Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2174

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
2200498613
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004986-13

Parketnummer: 10-730026-10

Datum uitspraak: 17 juni 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 11 maart 2014 en 3 juni 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord vrijgesproken en ter zake van de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist over de vordering

van de benadeelde partij als weergegeven in het vonnis waarvan beroep, met oplegging van een schadevergoedings-maatregel.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft – in andere samenstelling – bij arrest van 24 januari 2012 het beroepen vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag en poging tot moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek van voorarrest, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen het arrest cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 15 oktober 2013 het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Namens de benadeelde partij heeft mr. H. Raza bij faxbericht van 20 december 2011 de vordering tot schadevordering ingetrokken. Deze vordering is derhalve thans niet meer aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op één of meer momenten op of omstreeks 25 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, althans in het (boven)lichaam van die [aangever] heeft gestoken en/of geprikt en/of (vervolgens)

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer stekende en/of zwaaiende beweging(en) naar de nek/hals, althans het (boven)lichaam van die [aangever] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 januari 2010 te Rotterdam aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, althans in het (boven)lichaam van die [aangever] te steken en/of prikken;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op één of meer momenten op of omstreeks 25 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, althans in het lichaam, van die [aangever] heeft gestoken en/of geprikt en/of (vervolgens)

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer stekende en/of zwaaiende beweging(en) naar de nek/hals, althans het (boven)lichaam van die [aangever] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Op grond van het dossier en de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden zijn naar het oordeel van het hof de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

Toen de verdachte op 25 januari 2010 snackbar [naam

snackbar] te Rotterdam samen met een vriend binnenkwam, was de sfeer ontspannen. Na enige tijd is er een woordenwisseling tussen aangever [naam eigenaar], de eigenaar van de snackbar, en de verdachte ontstaan, waarna beiden door omstanders uit elkaar zijn gehaald.

Vervolgens heeft de verdachte op een moment dat aangever met omstanders in gesprek was plotseling een mes tevoorschijn gehaald en daarmee met een zwaai in de hals van aangever gestoken. Daarna is de verdachte op enige afstand van aangever blijven staan, waarna hij op aangever is afgelopen en opnieuw met het mes heeft uitgehaald in de richting van de hals van aangever. Met een afwerende beweging heeft aangever voorkomen dat hij door de uithaal van de verdachte werd geraakt en heeft de verdachte het mes losgelaten. Volgens de tijdsvermelding in het proces-verbaal van bevindingen van de videobeelden (2010027113-8) waren tussen de eerste en tweede steekbeweging 50 seconden verstreken.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van

het hof niet komen vast te staan dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden na te kunnen denken en zich hiervan rekenschap te geven. De verdachte heeft beide momenten gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet

- met een mes in de hals van die [aangever] heeft gestoken en vervolgens

- met een mes een stekende beweging naar de hals van die [aangever] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte

het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat

en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu de verdachte geen opzet heeft gehad - ook niet in voorwaardelijke zin - om aangever met het mes van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft met een mes met een lemmet van 7,9 centimeter lengte en 2,5 centimeter breedte gericht in de hals van het slachtoffer gestoken. Hierdoor heeft het slachtoffer een wond van ongeveer 8 cm in de hals tot

in de onderhuid opgelopen. Korte tijd later heeft de verdachte opnieuw met dat mes op korte afstand in de richting van de hals van het slachtoffer gestoken. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat het steken met een mes in de halsstreek dusdanig letsel en bloedverlies kan veroorzaken dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden.

De verdachte heeft die kans blijkens zijn gedragingen willens en wetens aanvaard.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde poging doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in zijn hals te steken. Dat het slachtoffer hierbij niet dodelijk is getroffen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is toe te schrijven. De verdachte heeft kort daarop opnieuw geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven door met het mes een stekende beweging te maken in de richting van zijn hals. Aldus heeft hij ervoor gekozen om andermaal de aanval in te zetten in plaats van weg te gaan. Dankzij de alerte reactie van

het slachtoffer waarmee hij deze tweede aanval van de verdachte wist af te weren, heeft de verdachte het slachtoffer bij de tweede poging niet geraakt.

Door het levensbedreigende handelen van de verdachte heeft hij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke

en psychische integriteit van het slachtoffer.

Dergelijke feiten, gepleegd in een openbare gelegenheid, dragen bovendien een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen bij burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 mei 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van – weliswaar minder recente - geweldsfeiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot doodslag) heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor

de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. G.P.A. Aler en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juni 2014.