedaan kunnen evenwel licht werpen op de vraag welke waarde aan dat recht moet worden toegekend. Het Hof neemt, bij de beoordeling van de waarde van het recht, het volgende in aanmerking:

- belanghebbende krijgt niet rechtstreeks de beschikking over de aandelen maar slechts een certificaat dat door [F] wordt uitgegeven. Gesteld noch gebleken is dat dat certificaat als zodanig verhandelbaar is (geweest);

- de inwisseling van het certificaat tegen aandelen is aan voorwaarden verbonden. Inwisseling is niet mogelijk zonder dat [F] daaraan haar medewerking verleent. De stukken van het geding tonen aan dat [F] bepaald niet stipt haar verplichtingen uit de gesloten overeenkomsten nakwam, als zij ze al nakwam;

- als de certificaten al omgezet zouden worden in aandelen, zouden die aandelen door de lock-up pas op termijn en mogelijk (door de volumebepaling) beperkt verhandelbaar zijn;

- bij de verkoop van de aandelen in [B] B.V. op 23 december 2005 is de koopsom voor een deel bepaald in de vorm van aandelen [F] tegen een koers van $ 1,25. De koers van die aandelen was op 1 maart 2006 $ 2,00 en op 31 december 2006 $ 0,51. Er was derhalve sprake van een zeer hoge volatiliteit. Belanghebbende heeft - onweersproken door de Inspecteur - gesteld dat de koers van het aandeel [F] door enkele aan- en verkopen kon worden gemanipuleerd en dat dit ook voorkwam. Hoewel daadwerkelijke manipulatie niet is komen vast te staan, sluit het Hof de mogelijkheid niet uit;

- belanghebbende heeft - onweersproken door de Inspecteur - gesteld dat het in 2006 al snel bergafwaarts ging met [F].

7.4.2. Gelet op het voorgaande, waarin mede tot uitdrukking komt dat de waarde van het recht niet slechts afhankelijk is van de beurskoers maar ook van de contacten tussen [F] en haar werknemers, is het Hof van oordeel dat aan het recht op levering van de aandelen een tot het loon van belanghebbende te rekenen waarde is toe te kennen. Uitgaande van de koers van het aandeel op 1 maart 2006 en met in achtneming van de waardedrukkende factoren zoals vermeld in 7.4.1 bepaalt het Hof de in 2006 tot het loon van belanghebbende te rekenen waarde van het recht in goede justitie op $ 0,50 per toegekend aandeel zoals belichaamd in het certificaat. Daarin is de verschuldigde koopsom van $ 0,01 per aandeel verdisconteerd.

Het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2006 komt daarmee uit op € 90.115 + € 104.839 (250.000 à $ 0,50 : 1,1923) = € 194.954. Uitgaande van een waarde van het recht op 31 december 2006 van (afgerond) € 95.000 en gelet op de berekening van de Inspecteur zoals weergegeven in 2.21 van de uitspraak van de rechtbank, dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld te worden op nihil.

Loonheffing bij de werkgever; heffing van inkomstenbelasting bij belanghebbende

7.5. Belanghebbende heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de verschuldigde loonbelasting voor rekening van [F] zou komen. Hij heeft daartoe verwezen naar zijn brief van 12 november 2008 (bijlage 29 bij het verweerschrift van de Inspecteur bij de rechtbank). De aldaar geciteerde passage inzake de “most tax efficient way” leidt het Hof niet tot het oordeel dat slechts zou worden volstaan met de inhouding van loonbelasting door [F] en dat belanghebbende geen inkomstenbelasting over de toegekende aandelen zou zijn verschuldigd. Belanghebbendes stelling faalt derhalve.

7.6. Voorts overweegt het Hof nog het volgende. In een geval als het onderhavige wordt de Inspecteur de keuze gelaten tussen het opleggen van een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen aan de werkgever of een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen aan belanghebbende. Voor het Hof is niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur bij het maken van die keuze of bij het opleggen van de navorderingsaanslag enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Ook in zoverre faalt de stelling van belanghebbende; van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Immateriële schadevergoeding; ambtshalve

7.7. Het Hof zal ambtshalve nagaan of met betrekking tot de behandeling van de zaak in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad.

7.8. In zijn arrest van 10 juni 2011, nummer 09/05112, LJN BO5080 heeft de Hoge Raad – onder meer – het volgende overwogen:

“3.3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet ook in belastinggeschillen aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

3.3.4. Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.”

7.9. In het genoemde arrest van 22 april 2005 overwoog de Hoge Raad – onder meer – als volgt:

“4.3. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof, behoudens bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

4.4. Ook wanneer het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden, valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op artikel 6, lid 1, EVRM moet worden aangenomen. Het is evenwel ook denkbaar dat de zaak in een eerdere fase met bijzondere voortvarendheid is behandeld, zodanig dat de overschrijding van de redelijke termijn in een latere fase daardoor wordt gecompenseerd.

4.5. De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede verknochtheid van het beboetbare feit met andere belastbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n);

b. de invloed van de beboete en/of diens raadsman/gemachtigde op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.”

7.10. De uitspraak van heden van het Hof is gedaan, vier jaar en drie maanden na de vermoedelijke ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur. Mede gelet op de ingewikkeldheid van de onderhavige zaak en de omstandigheid dat aanvankelijk ook een tweede navorderingsaanslag in geschil was, waarbij ook de problematiek van het bestaan van een nieuw feit speelde, is het Hof van oordeel dat in dezen niet kan worden geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden.

Slotsom

7.11. Bijgevolg hetgeen hiervoor is overwogen moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8.2.1. In het incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende verzocht om een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase en een hogere proceskostenveroordeling voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank. Tevens heeft hij verzocht om een hogere dan forfaitaire vergoeding van deze kosten. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

8.2.2. De rechtbank heeft terecht geen proceskosten toegekend voor de bezwaarfase. Voor het toekennen van een vergoeding van de integrale proceskosten in beroep en hoger beroep is geen reden omdat de Inspecteur niet tegen beter weten in een rechtens onjuist standpunt heeft ingenomen en dat in de procedure heeft gehandhaafd.

8.2.3. Nu het Hof het hoger beroep gegrond heeft verklaard acht het Hof geen termen aanwezig om een hogere proceskostenvergoeding voor het ingestelde beroep toe te kennen nu het Hof niet aannemelijk gemaakt acht dat het beroepschrift door een beroepsmatig optredende deskundige is geschreven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het principaal hoger gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de tweede navorderingsaanslag, de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de eerste navorderingsaanslag;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 194.954 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, en

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente behorende bij de navorderingsaanslag dienovereenkomstig.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 28 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.