Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2187

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
200.093.773/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nietige volmacht, art. 2:14 BW; volmachtverlening; ontslag op staande voet, rechtsgeldig gegeven?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 240
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/292 met annotatie van mr. R.G.J. Nowak
OR-Updates.nl 2014-0275
AR 2014/449
JONDR 2014/1140
JOR 2014/292 met annotatie van mr. R.G.J. Nowak
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.093.773 /01

Rolnummer Rechtbank : 929806/ CV EXPL 08-37295

arrest van 27 mei 2014

inzake

1.[naam],

wonende te [woonplaats] ,

2. [naam],

wonende [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2],

advocaat: mr. J. van Weerden te Rotterdam,

tegen

Interpac B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Interpac,

in rechte niet verschenen.

Het geding

1. Bij exploot van 15 maart 2011 zijn [appellant 1] en [appellant 2] in hoger beroep gekomen van de op

30 oktober 2009 en 17 december 2010 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, (hierna: de kantonrechter) tussen partijen in conventie en reconventie gewezen vonnissen. Bij memorie van grieven (met productie) zijn tegen het vonnis van 17 december 2010 vier grieven opgeworpen. Interpac heeft op de memorie van grieven niet geantwoord. Tegen haar is verstek verleend. [appellant 1] en [appellant 2] hebben, onder overlegging van stukken, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is

in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan. Samengevat

gaat het om het volgende:

2.1 Interpac is een onderneming die zich bezighoudt met de handel in, en de import en

export van, elektrische en elektronische krachtbronnen, computersupplies en

aanverwante producten alsmede het verlenen van diensten aan afnemers van de

producten. Enig statutair bestuurder en tevens 70% aandeelhouder van Interpac is

[naam] (roepnaam […]), woonachtig te Taiwan (hierna aan te duiden als

“[Y]”).

2.2 [appellant 1] en [appellant 2] zijn op 1 december 1997 bij Interpac in dienst getreden. Zij hielden

zich bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering van Interpac. Sinds april 2003 zijn zij

tevens elk voor 15% aandeelhouder van Interpac. De salarisstroken over maart 2008

geven een bruto maandsalaris aan van, voor [appellant 1], € 5.400,-- en, voor [appellant 2],

€ 3.360,--.

2.3 Artikel 3 van de arbeidsovereenkomsten bepaalt: “The employee shall devote the whole

of his/her time, attention and abilities to the affairs of the company during normal

business hours. Employee shall call forth all her/his skills and energy to foster the

lourishing of the company. (…)”

Artikel 9 van de arbeidsovereenkomsten bepaalt: “The employee is required at all times

to use his best endeavours to promote and extend the business and affairs of the

company. The employee shall not, whilst in the Company’s employment, nor for a

period of one year thereafter, seek on his own behalf or on on behalf of any person, firm

or company, directly or indirectly, to procure orders for or do business with any

competing company in the same branch (Computer cases); nor solicit, entice, procure

or otherwise endeavour to persuade any other employee of the company tot leave this

employment.”

2.4 Op 28 november 1997 is door [Y] namens Interpac aan [appellant 2] een volmacht verstrekt,

luidende: “We hereby autorize that [appellant 2] is this day of her activities and

signatures under the Interpac organization’s ordinance, and that her signature is

legality.”

2.5 Op 1 januari 1998 is blijkens de inschrijving in het handelsregister opgericht de

eenmanszaak Euro Store Marketing, met diverse andere handelsnamen. Deze eenmans-

zaak is gevestigd op het adres van, en wordt gedreven door, uiteindelijk, [appellant 1].

Als bedrijfsomschrijving staat vermeld “Groothandel, import & export van div.

goederen. Consultancy, op het gebied van import & export.”.

2.6 Op 30 december 2005 is blijkens de inschrijving in het handelsregister opgericht Euro

Store Trading B.V. (hierna: Euro Store Trading), met als andere handelsnamen

“What’ s up and more” en “Where to Sleep.nl”. Het adres van vestiging is hetzelfde als

het woonadres van [appellant 2]. Als bedrijfsomschrijving staat onder meer vermeld “Het

importeren en exporteren van, het voeren van (groot)handel o.a. op het gebied van

computerapparatuur en daaraan gerelateerde artikelen alsmede het verlenen van

adviezen en uitoefenen van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden”. Enig

aandeelhouder en bestuurder is Green Leaf Holding B.V., eveneens gevestigd op het

woonadres van [appellant 2]. Blijkens de inschrijving in het Handelsregister zijn haar

bestuurders [appellant 1] en [appellant 2].

2.7 Op 1 september 2007 is er een leningsovereenkomst getekend door [appellant 2] namens

Interpac en door [appellant 1] namens Euro Store Trading, waarbij door Interpac aan Euro-

store een bedrag wordt geleend van $ 150.000,--.

2.8 Op 3 maart 2008 heeft [Y] het bedrijf van Interpac bezocht, samen met [A]

van […] om een “quick scan” te

laten uitvoeren naar de financiële situatie van Interpac. Enige financiële informatie werd

toen niet aan [Y] verstrekt.

2.9 Op 25 maart 2008 heeft [Y] voor zichzelf en als statutair directeur van Interpac een

onbeperkte volmacht gegeven aan Aim-it B.V. (hierna aan te duiden als: “Aim-it”), met

de heer [naam] (hierna: [H]) als bestuurder.

2.10 Nadat [Y] bij e-mail van 17 maart 2008 met klem heeft verzocht hem de

gevraagde/benodigde informatie te verstrekken, heeft [appellant 1] [Y] bij e-mail van

18 maart 2008 laten weten dat de financiële situatie van Interpac zorgelijk was en dat

Interpac aan de rand van een faillissement zou staan. Ook bleek uit genoemde e-mail

dat er sprake was van een samenwerking van Interpac met het bedrijf Euro Store

Trading alsmede dat door Interpac aan dat bedrijf een lening verstrekt was (zie 2.7).

2.11 Naar aanleiding van de mail van 18 maart 2008 heeft [Y] alsnog een “quick scan” laten

uitvoeren door [A] voornoemd, tezamen met het financieel adviesbureau

Aim-it/[H]. Daartoe hebben [A] en [H] op 3 april 2008 Interpac

bezocht. Nadat [appellant 1] en [appellant 2] op 3 april 2008 al op non-actief gesteld waren, zijn

zij, op grond van de bevindingen van [A] en [H], gebaseerd op de

gegevens zoals op 3 april 2008 beschikbaar, later op die dag, op staande voet door

Aim-it/[H] namens Interpac ontslagen. Als redenen hiervoor werden bij brief van die

datum vermeld:

- de weigering van [appellant 1] en [appellant 2] om na hun op non-actiefstelling het pand te verlaten;

- het overmaken van USD 250.000,-- van de tegoeden van Interpac naar hun eigen

bedrijf, zonder toestemming van de aandeelhouders en zonder de directeur

hierover in te lichten:

- het oprichten van “What’s up Hot Dogs and More”, en het laten betalen van diverse onkosten van dit bedrijf door Interpac zonder toestemming van de

aandeelhouders of directeur.

2.12 Op 2 juni 2008 is namens Interpac na verkregen verlof beslag gelegd op de

banktegoeden en onroerende zaken van gedaagden.

2.13 Op 19 juni 2008 heeft Interpac [appellant 1] en [appellant 2] gedagvaard in kort geding en

onder meer gevorderd dat zij zouden worden veroordeeld tot betaling van € 296.311,--.

Bij vonnis van 6 augustus 2008 is deze vordering door de kantonrechter afgewezen.

2.14 Op 3 juli 2008 hebben [appellant 1] en [appellant 2] Interpac gedagvaard in kort geding en

onder meer gevorderd dat Interpac zou worden veroordeeld tot doorbetaling van loon,

alsmede de opheffing van de gelegde beslagen. Bij vonnis van 6 augustus 2008 zijn

deze vorderingen door de kantonrechter afgewezen.

2.15 Op 6 augustus 2008 heeft de kantonrechter ten verzoeke van Interpac de

arbeidsovereenkomsten tussen Interpac en [appellant 1] respectievelijk [appellant 2], voor zover

deze niet eerder door het ontslag op staande voet zouden zijn beëindigd, ontbonden per

1 september 2008 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, een en ander zonder

toekenning van enige vergoeding.

3. Tegen de achtergrond van voormelde feiten en, voor zover thans nog van belang, vorderde Interpac in eerste aanleg (in conventie), na wijziging van eis:

1. Te verklaren voor recht dat [appellant 1] en [appellant 2] jegens Interpac schadeplichtig

zijn ex artikel 7:677 lid 2 (hof: lees: lid 3) BW;

II. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Interpac van € 221.376,04;

III. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding,

waaronder de kosten van de gelegde beslagen.

4. In reconventie vorderden [appellant 1] en [appellant 2]:

a. verklaring voor recht dat het hen door Aim-it gegeven ontslag op staande voet nietig is

respectievelijk vernietiging van dat ontslag op staande voet;

b. verklaring voor recht dat de door [Y] aan Aim-it op 25 maart 2008 verstrekte volmacht

nietig is respectievelijk vernietiging van deze volmacht;

c. veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] van het salaris

over de periode van 1 april tot 1 september 2008, met vakantiegeld, wettelijke verhoging

en wettelijke rente;

d. veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 2] van een bedrag groot $ 54.083,81 netto,

vermeerderd met de wettelijke rente;

e. veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 1] van een bedrag groot € 8.932,98,

vermeerderd met de wettelijke rente;

f. opheffing van de door Interpac ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] op 2 juni 2008 gelegde

conservatoire beslagen;

g. veroordeling van Interpac in de kosten van de procedure.

5. De kantonrechter heeft de vordering in conventie grotendeels toegewezen, de reconventionele vordering integraal afgewezen en [appellant 1] en [appellant 2] veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. [appellant 1] en [appellant 2] zijn van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. In hoger beroep vorderen zij, verkort weergegeven:

I. vernietiging van meergenoemd vonnis van 17 december 2010;

II. verklaring voor recht dat het hen door Interpac gegeven ontslag op staande voet nietig is, respectievelijk vernietiging van dat ontslag op staande voet;

III. verklaring voor recht dat de door Interpac aan Aim-it verstrekte volmacht nietig is respectievelijk vernietiging van deze volmacht;

IV veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] van het salaris over de periode van 1 april tot 1 september 2008, met vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente;

V. veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 1] van een bedrag groot $ 54.083,81 netto, vermeerderd met de wettelijke rente;

VI. veroordeling van Interpac tot betaling aan [appellant 2] van een bedrag groot

€ 8.932,98, vermeerderd met rente;

VII. opheffing van de ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] (op 2 juni 2008) gelegde conservatoire beslagen;

VIII. terugbetaling van hetgeen Interpac van [appellant 1] dan wel [appellant 2] uit hoofde van tenuitvoerlegging van het vonnis tegen [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] betaald heeft gekregen, vermeerderd met rente;

IX. veroordeling van Interpac in de kosten van de procedure.

7. Met betrekking tot de door [appellant 1] en [appellant 2] ingestelde vordering ziet het hof aanleiding allereerst in te gaan op de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. In dat kader overweegt het hof het volgende.

ter zake van het gegeven ontslag op staande voet

8.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben betoogd dat Interpac geen belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat zij jegens haar schadeplichtig zijn, nu hetgeen Interpac vordert niet valt aan te merken als schade in de zin van art. 7:677, lid 4 BW (het betreft immers geen vergoeding van schade als gevolg van de onregelmatigheid van het ontslag), maar anders dan [appellant 1] en [appellant 2] stellen, heeft Interpac wel degelijk een redelijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Immers bij toewijzing daarvan is Interpac aan [appellant 1] en [appellant 2] geen loon verschuldigd over de periode van 3 april 2009 tot 1 september 2009 noch een schadevergoeding op grond van art. 7:677, lid 3 BW.

Grief 1, er op neer komende dat Interpac geen belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, faalt derhalve.

is het ontslag op staande voet bevoegdelijk gegeven?

9.

Het ontslag op staande voet is [appellant 1] en [appellant 2] (namens Interpac) gegeven door Aim-it, in de persoon van [H]. Niet in discussie is dat de aan Aim-it gegeven volmacht, indien rechtsgeldig, het mogen geven van ontslag op staande voet aan werknemers van Interpac (zie de “Power of Attorney” onderdeel I sub g.) omsluit. Onder 27 t/m 40 en 85 t/m 90 van de memorie van grieven hebben [appellant 1] en [appellant 2] (in het kader van grief II) het oordeel van de kantonrechter dat (uiteindelijk) het (door [H]) gegeven ontslag bevoegdelijk gegeven is (zie 2.18 van het vonnis van 17 december 2010), bestreden.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het besluit van 25 maart 2008 waarin aan Aim-it een volmacht is verleend (Power of Attorney) op zich op grond van art. 2:14, lid 1 BW nietig is wegens strijd met de statuten. [appellant 1] en [appellant 2] kunnen de kantonrechter in dat oordeel volgen. Zij keren zich echter tegen het vervolgoordeel van de kantonrechter dat dat nietige besluit op grond van art. 2:14, lid 2 BW bekrachtigd is, namelijk in de algemene vergadering van aandeelhouders van 3 april 2009.

10.

[Y] heeft als statutair bestuurder van Interpac een volmacht aan Aim-it/[H] verleend - onder meer - om werknemers te ontslaan (“To hire and to dismiss employees”). Het debat spitst zich toe op de vraag of het instemmingsvereiste van art. 16 lid 2 sub i van de statuten van Interpac, op zichzelf beschouwd, aan de rechtsgeldigheid van het ontslag in de weg staat.

11.

Art. 16 lid 2 sub i van de statuten bepaalt dat de directie intern de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders behoeft voor bestuursbesluiten strekkende tot: “het aanstellen en ontslaan van procuratiehouders en het vaststellen of wijzigen van hun procuratie”. Niet langer in geschil is dat - op 25 maart 2008 - de volmacht aan [H]/

Aim-it is gegeven in strijd met art. 16 lid 2 sub i van de statuten en daarom nietig is. Voor zover een dergelijke nietigheid externe werking heeft, in die zin dat [appellant 2] en [appellant 1] daarop een beroep zouden kunnen doen, geldt echter dat (de algemene vergadering van aandeelhouders van) Interpac bedoelde volmachtverlening heeft bekrachtigd. Deze bekrachtiging heeft naar het oordeel van het hof binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Immers, tussen het geven van de nietige volmacht en de bekrachtiging daarvan, is niet veel meer dan een jaar verstreken, dit terwijl de wet geen termijn stelt waarbinnen een nietige volmacht door de algemeen vergadering van aandeelhouders bekrachtigd zou moeten worden. Hieruit volgt dat de volmacht vanaf het moment van verlening (25 maart 2008) als rechtsgeldig moet worden aangemerkt. Niet gesteld is dat het ontslag van [appellant 2] als werknemer in strijd met art. 16 lid 2 sub i van de statuten is, om de reden zij procuratiehouder was. Daar komt bij dat de (interne) nietigheid van bedoelde volmacht, zo daar nog sprake van zou zijn gezien het voorgaande, niet in de weg staat aan de rechtsgeldigheid van de opzeggingen. Uit art. 2:240 lid 3 BW volgt dat [Y] als bestuurder onbeperkt en onvoorwaardelijk bevoegd was tot vertegenwoordiging van Interpac “voor zover uit de wet niet anders voortvloeit”. Van een beperking in laatstbedoelde zin is geen sprake. In het externe rechtsverkeer heeft daarom te gelden dat [Y] bevoegd was om aan [H]/Aim-it de volmacht te verlenen. De ontslagverlening door [H]/Aim-it aan [appellant 2] en [appellant 1] is een rechtshandeling in het externe rechtsverkeer en dus - in beginsel - rechtsgeldig indien de gestelde dringende reden komt vast te staan.

12.

[appellant 2] en [appellant 1] hebben gesteld - althans zo begrijpt het hof - dat nu zij beiden aandeelhouder van de vennootschap zijn (i) de volmachtverlening zich niet verdraagt met hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW) en (ii) art. 2:240 lid 3 BW toepassing mist nu dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 2:8 lid 2 BW). Het hof verwerpt deze standpunten. Voor zover wordt gesteld dat de volmachtverlening zich niet verdraagt met de eisen van redelijkheid en billijkheid die [Y] als aandeelhouder en/of bestuurder (“als zodanig”) in acht had moeten nemen (art. 2:8 lid 1 BW), is dat onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat indien voorafgaande aan de volmachtverlening goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders zou zijn gevraagd, deze goedkeuring niet zou zijn verleend. Op dit punt is overigens van belang dat [Y] als 70% aandeelhouder de beslissende stem had en heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, wat ook is gebleken gezien de bekrachtiging van de volmachtverlening. Gesteld noch gebleken is voorts dat die (voorafgaande) goedkeuring en/of de bekrachtiging achteraf, evenals de volmachtverlening, misbruik van bevoegdheid door [Y] zou hebben/heeft opgeleverd. Dat toepassing van art. 2:240 lid 3 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is eveneens onvoldoende onderbouwd.

13.

Voor zover [appellant 1] en [appellant 2] beweren dat [H] zelf niet bevoegd was het ontslag te geven (zie memorie van grieven sub 90) omdat hij, anders dan de Power of Attorney vermeld, nimmer directeur van Aim-it geweest is, gaat het hof ook aan die stelling voorbij. De volmachtverlening betreft [H] in persoon als vertegenwoordiger van Aim-it, de eventuele onjuistheid van de functievermelding van [H] doet daaraan niet af.

is er sprake van een dringende reden?

14.

De kantonrechter is, na in de rechtsoverwegingen 2.7 t/m 2.13 de aangevoerde gronden voor het ontslag op staande voet te hebben beoordeeld, in rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 17 december 2010 tot de slotsom gekomen “dat sprake is van zodanige daden en gedragingen van [appellant 1] en [appellant 2], dat van Interpac redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren”.

15.

De daden/gedragingen waar de kantonrechter op doelt zijn:

a. de weigering van [appellant 1] en [appellant 2] om na hun op non-actiefstelling het pand te verlaten

b. het overmaken van USD 250.000,-- van de tegoeden van Interpac naar hun eigen

bedrijf, zonder toestemming van de aandeelhouders en zonder de directeur hierover

in te lichten.

c. het oprichten van “What’s up Hot Dogs and More”, en het laten betalen van diverse

onkosten van dit bedrijf door Interpac zonder toestemming van de aandeelhouders of

directeur.

Het betreft hier de ontslaggronden vermeld in de brieven van 3 april 2008. Het gaat daarbij om de gedragingen tezamen, niet om de gedragingen elk voor zich.

Gelijk de kantonrechter gedaan heeft zal het hof de ontslaggronden separaat bespreken, beginnende bij de hiervoor sub b. genoemde grond.

15.1

Ad 15 sub b.

In confesso is dat het in de ontslagbrief genoemde bedrag ad $ 250.000,-- onjuist is, want te hoog was. De gewraakte overboeking betrof “enkel” een bedrag van $ 150.000,--. Interpac heeft in dat verband haar vordering ad $ 250.000,-- naderhand ook met een bedrag groot

$ 100.000,-- verminderd.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben aangevoerd dat het hier, na vermindering, een zodanig ander bedrag betreft, dat Interpac, indien zij daarvan destijds geweten hadden, allicht van een ontslag op staande voet zou hebben afgezien omdat de vermeende schade fors minder groot was. Het hof onderschrijft die stellingname niet, ieder aanknopingspunt ontbreekt daarvoor, terwijl het ook niet voor de hand ligt. Het moet voor [appellant 1] en [appellant 2] duidelijk zijn geweest dat ook een bedrag groot $ 150.000,-- voor Interpac een reden was om, samen met de andere gronden, een ontslag op staande voet te geven. [appellant 1] en [appellant 2] hebben immers nog steeds, zonder toestemming van de aandeelhouders en buiten [Y] om (dat [Y] van een en ander zou weten blijkt uit niets), nog steeds (ook na vermindering) een relevant groot bedrag buiten het directe bereik van Interpac gebracht. [appellant 1] en [appellant 2] betogen nog dat [appellant 2], die de lening aan Euro Store Trading namens Interpac had afgesloten, een onbeperkte volmacht had en derhalve bevoegdelijk de lening aan Euro Store Trading is aangegaan, maar het hof gaat in die redenering niet mee. [appellant 2] beschikte over een algemene, ongeclausuleerde, volmacht, een en ander is niet in discussie. Vraag is wel of die volmacht ook het (namens Interpac) aangaan van een lening aan Euro Store Trading dekte. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De volmacht is gegeven om het belang van Interpac te dienen, zoveel is zeker, maar daar ligt ook de grens en die is hier overschreden. Bij het op grond van de gegeven volmacht verrichten van handelingen die niet in het belang zijn van Interpac, is sprake van overschrijding/misbruik van de volmacht. Niet valt in te zien dat de lening van $ 150.000,-- is aangegaan in het bedrijfsbelang van Interpac. Euro Store Trading is via Green Leaf Holding een bedrijf van [appellant 1] en [appellant 2]. Wat dat bedrijf werkelijk voor Interpac kon betekenen wordt niet, althans niet voldoende, geadstrueerd.

De conclusie van vorenstaande is, dat [appellant 1] en [appellant 2] Interpac toekomende gelden (daarbij gaat het om een relevant bedrag) zonder deugdelijke titel en buiten de aandeelhouders en [Y], althans de grootaandeelhouder, om (dat [Y] van een en ander op de hoogte zou zijn blijkt uit niets), naar Euro Store Trading, een bedrijf waar beiden nauw bij waren betrokken en bij welk bedrijf beiden belangen hadden, hebben overgeheveld en zo buiten het directe bereik van Interpac hebben gebracht, zonder dat van de toegevoegde waarde van die (trans)actie (voor Interpac) gebleken is. In hetgeen [appellant 1] en [appellant 2] met betrekking tot dat laatste hebben aangevoerd ligt die toegevoegde waarde, zonder toelichting, die ontbreekt, niet besloten.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben nog aangevoerd dat zij ten onrechte geen gelegenheid hebben gehad tekst en uitleg te geven over het uitlenen van meerbedoeld bedrag en dat Interpac niets heeft gedaan om de beweerde laakbaarheid van de desbetreffende betaling/lening deugdelijk te verifiëren, maar [appellant 1] en [appellant 2] geven niet aan wat voor tekst en uitleg zij wilden geven en wat Interpac had moeten onderzoeken. De gewraakte betaling op grond van een onbevoegd / buiten de reikwijdte van de volmacht aangegane overeenkomst stond al vast.

Om de tweede ontslaggrond van het gegeven ontslag op staande voet te kunnen beoordelen is het hof (met de kantonrechter) genoodzaakt geweest de tussen Interpac en Euro Store Trading aangegane overeenkomst van geldleen nader te bezien. Die beoordeling berust op de grondslag van de vordering.

Naar het oordeel van het hof geeft vorenstaande (mede) grond voor een ontslag op staande voet.

15.2

Ad 15 sub c.

[Y]/Interpac heeft [appellant 1] en [appellant 2] de vrije hand gelaten, maar wel binnen de grenzen zoals in de artikelen 3 en 9 van de arbeidsovereenkomst opgenomen. Het oprichten van Euro Store Trading, met als handelsnaam o.a. “What’s up Hot Dogs and More” en “Euro Store Marketing” valt niet binnen die grenzen. Uit niets blijkt dat met het oprichten van dat bedrijf / die bedrijven en het dragen van voor dat bedrijf / die bedrijven (onbetwist) gedane uitgaven, het belang van Interpac gemoeid was en/of dat [Y]/Interpac, in weerwil van de arbeidsovereenkomsten, met het oprichten van genoemde bedrijven en het dragen van kosten (stilzwijgend) heeft ingestemd.

Naar het oordeel van het hof kan ook de derde grond, dit bezien in samenhang met de overige ontslaggronden, het geven ontslag op staande voet mede dragen,

15.3

Ad 15 sub a.

Rest nog de eerste ontslaggrond: de weigering om, na op non-actief gesteld te zijn, het bedrijfspand te verlaten. In dat verband overweegt het hof het volgende. [appellant 1] en [appellant 2] zijn bij separate brief van 3 april 2008 door [Y] op non-actief gesteld, dienden hun wachtwoord en kantoorsleutels in te leveren en thuis beschikbaar te blijven voor het eventueel beantwoorden van vragen. Voor zover zij stellen dat de non-actiefstelling zonder grond en onrechtmatig is of in strijd met het goed werkgeverschap, is dat onvoldoende onderbouwd. Tegen die achtergrond moet het ook [appellant 1] en [appellant 2] duidelijk zijn geweest dat hun aanwezigheid in het bedrijfspand niet meer gewenst werd, zij hadden er niets meer te zoeken. [appellant 1] en [appellant 2] hielden zich zonder goede grond in het bedrijfspand op en negeerden daarmee de duidelijke bedoeling van hun werkgever: spullen inleveren, naar huis gaan en daar beschikbaar blijven. Waar, naar [appellant 1] en [appellant 2] erkennen, de [H]/Aim-it gegeven volmacht alomvattend was, had hij/zij de bevoegdheid [appellant 1] en [appellant 2] te verzoeken het bedrijfspand te verlaten. Door aan dat herhaaldelijk geuite verzoek geen gevolg te geven hebben [appellant 1] en [appellant 2] de instructies van hun werkgever genegeerd en daarmee aan Interpac (voldoende) grond gegeven op basis waarvan, zeker gevoegd met de andere gronden, een rechtsgeldig ontslag op staande voet kon worden gegeven. In dat verband overweegt het hof nog wel dat Interpac een redelijk belang had bij de afwezigheid van [appellant 1] en [appellant 2] en hun non-activiteit, zij zouden immers het onderzoek door Interpac naar hun handel en wandel kunnen verstoren.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben nog betoogd dat hen in redelijkheid niet verweten kan worden geen gehoor gegeven te hebben aan de herhaalde verzoeken van [H]/Aim-it tot vertrek omdat in de brieven van 3 april 2008 niets vermeld stond over een onmiddellijk vertrek en de verzoeken tot vertrek niet op voor [appellant 1] en [appellant 2] kenbare wijze steunden op instructie van Interpac. Het hof verwerpt dat betoog, in de brieven van 3 april 2008 wordt duidelijk tot uiting gebracht dat hen de toegang tot het bedrijfspand werd ontzegd: “not longer allowed to enter into the building”. Zoals overwogen hadden [appellant 1] en [appellant 2] in het bedrijfspand niets meer te zoeken en dienden zij dat pand te verlaten. De tekst van de brieven van 3 april 2008 kan niet anders worden begrepen, zij verbleven in het pand zonder recht of titel. Het hof wijst voorts op de volgende passage uit meergenoemde brieven: “We (…) presented you a copy of the Power of Attorney given to me and the letter from Cheng-Fa (Tony) [Y], sole director of Interpac (…)”. Gelet op die tekst had het voor [appellant 1] en [appellant 2] duidelijk moeten/kunnen zijn dat [H]/Aim-it handelde op instructie van [Y]/Interpac.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben voorts ook nog betoogd dat de volmacht op grond waarvan [appellant 1] en [appellant 2] bevolen zijn het pand te verlaten, nietig was maar dienaangaande heeft het hof reeds anders beslist (zie hiervoor onder 11 t/m 14). Dat [appellant 1] en [appellant 2] destijds hebben geweigerd gevolg te geven aan de sommatie (mede) omdat zij er van uit gingen dat de volmachtverlening aan [H]/Aim-it nietig was, is gesteld noch gebleken.

is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven?

16.

De slotsom van hetgeen hiervoor onder 15 en 16 is overwogen is, dat er sprake is van een dringende reden zoals door Interpac gesteld en aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of dat ontslag op staande voet onverwijld gegeven is.

17.

[appellant 1] en [appellant 2] stellen dat waar het ontslag door een onbevoegde is gegeven en rechtsgeldige bekrachtiging niet heeft plaats gevonden, men moet concluderen dat het ontslag niet onverwijld is aangezegd. Maar ook indien men rekening zou moeten houden, aldus [appellant 1] en [appellant 2], met het helen door Interpac van de gebrekkige volmacht, geldt dat Interpac het ontslag niet onverwijld schriftelijk en onder opgave van redenen heeft bevestigd. Immers, aldus nog steeds [appellant 1] en [appellant 2], met de juridische fictie dat bekrachtiging van dat wat nietig is alsnog doet ontstaan, valt het feitelijke tijdsverloop niet te repareren.

Het hof heeft reeds overwogen dat het ontslag op staande voet bevoegdelijk is gegeven. Dat aldus bevoegdelijk gegeven ontslag is op 3 april 2008 onverwijld meegedeeld, nadat door [H]/Aim-it geconstateerd was dat er zich op grond van (bij een quick scan) gebleken feiten en gedragingen een dringende reden had voorgedaan zoals in de ontslagbrief omschreven. Een dergelijk handelen is onverwijld.

18.

De slotsom van al het voorgaande is dat er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. [appellant 1] en [appellant 2] hebben door hun welbewust gedrag Interpac een dringende reden verschaft en zijn uit dien hoofde schadeplichtig jegens Interpac. Waar het ontslag op staande voet rechtgeldig gegeven is, is er voor het toewijzen van loon over de periode 1 april 2008 tot 1 september 2008 geen grond. Grief 2 gaat niet op. De onderdelen II, III, en IV van de vordering zoals hiervoor onder 5. geformuleerd, liggen voor afwijzing gereed. Grief 2, die anders bepleit, gaat niet op.

ter zake van de vordering ad € 221.376,04

19.

Het door Interpac gevorderde bedrag (na vermindering van eis) groot € 221.376,04, is opgebouwd uit vier verschillende bedragen, te weten:

a. € 18.931,60 ter zake van “Bank transfers EUR”;

b. € 110.563,21 ter zake van “Bank transfers USD”;

c. € 3.355,43 ter zake van “further transfers”;

d. € 4.163,42 ter zake van “cash”;

e. € 84.362,38 wegens “overige posten”.

Voor de verhaalbaarheid van deze bedragen als schadevergoeding is (in beginsel) bepalend of de schade het gevolg is van “opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant 1] en/of [appellant 2] (art. 7:661, lid 1 BW).

19.1.

Ad 19 sub a. (zie ro. 2.24 en 2.25 vonnis 17 december 2010)

Van het bedrag ad € 18.931,60 ter zake van “Bank transfers EUR”, heeft [appellant 1] de verschuldigdheid van een bedrag groot € 11.783,23 erkend (zie sub 62 van de conclusie van antwoord). Het gaat om Interpac toekomende gelden die [appellant 1] heeft aangewend ten behoeve van privékosten. Er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de kant van [appellant 1] en/of onverschuldigde betaling door Interpac.

Met betrekking tot het bedrag groot € 7.902,12 overweegt het hof dat het hier gaat om aan Interpac onttrokken gelden, aangewend voor een buiten Interpac gelegen doel (te weten: Euro Store Trading). Niet aannemelijk is dat de betreffende bedragen op enigerlei wijze ten goede van Interpac zijn gekomen. Het bedrag, de onderdelen daarvan, zijn welbewust aan het vermogen van Interpac onttrokken, zodat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:661, lid 1 BW. In het midden kan blijven of de vordering van Interpac hier ook op wanprestatie (slecht werknemerschap) dan wel onrechtmatige daad gebaseerd is.

Vorenstaande betekent dat Interpac recht heeft op betaling van zowel het bedrag ad

€ 11.783,23 als op het bedrag groot € 7.902,12, zodat het totaalbedrag van € 18.931,60 aan Interpac verschuldigd is.

19.2.

Ad 19 sub b. (zie ro. 2.26 en 2.27 vonnis 17 december 2010)

Het bedrag van € 110.563,21 ter zake van “Bank transfers USD” betreft een lening die door Interpac aan Euro Trading (via Green Leaf Holding, het bedrijf van [appellant 1] en [appellant 2]), is verstrekt. (De lening is door [appellant 2] op basis van de haar door Interpac gegeven volmacht met Euro Trading aangegaan). Het moge zo zijn dat Interpac die overeenkomst van geldleen niet heeft aangetast, maar dat betekent nog niet dat zij de lening en het onttrekken van het daarbij behorende geldbedrag aan haar vermogen, heeft geaccepteerd. [appellant 2] heeft de grenzen van de haar gegeven volmacht overschreden, uit niets blijkt dat met de geldleen het belang van Interpac gediend is. [appellant 1] en [appellant 2] hebben als werknemers van Interpac zonder goede grond en enkel voor eigen doeleinden voormeld bedrag als lening overgeheveld naar Euro Store Trading. [appellant 1] en [appellant 2] zijn, nu ook hier sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, op grond van ongerechtvaardigde verrijking (hoofdelijk) gehouden tot terugbetaling van voormeld bedrag.

19.3.

Ad 19 sub c. (zie ro. 2.28 vonnis 17 december 2010)

De somma van € 3.355,43 ter zake van “further transfers” is op gebouwd uit twee bedragen, te weten een bedrag groot € 753,75 en een bedrag groot € 2.601,68. Het eerste bedrag heeft betrekking op door Interpac ten behoeve van [appellant 1] gedane betalingen. Een en ander wordt door [appellant 1] ook niet bestreden. [appellant 1] is gehouden dat bedrag aan Interpac terug te betalen, hij is met dat bedrag, ten nadele van Interpac, ongerechtvaardigd verrijkt.

[appellant 1] en [appellant 2] zijn ook het bedrag groot € 2.601,68 (“investeringskosten”) aan Interpac verschuldigd. Ook hier gaat het om aan Interpac onttrokken gelden, aangewend voor een buiten Interpac gelegen doel (te weten: Euro Store Trading). Niet is gebleken dat de betreffende bedragen op enigerlei wijze ten goede van Interpac zijn gekomen. Naar het oordeel van het hof gaat het hier om aan Interpac opzettelijk dan wel bewust roekeloos toegebrachte schade. [appellant 1] en [appellant 2] hebben die ten laste van Interpac gebrachte uitgaven en de omvang/opbouw van het bedoelde bedrag niet bestreden. Het hof verwijst hier verder naar hetgeen hiervoor onder 19.1 is overwogen met betrekking tot het bedrag van € 7.902,12.

19.4.

Ad 19 sub d. (zie ro. 2.30 en 2.31 vonnis 17 december 2010)

Het bedrag dat hier aan de orde is valt in twee delen uit een, te weten in een bedrag van

€ 142,-- aan investeringskosten en een bedrag groot € 4.021,42 ter zake van “kastekort”.

Wat betreft de somma van € 142,-- verwijst het hof naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de post “investeringskosten” reeds is overwogen.

Uit de kas werden door [appellant 1] en [appellant 2] af en toe bepaalde kosten vooruit betaald, een en ander wordt door [appellant 1] en [appellant 2] ook erkend. Zij hebben gemotiveerd betwist dat die betalingen zonder recht en/of titel werden verricht en/of door die betalingen ongerechtvaardigd werden verrijkt. Waar partijen, dus ook Interpac, hebben aangegeven af te zien van bewijslevering, is die vordering niet toewijsbaar. Die betwisting is niet minder geloofwaardig dan de stellingname van Interpac. Het hof zal de vordering van Interpac op dit onderdeel dus afwijzen.

19.5.

Ad 19 sub e. (zie ro. 2.32 t/m 2. 38 vonnis 17 december 2010)

Het bedrag groot € 84.362,38 is opgebouwd uit een aantal posten. In hoger beroep zijn (nu de rechtbank de posten iii. en iv. heeft afgewezen en van die afwijzing niet incidenteel is geappelleerd) nog de volgende posten relevant:

i.) een bedrag van € 7.533,75 ([appellant 2]) en een bedrag van € 1.158,74 ([appellant 1]) ter zake van “current account” over de periode van 2004 – 2008;

ii.) een bedrag van € 2.709,94 ter zake van “salariskosten mevrouw Bakhs” over de maanden februari en maart 2008;

v.) een bedrag groot € 2.222,-- aan rentevergoeding over de periode van juni 2006 t/m maart 2008 met betrekking tot een door [appellant 1] van Interpac overgenomen auto;

vi.) een bedrag van € 25.800,16 ter zake van “investigation costs”over de periode van maart 2008 t/m mei 2008.

Ad i.) Het gaat hier om rekening-courantschulden van [appellant 1] en [appellant 2] aan Interpac. [appellant 1] en [appellant 2] bestrijden niet dat die schulden - door hun toedoen - ontstaan zijn maar stellen wel dat niet blijkt dat zij door bedragen in rekening- courant aan Interpac verschuldigd te worden aan Interpac schade hebben berokkend, laat staan onrechtmatig zouden hebben gehandeld. Naar het oordeel van het hof snijdt die stelling geen hout. Partijen hadden geen recht op de gelden die aan de rekening-courant ten grondslag liggen, zij zijn ten nadele van Interpac met die bedragen verrijkt. De schade die zij Interpac daarmee veroorzaakt hebben, is terug te voeren op opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de kant van [appellant 1] en [appellant 2].

Ad ii.) Hier gaat het om uitbetaald salaris aan een mevrouw [B], die sedert 18 februari 2008 door [appellant 1] en [appellant 2] op de loonlijst van Interpac was gezet, maar werkzaamheden verrichtte voor Euro Store Trading. Op terugbetaling van deze kosten heeft Interpac, naar het oordeel van het hof, eveneens aanspraak. Uit niets blijkt dat het arbeidscontract dat met [B] gesloten is in het belang geweest is van Interpac, de werkzaamheden van [B] kwamen niet Interpac maar Euro Store Trading (het bedrijf van [appellant 1] en [appellant 2]) ten goede. De [appellant 2] verleende algehele volmacht dekte het aantrekken van [B] niet. Ook hier gaat het om door opzet dan wel bewuste roekeloosheid veroorzaakte kosten/schade aan de kant van [appellant 1] en [appellant 2].

Ad v.) Het gaat hierbij om een in 2006 door [appellant 1] in privé aangeschafte auto, betaald uit de middelen van Interpac. De koopsom is uiteindelijk wel door [appellant 1] voldaan, doch eerst in maart 2008. Over de koopsom heeft Interpac rente gederfd, welke rente [appellant 1] gehouden is te vergoeden. Uit niets blijkt dat het [appellant 1] geoorloofd was uit middelen van Interpac een auto voor zichzelf aan te schaffen en de aankoopsom (zonder rente) eerst veel later te voldoen. Ook hier is sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De omvang/opbouw van het hier gevorderde wordt niet betwist. Levering van tegenbewijs ter zake de stellingen van Interpac is niet aan de orde, ook [appellant 1] heeft immers van bewijslevering afgezien.

Ad vi.) Het gaat hier om onderzoekskosten die Interpac gemaakt heeft, nadat zij bij mail van 18 maart 2008 op de hoogte geraakt was van de activiteiten van [appellant 1] en [appellant 2], welke activiteiten uiteindelijk (mede) de reden geweest zijn voor het [appellant 1] en [appellant 2] gegeven ontslag op staande voet. Het betreft hier in het kader van bedoeld onderzoek verrichte werkzaamheden door Aim-it, [A] en Belien WebConsultancy. Naar het oordeel van het hof kan Interpac op betaling van deze gelden geen aanspraak maken. Het is aan [Y] als directeur-grootaandeelhouder om er voor zorg te dragen dat er sprake is van een degelijke en duidelijke boekhouding en dat sprake is van communicatie daarover met [appellant 1] en [appellant 2]. Een en ander heeft [Y]/Interpac ten onrechte nagelaten. Het komt voor Interpacs rekening en risico dat een onderzoek als uitgevoerd noodzakelijk was. Overigens blijkt uit niets dat al het gedeclareerde werk ook geboden was. Van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96, lid 2 sub b BW) is geen sprake. Ook op dit punt slaagt grief 3.

20.

Waar het hof hiervoor heeft overwogen dat er in dezen sprake is van een op 3 april 2008 bevoegdelijk en rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, dient hetgeen in dat kader in grief 4 door [appellant 1] en [appellant 2] is aangevoerd, te worden gepasseerd.

Waar Interpac aan [appellant 1] en [appellant 2] geen gelden verschuldigd is, is voor verrekening van enig bedrag geen grond. Voor opheffing van het gelegde beslag is ook geen grond, nu [appellant 1] en [appellant 2] aan Interpac nog wezenlijke bedragen verschuldigd zijn.

21.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen moet de conclusie zijn dat enkel grief 3, voor zover gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant 1] en [appellant 2] het kastekort ad

€ 4.021,42 en de onderzoekskosten ad € 25.800,16 verschuldigd zijn, doel treft. Op dat onderdeel zal het vonnis van de kantonrechter worden vernietigd, voor het overige wordt het, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bevestigd. De vordering van [appellant 1] en [appellant 2] wordt afgewezen, voor verrekening van enig bedrag dat Interpac aan [appellant 1] en/of [appellant 2] verschuldigd zou zijn is geen grond.

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zullen [appellant 1] en [appellant 2] de kosten van de procedure dienen te dragen, zowel wat betreft de eerste aanleg als in hoger beroep. Waar Interpac in appel niet is verschenen zal het hof de kosten op het hoger beroep gevallen aan de kant van Interpac stellen op nihil.

22.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben tegen het vonnis van de kantonrechter van 30 oktober 2009 geen grieven gericht. Inzoverre is het door [appellant 1] en [appellant 2] ingestelde appel niet-ontvankelijk.

23.

Aan (verdere) bewijslevering komt het hof niet toe nu partijen daarvan expliciet hebben afgezien.

Beslissing

Het hof:

  • -

    vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 17 december 2010, doch enkel voor zover de kantonrechter aan Interpac een bedrag heeft toegewezen ad € 4.021,42 met rente ter zake van “kastekort” en een bedrag groot ad € 25.800,16 met rente ter zake van “onderzoekskosten”;

  • -

    bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 17 december 2010 voor het overige;

  • -

    veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Interpac tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart [appellant 1] en [appellant 2] niet ontvankelijk in het beroep ingestelde tegen het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 20 oktober 2009.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, R.S. van Coevorden en V. Disselkoen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.