Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2030

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
200.138.928-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging van bestreden beschikking waarin de vader is ontslagen als curator en een opvolgend curator is benoemd. Gewichtige redenen om over te gaan tot ontslag van de curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 mei 2014

Zaaknummer : 200.138.928/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 13-87960

Zaaknummer rechtbank : 2366284

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader (van de betrokkene),

advocaat: mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver,

tegen

het Openbaar Ministerie,

Arrondissement Den Haag, waarvoor in het hoger beroep in de plaats treedt:

Ressortsparket Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: het OM.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. M. Faouzi te Zoetermeer;

2. Jeanette KION,

kantoorhoudende te Zoetermeer,

hierna te noemen: de (opvolgend) curator.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, zijn aangemerkt:

1. de Stichting Mee Zuid-Holland Noord,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: Mee;

2. Ipse de Bruggen,

gevestigd te Zwammerdam,

hierna te noemen: Ipse de Bruggen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 13 december 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 oktober 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Het OM heeft op 13 februari 2014 een verweerschrift ingediend en het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De betrokkene heeft op 25 februari 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 9 januari 2014 een brief van 8 januari 2014 met als bijlage een V-formulier van 3 januari 2014 met bijlagen;

- op 20 januari 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de betrokkene:

- op 26 februari 2014 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 10 april 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, kantoorgenoot van zijn advocaat en [de persoonlijk begeleider van de vader];

  • -

    de opvolgend curator;

  • -

    mr. C.J.A. Boere, kantoorgenoot van mr. Faouzi;

  • -

    [de persoonlijk begeleider van betrokkene] en [gedragsdeskundige] namens Ipse de Bruggen.

De advocaat van de vader en de advocaat van rechthebbende hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. De betrokkene en het OM zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de vader met ingang van 4 oktober 2013 ontslagen als curator over de betrokkene, onder benoeming van de opvolgend curator.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de persoon van de curator.

2. De vader verzoekt het hof het door hem ingestelde hoger beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vader als curator van de betrokkene aan dient te blijven, kosten rechtens.

3. Het OM verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De betrokkene verzoekt het hof bij beschikking:

  1. het hoger beroep van de vader tegen de bestreden beschikking ongegrond te verklaren;

  2. de wijziging van de curatele van de betrokkene in de handen van de opvolgend curator, mevrouw Kion, in stand te houden;

  3. de vader te veroordelen in de proceskosten.

5. De vader voert het volgende aan. De vader betwist dat hij door zijn leeftijd of psychisch functioneren niet in staat zou zijn om zijn taken als curator naar behoren uit te voeren. De vader betwist voorts dat sprake zou zijn van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:385 eerste lid aanhef en onder d van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). De vader is weliswaar aangehouden op verdenking van verwaarlozing van de betrokkene, maar deze zaak is geseponeerd. Voorts voert de vader aan dat benoeming van een derde als curator een onevenredige inbreuk maakt op zijn gezins- en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, nu de vader zijn overleden echtgenote heeft beloofd altijd voor hun dochter te blijven zorgen en hij bereid en in staat is om zelf als curator op te treden. De vader betwist dat hij daarbij enkel zou handelen uit plichtsbesef. Daarnaast stelt de vader dat de betrokkene de hulp en zorg krijgt die zij nodig heeft. De vader neemt zijn verantwoordelijkheid en schakelt zo nodig hulp van derden in. Tot slot betwist de vader dat de betrokkene bang voor hem zou zijn.

6. Het OM verweert zich daartegen als volgt. Diverse geneeskundige hulpverleners, waaronder de huisarts, hebben hun zorgen geuit over de zorgsituatie van de betrokkene. De problematische zorgsituatie wordt bevestigd door het incident op 9 september 2013, waarbij de politie betrokken is geweest en naar aanleiding waarvan een contactverbod van dertig dagen is opgelegd. Dat het OM de strafzaak tegen de vader heeft geseponeerd, doet daaraan niet af, nu de reden voor het sepot daarin gelegen was dat vervolging in strijd zou zijn met de belangen van betrokkene. Daargelaten de vraag of de betrokkene (nog steeds) bang is voor de vader en of er iets mis is met het psychisch functioneren van de vader, staat gelet op het vorenstaande naar mening van het OM vast dat de zorgsituatie dermate problematisch is dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:385 eerste lid aanhef en onder d BW.

7. De betrokkene stelt dat de vader door zijn hoge leeftijd niet meer in staat is om de zorg voor haar op zich te nemen. De vader delegeerde de zorg voor de betrokkene aan derden, maar desondanks is de gezondheid van de betrokkene de afgelopen jaren ernstig achteruit gegaan. De betrokkene heeft in vier jaar tijd vijfmaal in het ziekenhuis gelegen in verband met ernstig ondergewicht en uitdroging, en zij is zelfs eenmaal in coma geraakt. Daarnaast was de woning van de vader, waarin hij samen met betrokkene woonde, ernstig vervuild. De betrokkene is van mening dat de vader door het verlies van zijn partner niet meer in staat is geweest om rationeel te denken en te handelen. Uit het begeleidingsplan crisisopname van 12 september 2013 van Ipse de Bruggen blijkt eveneens dat de vader na het overlijden van zijn echtgenote volledig geïsoleerd is geraakt en alle hulp- en zorgverlening aan de kant heeft geschoven. De betrokkene stelt dat uit het voorgaande blijkt dat de vader zowel fysiek als psychisch niet in staat is (geweest) de zorg voor haar op zich te nemen. De betrokkene voert voorts aan dat het feit dat de strafzaak tegen de vader is geseponeerd niet betekent dat de grondslag aan de beslissing tot wijziging van de curator zou zijn ontvallen. Immers, de strafzaak is niet geseponeerd omdat er onvoldoende bewijsmiddelen zouden zijn voor de mishandeling door de vader, maar omdat de betrokkene bij een veroordeling van de vader zonder curator zou komen te zitten, hetgeen niet in haar belang zou zijn geweest. Voorts voert de betrokkene aan dat een tweede gewichtige reden in de zin van artikel 1:385 eerste lid aanhef en onder d BW is gelegen in de financiële wanorde die de vader teweeg heeft gebracht. De vader pinde maandelijks – ook nog eenmaal toen hij al was ontslagen als curator – grote bedragen van de rekening van de betrokkene, hetgeen er toe heeft geleid dat de betrokkene onvoldoende geld tot haar beschikking had om in haar primaire levensbehoeften te voorzien. De betrokkene stelt voorts dat de vader jarenlang inbreuk heeft gemaakt op haar recht op haar uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op privéleven, alsmede op haar in artikel 11 Grondwet vastgelegde recht op onaantastbaarheid van haar lichaam. De betrokkene stelt dat haar belangen dienaangaande dienen te prevaleren boven de belangen van de vader. De betrokkene wijst er in dat kader op dat de vader nimmer initiatief heeft genomen om haar te bezoeken, te kijken hoe het met haar gaat of telefonisch contact met haar op te nemen. Tot slot stelt de betrokkene dat zij wel degelijk angst heeft voor de vader, hetgeen ook duidelijk naar voren komt uit het verslag van de eerste observatieperiode, opgesteld door haar persoonlijk begeleider en de gedragsdeskundige van Ipse de Bruggen.

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:385, eerste lid onder d, BW kan een curator wegens gewichtige redenen worden ontslagen. Aan het hof ligt derhalve ter beoordeling voor of de vader ernstig is tekortgeschoten in zijn taak als curator. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich met het oordeel van de kantonrechter en de gronden waarop dat berust. Naar het oordeel van het hof zijn door de vader in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking. Uit de brief van 23 september 2013 van de behandelend artsen in het ziekenhuis, de verslagen van Ipse de Bruggen en de verklaringen ter terechtzitting van de gedragsdeskundige en de persoonlijk begeleider van de betrokkene komt naar voren dat de betrokkene bang is voor de vader en signalen van een trauma laat zien (angst en paniek, permanente verhoogde waakzaamheid, introversie, huilbuien, verdriet, aanklampend gedrag, wisselende concentratie, passiviteit en biologische disregulatie) en dat zij veel gezondheidsklachten had (een schimmelinfectie in haar mond, een slecht onderhouden gebit dat in zeer slechte staat verkeert, niet goed op medicatie ingestelde hypothyroïdie en eet- en drinkproblemen), waarvoor geen adequate behandeling was geboden. De vader bagatelliseert de problemen, legt de oorzaak daarvan buiten zichzelf en lijkt de ernst daarvan niet in te zien. Uit de verklaring van de vader ter terechtzitting blijkt dat hij de betrokkene na een vorige ziekenhuisopname met een steekwagen van de auto naar haar kamer heeft vervoerd, omdat hij haar niet op een andere manier in bed kon krijgen. Uit deze verklaring leidt het hof af dat de vader ook fysiek onvoldoende is toegerust geweest om de zorg voor de betrokkene op een menswaardige manier op zich te nemen.

9. Ten aanzien van de stelling van de vader dat zijn ontslag als curator over de betrokkene inbreuk maakt op het familie- en gezinsleven overweegt het hof nog het volgende. Hier doet zich een geval voor van gerechtvaardigde inmenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, namelijk van inmenging als bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de fysieke en psychische verzorging en lichamelijke integriteit van de betrokkene. Daarbij merkt het hof nog op dat de vader geen enkel initiatief heeft genomen om met de betrokkene in contact te komen en op die wijze de familieband enigszins te herstellen. Weliswaar was de vader een contactverbod opgelegd, zodat direct contact tussen de vader en de betrokkene enige tijd uitgesloten is geweest, maar het stond de vader vrij bij de instelling waar betrokkene verbleef naar haar welzijn te informeren, of zijn belangstelling voor betrokkene te laten blijken door haar een kaartje of een kleine attentie te zenden. De vader heeft dit alles nagelaten.

10. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat er gewichtige redenen zijn geweest – die tot op heden niet zijn weggenomen – om de vader te ontslaan als curator, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen bespreking meer, nu dit niet leidt tot een ander oordeel.

11. Het hof ziet in de door beide partijen over en weer aangedragen argumenten geen aanleiding om één van partijen in de kosten van de onderhavige procedure te veroordelen. Het hof zal derhalve, zoals te doen gebruikelijk in familierechtelijke aangelegenheden, bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draag.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van den Wildenberg en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2014.