Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2128

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
2200533012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een periode van twee maanden drie overvallen gepleegd op een tankstation en twee horecabedrijven, waarbij hij de betrokkenen onder bedreiging van een mes tot afgifte van geldbedragen heeft bewogen. Daarnaast heeft de verdachte zich in dezelfde periode schuldig gemaakt aan vijf (gekwalificeerde) diefstallen en een vernieling; bovendien is hij wederrechtelijk in een woning binnengedrongen.

Straf: GS 6 jr na eis van GS 6 jr met TBS en dwangverpleging

> uitgebreide motivering waarom geen TBS is opgelegd

Uitgebreide bewijsoverwegingen:

Verwerping verweren mbt camerabeelden Opsporing Verzocht, bewijsuitsluiting herkenning VD fotoconfrontatie, betrouwbaarheid en ondeugdelijk onderzoek SelectaDNA (SDNA), alternatieve lezing VD tav aanwezigheid SDNA.

Bewijs op grond van herkenning VD door getuigen naar aanleiding van camerabeelden Opsporing Verzocht, prints camerabeelden (stills) en vergelijkbare modus operandi tav dagvaarding 10-700130-11 feiten 1, 2 en 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 4, p. 143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005330-12

Parketnummers: 10-700130-11 en 10-702355-11

Datum uitspraak: 24 juni 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van
3 april 2013, 25 februari 2014 en 10 juni 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 10-700130-11 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 10-702355-11 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel verpleging van overheidswege opgelegd. Tevens zijn beslissingen gegeven ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 10-700130-11:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[aangever 2] en/of benzinestation [naam A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- trekken van een (groot) mes en/of
- tonen/laten zien van dat (grote) mes aan die [aangever 1] en/of
- over de balie gaan hangen waarachter die [aangever 1] zich bevond en/of
- aan die [aangever 1] toevoegen van de woorden: "Dit is een overval, geen verdachte bewegingen, geen grappen, als je iets doet, steek ik je. Doe alles in een plastic zakje";

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] en/of [aangeefster 4] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer 460 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- op die [aangever 3] aflopen en/of
- tonen en/of voorhouden van een (groot) mes aan die [aangever 3] en/of [aangeefster 4] en/of
- dreigend zwaaien met dat (grote) mes en/of
- (daarbij) die [aangever 3] en/of die [aangeefster 4] de woorden toevoegen: "overval" en/of "geld, geld";

3.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 5] heeft gedwongen tot de afgifte van 1650 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [horecabedrijf B] (vestiging C), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- door een raam van de [horecabedrijf B] binnen dringen/klimmen bij voornoemde vestiging van [horecabedrijf B] en/of
- tonen en/of voorhouden van een (groot) mes aan die [aangever 5] en/of één of meer (andere) daar in die [horecabedrijf B] aanwezige personen/collega's van die [aangever 5] en/of
- richten van een/dat (grote) mes op die [aangever 5] en/of
- aan die [aangever 5] en/of aan één of meer (andere) aanwezige personen/collega's van die [aangever 5], toevoegen van de woorden: "geef alles" en/of "geef al het geld" en/of "ik wil alles hebben" en/of "geen geintjes, lopen" en/of "dit is niet alles, ik geloof je niet, maak geen grapjes" en/of "geen geintjes, bel geen politie, doe geen domme dingen, ik heb nog twee mensen buiten staan, die kunnen zo binnenkomen en jullie snijden", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;


Zaak met parketnummer 10-702355-11:

1.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans één ruit(en) van een (woon)pand gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (een) ste(e)n(en) op/tegen die ruit(en) van dat (woon)pand te gooien en/of (aldus) die ruit(en) van dat (woon)pand kapot te maken;

2.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]) en in gebruik bij [aangeefster 6], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers heeft/is hij, verdachte

- van dat (woon)pand (een) ruit(en) ingegooid, althans kapot gemaakt en/of
- door die (aldus) ontstane opening(en) dat (woon)pand binnengeklommen, althans binnengegaan;

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 31 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (op of aan de [straatnaam D] geparkeerd staande) (personen)auto (merk Renault, kenteken [kentekennummer F]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het contactslot van die (personen)auto in werking te stellen met gebruikmaking van een - niet voor dat gebruik door hem, verdachte, bestemde en aldus, in elk geval - valse sleutel;

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 31 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (woon)pand gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]) heeft weggenomen (een) bankpas(sen)/creditcard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 01 februari 2011 te Rotterdam en/of Valkenburg, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (een bedrag ter grootte van ongeveer Euro 250,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een creditcard/bankpas toebehorende aan [aangeefster 6], althans aan een ander dan verdachte, in een geldautomaat/betaalautomaat te steken en de bij die creditcard/bankpas behorende PIN-code in te toetsen, tot het gebruik van welke creditcard/bankpas hij, verdachte, niet gerechtigd was;

6.

hij op of omstreeks 22 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een eetcafé, gevestigd aan de [straatnaam G]
([nummers H-L]), heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of door middel van valse sleutel(s), te weten door met een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, in elk geval een valse sleutel, een (toegangs)deur van dat café te openen en/of (vervolgens) met een schroevendraaier, in elk geval een breekvoorwerp, een deur van een kantoor in dat café te forceren en/of (vervolgens) met een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, in elk geval een valse sleutel, een kluis, staande in voornoemd kantoor van dat café, te openen;

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 24 januari 2011 te Rotterdam in of uit een woning aan de [straatnaam G] ([nummer M]) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een of meer (gouden) ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Completering van het dossier

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd de zaak af te doen en subsidiair verzocht de zaak aan te houden, teneinde het dossier te kunnen completeren, als door het hof verzocht bij tussenarrest van 25 februari 2014.

Het hof acht het, mede gelet op het standpunt van de raadsman strekkende tot afdoening van de onderhavige zaken, alsmede op de ouderdom van de zaak niet noodzakelijk de zaak aan te houden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, een en ander als vermeld in de door hem ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 overgelegde pleitnotitie.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer

10-700130-11 onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Ter terechtzitting van 10 juni 2014 heeft de raadsman gepersisteerd bij zijn ter terechtzitting van 25 februari 2014 gevoerde verweren.

Het hof overweegt ten aanzien van de door de raadsman gevoerde verweren het volgende.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer
10-700130-11 onder 1 en 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat de camerabeelden getoond in de uitzending van “Opsporing Verzocht” zich niet in het dossier bevinden, waardoor de verklaringen afgelegd door de vier getuigen die de verdachte op deze camerabeelden hebben herkend, niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Naar het oordeel van het hof behoeft dit verweer geen bespreking meer, nu na de zitting van 25 februari 2014 een DVD met daarop de in de uitzending van “Opsporing Verzocht” getoonde camerabeelden in het dossier is gevoegd en de beelden op deze DVD ter terechtzitting van 10 juni 2014 in aanwezigheid van de raadsman en de advocaat-generaal zijn getoond.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de herkenningen van de verdachte door de getuigen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de fotoconfrontaties onverenigbaar zijn met een eerlijke procesvoering.

Het hof overweegt dat sprake is van spontane herkenningen van de verdachte door vier getuigen, zijnde bekenden van de verdachte (zijn zus, ex-vriendin, ex-schoonmoeder en een ex-medegetineerde) op genoemde in “Opsporing Verzocht” getoonde camerabeelden. Ook is naar aanleiding van deze camerabeelden door meerdere van elkaar onafhankelijke getuigen verdachtes naam gemeld bij de politie. Dat de getuigen eerst over de verdachte zijn gehoord alvorens hen foto’s zijn getoond, doet in casu ook geen afbreuk aan de herkenningen, nu uit de verklaringen blijkt dat alle getuigen de beelden bij “Opsporing Verzocht” hadden gezien en daarop de verdachte hadden herkend. De omstandigheid dat door de opsporingsambtenaren aan deze getuigen foto’s zijn getoond van uitsluitend de verdachte, doet, gezien het voorgaande, naar ’s hofs oordeel niet af aan deze herkenningen, en maakt evenmin dat het gebruik van deze ten overstaan van de politie afgelegde getuigenverklaringen in strijd zou moeten worden geacht met een goede procesorde.

Het hof hecht bovendien meer waarde aan de verklaringen van de getuigen afgelegd bij de politie dan hun verklaringen afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Immers, toen deze getuigen door de politie werden gehoord, hadden deze getuigen kort daarvoor de camerabeelden gezien en daarop de verdachte herkend, zodat deze beelden hen nog vers op het netvlies stonden.

Het hof overweegt daarbij tevens dat deze getuigen bij de rechter-commissaris alleen de kwalitatief mindere prints van de camerabeelden (“stills”) hebben gezien. De oorspronkelijke in “Opsporing Verzocht” uitgezonden camerabeelden zijn – naar het hof zelf heeft waargenomen - echter beter van kwaliteit, en bieden vanwege het doorlopende karakter van de beelden, meer aanknopingspunten voor herkenning. Het hof is dan ook van oordeel dat aan de spontane herkenning door de getuigen van verdachte op de beelden van “Opsporing Verzocht” meer bewijswaarde dient te worden toegekend dan aan hun latere twijfel na confrontatie met de stills bij de rechter-commissaris. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer
10-700130-11 onder 1 ten laste (overval op tankstation
De Haan)

De raadsman heeft voorts primair de bewijsuitsluiting van de bevindingen in verband met het SelectaDNA (hierna: SDNA) bepleit, nu de betrouwbaarheid daarvan onvoldoende is gebleken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het SDNA-onderzoek ondeugdelijk is en buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar de huidige stand van de wetenschap kan de precieze bewijswaarde van SDNA (nog) niet wetenschappelijk worden vastgesteld, maar mag naar aanleiding van hetgeen daarover door de deskundigen B.Y. Reichert en
D.J.H. van der Laan ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2012 is verklaard, worden aangenomen dat deze vanwege de uniciteit en specificiteit van het betreffende SDNA (zeer) hoog is.

Anders dan de raadsman is het hof op basis van hetgeen door voormelde deskundigen Reichert en Van der Laan is verklaard, voorts van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de bemonstering respectievelijk het verdere (vergelijkende) onderzoek naar het SDNA op zodanige wijze is uitgevoerd, dat de resultaten daarvan als onbetrouwbaar zouden moeten worden aangemerkt. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de wijze waarop het SDNA in het onderhavige geval is gefabriceerd, verpakt, gemonteerd en is toegepast in het kader van de beveiliging van het tankstation.

De mogelijkheid die de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 naar voren heeft gebracht, te weten dat het SDNA op een andere manier dan tijdens de overval op 19 februari 2011 op verdachtes kleding terecht is gekomen, is naar het oordeel van het hof slechts speculatief, niet nader door de raadsman onderbouwd en voorts niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte zelf, noch ter terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep, een verklaring heeft gegeven hoe redelijkerwijs en rekening houdend met het feit dat het SDNA-spraysysteem geactiveerd moet worden om z’n sproeiwerk te doen, het SDNA op een andere, niet delict gerelateerde, manier op zijn kleding terecht zou zijn gekomen. De verweren dienaangaande worden derhalve verworpen.

Gezien het hiervoor overwogene is het hof dan ook van oordeel dat aan de bevinding dat op de door verdachte gedragen kleding SDNA is aangetroffen dat overeenkomt met het in SDNA-spraysysteem van het tankstation voorkomende SDNA een hoge bewijswaarde kan worden toegekend.

Het hof merkt daarbij op dat het bewijs tegen verdachte in de onderhavige zaak niet alleen steunt op laatstgenoemde bevinding betreffende het op de door verdachte gedragen kleding aangetroffen SDNA. Daarnaast wijzen namelijk ook de volgende bewijsmiddelen op de betrokkenheid van verdachte bij dit feit:

  • -

    de herkenningen van de verdachte door getuigen op de in de uitzending van “Opsporing Verzocht” getoonde camerabeelden;

  • -

    de prints van deze camerabeelden, en

  • -

    de overeenkomsten qua modus operandi (alleen opererende dader, bedreiging met zeer groot mes, deels dezelfde kleding, geen gebruik van vervoermiddelen voor de vlucht in de directe nabijheid van het overvalsobject, plaats delict in de nabijheid van de woonplaats van verdachte) tussen deze beroving en de twee berovingen welke in de tenlastelegging met parketnummer 10-700130-11 onder feit 2. en/of 3. zijn opgenomen. Deze feiten waren kort voor het onderhavige feit gepleegd en verdachte is daarvoor bij arrest van heden ook veroordeeld.

In onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1 ten laste.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer
10-700130-11 onder 2 ten laste (overval op snackbar De Groene Zoom)

Het hof overweegt dat de verdachte bij de overval op snackbar De Groene Zoom op 12 februari 2011 dezelfde modus operandi heeft gebruikt, als bij de overvallen op tankstation De Haan op 19 februari 2011 en op de
Mc Donalds op 28 januari 2011. Ook bij de overval op snackbar De Groene Zoom is de verdachte door getuigen herkend van de beelden van “Opsporing Verzocht”, waarbij ook zijn stem werd herkend. Tevens neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ten tijde van de overval op snackbar De Groene Zoom naar het zich laat aanzien dezelfde jas droeg als ten tijde van de overval op tankstation De Haan, zoals het hof uit eigen waarneming is gebleken uit de ter terechtzitting getoonde camerabeelden van deze overvallen.

Het hof acht op grond van het vorenstaande eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 2 ten laste heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer
10-702355-11 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 10-700130-11:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[aangever 2] en/of benzinestation [naam A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- trekken van een (groot) mes en/of
- tonen/laten zien van dat (grote) mes aan die [aangever 1] en/of
- over de balie gaan hangen waarachter die [aangever 1] zich bevond en/of
- aan die [aangever 1] toevoegen van de woorden: "Dit is een overval, geen verdachte bewegingen, geen grappen, als je iets doet, steek ik je. Doe alles in een plastic zakje";

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] en/of [aangeefster 4] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer 460 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- op die [aangever 3] aflopen en/of
- tonen en/of voorhouden van een (groot) mes aan die [aangever 3] en/of [aangeefster 4] en/of
- dreigend zwaaien met dat (grote) mes en/of
- (daarbij) die [aangever 3] en/of die [aangeefster 4] de woorden toevoegen: "overval" en/of "geld, geld";

3.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 5] heeft gedwongen tot de afgifte van 1650 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [horecabedrijf B] (vestiging [C]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- door een raam van de [horecabedrijf B] binnen dringen/klimmen bij voornoemde vestiging van [horecabedrijf B] en/of
- tonen en/of voorhouden van een (groot) mes aan die [aangever 5] en/of één of meer (andere) daar in die [horecabedrijf B] aanwezige personen/collega's van die [aangever 5] en/of
- richten van een/dat (grote) mes op die [aangever 5] en/of
- aan die [aangever 5] en/of aan één of meer (andere) aanwezige personen/collega's van die [aangever 5], toevoegen van de woorden: "geef alles" en/of "geef al het geld" en/of "ik wil alles hebben" en/of "geen geintjes, lopen" en/of "dit is niet alles, ik geloof je niet, maak geen grapjes" en/of "geen geintjes, bel geen politie, doe geen domme dingen, ik heb nog twee mensen buiten staan, die kunnen zo binnenkomen en jullie snijden", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Zaak met parketnummer 10-702355-11:

1.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans één ruit(en) van een (woon)pand gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (een) ste(e)n(en) op/tegen die ruit(en) van dat (woon)pand te gooien en/of (aldus) die ruit(en) van dat (woon)pand kapot te maken;

2.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]) en in gebruik bij [aangeefster 6], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers heeft/is hij, verdachte
- van dat (woon)pand (een) ruit(en) ingegooid, althans kapot gemaakt en/of
- is hij door die (aldus) ontstane opening(en) dat (woon)pand binnengeklommen, althans binnengegaan;

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 31 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (op of aan de [straatnaam D] geparkeerd staande) (personen)auto (merk Renault, kenteken [kentekennnummer F]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het contactslot van die (personen)auto in werking te stellen met gebruikmaking van een - niet voor dat gebruik door hem, verdachte, bestemde en aldus, in elk geval - valse sleutel;

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 31 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (woon)pand gelegen op of aan de [straatnaam D] (nummer [E]) heeft weggenomen (een) bankpas(sen)/creditcard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2011 tot en met 01 februari 2011 te Rotterdam en/of Valkenburg, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (een bedrag ter grootte van ongeveer Euro 250,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een creditcard/bankpas toebehorende aan [aangeefster 6], althans aan een ander dan verdachte, in een geldautomaat/betaalautomaat te steken en de bij die creditcard/bankpas behorende PIN-code in te toetsen, tot het gebruik van welke creditcard/bankpas hij, verdachte, niet gerechtigd was;

6.

hij op of omstreeks 22 januari 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een eetcafé, gevestigd aan de [straatnaam G]
([nummers H-L), heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of door middel van valse sleutel(s), te weten door met een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, in elk geval een valse sleutel, een (toegangs)deur van dat café te openen en/of (vervolgens) met een schroevendraaier, in elk geval een breekvoorwerp, een deur van een kantoor in dat café te forceren en/of (vervolgens) met een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, in elk geval een valse sleutel, een kluis, staande in voornoemd het kantoor van dat café, te openen;

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 24 januari 2011 te Rotterdam in of uit een woning aan de [straatnaam G] ([nummer M]) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een of meer (gouden) ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

De voortgezette handeling van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

en

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 3 en 5 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 4 en 7 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte

ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer
10-700130-11 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 10-702355-11 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in een periode van twee maanden drie overvallen gepleegd op een tankstation en twee horecabedrijven, waarbij hij de betrokkenen onder bedreiging van een mes tot afgifte van geldbedragen heeft bewogen. De verdachte heeft aldus uitsluitend gehandeld uit financieel gewin, zonder zich rekenschap te geven van de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor de direct betrokkenen. Dergelijke feiten brengen doorgaans nadelige psychische gevolgen voor de betrokkenen teweeg en veroorzaken tevens gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Ondernemers worden bovendien gedwongen allerlei extra kosten te maken teneinde hun medewerkers en de bedrijven te beschermen tegen dit soort feiten.

Daarnaast heeft de verdachte zich in dezelfde periode schuldig gemaakt aan vijf (gekwalificeerde) diefstallen en een vernieling; bovendien is hij wederrechtelijk in een woning binnengedrongen. Bij al deze feiten waren naasten van de verdachte betrokken, te weten zijn moeder, respectievelijk zijn ex-vriendin. De verdachte heeft aldus overlast voor hen veroorzaakt en tevens het in hem gestelde vertrouwen beschaamd.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorende rapportages, zoals hieronder weergegeven:

1.

Een Pro Justitia rapport d.d. 12 september 2013 opgemaakt en ondertekend door psychiater
[deskundige W]. Volgens de deskundige is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogen in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken en van psychopathie en tevens van alcoholmisbruik. De deskundige kan evenwel geen uitspraak doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van de feiten die de verdachte ontkent, te weten de drie overvallen. Ten aanzien van de overige feiten wordt de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht, waarbij vooral het zich niet houden aan normen en waarden, de impulsiviteit en de oneerlijkheid (met gedeeltelijk ontbreken van spijtgevoelens) – alle passend bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis - op de voorgrond staan. Daarnaast zijn ook de psychopathie en de het gebrek aan empathie van belang geweest en heeft alcoholmisbruik bij een aantal van deze feiten een rol gespeeld. Het recidiverisico voor feiten als de onderhavige moet nog als groot worden beschouwd. Dat neemt niet weg dat verdachte in staat mag worden geacht om vroeg of laat criminaliteit af te zweren en voor een ander bestaan te kiezen.
De verdachte heeft grotendeels de wederrechtelijkheid/ongeoorloofdheid van zijn handelen kunnen inzien. De rapporteur acht een verdere poging tot begeleiding en behandeling van verdachte wenselijk, maar de gedachten gaan hierbij niet uit naar een TBS-maatregel, gezien het (relatief) geringe verband tussen stoornis en delict. Een klinische opname lijkt geïndiceerd, bijvoorbeeld in Groot Batelaar. Een vervolg zou dan kunnen plaatsvinden via een ambulant forensisch traject via het Dok of De Waag, met toezicht van de reclassering. Een dergelijke behandeling en begeleiding zouden verdachte kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf.

2.

Een Pro Justitia rapport d.d. 15 augustus 2013 opgemaakt en ondertekend door psycholoog
[deskundige X]. De verdachte heeft diverse malen geweigerd onderzocht te worden, omdat het hem niet uitkwam en de verdachte komt hierin opvallend nonchalant over. Volgens de deskundige zijn er onvoldoende aanwijzingen voor een psychische stoornis in engere zin, wel is sprake van misbruik, mogelijk afhankelijkheid van alcohol, vermoedelijk gerelateerd aan een neiging tot explosieve uitbarstingen. Voorts is er bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling met gedragsstoornissen, welke geleid heeft tot een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken; hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Deze omstandigheden vormen tezamen belangrijke risicofactoren. De risico’s op gewelddadig gedrag worden versterkt door het dreigen met messen bij overvallen in het verleden.

Er kan geen conclusie worden gegeven aangaande de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Nu de verdachte niet wilde praten over de ten laste gelegde feiten en hij slechts zeer summier uitleg gaf over één van die feiten, kan geen duidelijk aantoonbaar verband worden gelegd tussen de diagnose en de ten laste gelegde delicten. Alleen ten aanzien van de diefstal bij zijn schoonmoeder lijkt sprake geweest van een samenhang tussen de antisociale persoonlijkheidsstoornis en verdachtes gedrag in dezen, voor zover hij aangeeft dat hij blijkbaar kon nemen wat hem door die moeder niet gegeven werd. Omdat hij het geld een dag later al weer terug wilde geven, krijgt men de indruk dat er sprake was van een vrij impulsieve actie. Misschien heeft alcoholgebruik ook een rol gespeeld, maar daar zijn onvoldoende aanwijzingen voor. De deskundige kan geen voldoende onderbouwd advies geven, omdat de verdachte niet heeft willen spreken over de ten laste gelegde feiten.

3.

Een rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 24 april 2012, opgemaakt en ondertekend door psychiater drs. [deskundige Y] en psychiater drs. [deskundige Z]. De verdachte heeft zich oppervlakkig gezien coöperatief opgesteld maar heeft in werkelijkheid grotendeels geweigerd om mee te werken, is onbetrouwbaar geweest in de informatie die hij verstrekte en heeft geen openheid van zaken gegeven. Volgens de deskundigen is bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van verslaving aan alcohol, thans in gedwongen remissie, en gebruik van cocaïne. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat uit een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken, tevens zijn er psychopathische kenmerken. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Door de ontkennende houding van de verdachte kunnen slechts op hypothetische basis uitspraken gedaan worden over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Mocht de verdachte slechts door een behoefte aan geld gekomen zijn tot het ten laste gelegde dan kan hij als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden. Mocht er echter ook sprake geweest zijn van een narcistische component in zijn gedrag en verdachte niet alleen door geldzucht ook door een behoefte om zijn zelfbeeld te repareren, is het advies om hem als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog tot zeer hoog; de problematiek van de verdachte behoeft behandeling om de kans op recidive terug te dringen. Indien er, ondanks de moeilijke behandelbaarheid, voor wordt gekozen om een behandeling op te leggen, kan dit slechts plaatsvinden binnen het juridisch kader van een TBS met dwangverpleging. Een voorwaardelijk kader is, gezien de verschillende schendingen van afspraken in het verleden, niet meer aan de orde.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen het Reclasseringsadvies van Bouman GGZ d.d. 12 mei 2011.

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat aan de verdachte een andere straf zal worden opgelegd dan de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Dienaangaande overweegt het hof allereerst dat de deskundigenadviezen omtrent de noodzaak en wenselijkheid van oplegging van de TBS-maatregel niet eenduidig zijn.

Voorts is de verdachte - blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 – thans bereid mee te werken aan een behandeling in
Groot Batelaar, ook als deze aanvankelijk in een intramurale setting plaatsvindt.

Tenslotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte drie overvallen heeft gepleegd waarbij hij weliswaar ernstige bedreigingen heeft geuit, vooral ook door zich met steekmiddelen van aanmerkelijke omvang te ‘wapenen’, maar hij niet is overgegaan tot enige daadwerkelijke geweldstoepassing jegens de slachtoffers. Het hof ziet op grond van de thans bewezen verklaarde feiten en de inhoud van het dossier onvoldoende grondslag voor de stelling dat het gedrag van verdachte ten opzichte van het verleden steeds gewelddadiger zou worden en/of dat er bij terugkeer van verdachte in de samenleving voorzienbare grote fysieke risico’s voor anderen zullen ontstaan.

Gezien het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat evenmin kan worden gezegd, dat thans slechts de gevorderde TBS-maatregel geëigend is om verdachte een behandeling te doen ondergaan waarmee het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggedrongen. Deze - ook door het hof noodzakelijk geachte behandeling - zal namelijk naar moet worden aangenomen ook plaats kunnen vinden in het kader van de invulling van de voorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel, dat de door de wet voor de oplegging van de
TBS-maatregel geëiste noodzaak met betrekking tot de veiligheid van personen thans niet in voldoende mate is gebleken.

Gezien de ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten, alsook het voortgaande karakter van verdachtes strafbare handelen, acht het hof oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar. Voor de duur daarvan is mede aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten.

Vorderingen benadeelde partijen

Vordering tot schadevergoeding Benzinestation [naam A]

In het onderhavige strafproces heeft Benzinestation
[naam A] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 10-700130-11 onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.346,66.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Benzinestation [naam A] tot een bedrag van € 846,66, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1 bewezen verklaarde. Het hof acht de post “verlies kasgeld” voldoende onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 765,30 worden toegewezen.

Het hof acht de posten “dubbele personele bezetting”
(€ 81,36) en “extra cameratoezicht” (€ 500,-) onvoldoende onderbouwd. Voor zover de vordering ziet op deze posten, levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige
niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
Benzinestation [naam A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 765,30 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Benzinestation [naam A].

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 7]

In het onderhavige strafproces heeft zich [aangeefster 7]

als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer
10-702355-11 onder 6 en 7 ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal € 12.940,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en
niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.500,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 6 en 7 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster 7]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster 7].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 138, 310, 311, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer
10-702355-11 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Benzinestation [naam A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Benzinestation [naam A] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-700130-11 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 765,30 (zevenhonderdvijfenzestig euro en dertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Benzinestation [naam A], een bedrag te betalen van € 765,30 (zevenhonderdvijfenzestig euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-702355-11 onder 6 en 7 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 7], een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. A. Kuijer en mr. J.W. van Rijkom, in bijzijn van de griffier
mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2014.