Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2018

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
2200077114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering

In de onderhavige zaak is de verdachte de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig. Een schriftelijke vertaling van de dagvaarding of schriftelijke mededeling als hiervoor bedoeld, is hem echter niet verstrekt. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat aldus niet is voldaan aan het in voornoemd artikel bepaalde.

Uit de geschiedenis van de Wet vertolking en vertaling in strafprocedures, waarin onder meer artikel 260 lid 5 Sv is opgenomen, blijkt dat de wetgever bewust heeft bepaald dat de vertaling of mededeling schriftelijk moet worden verstrekt.

Het vorengaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dit uitdrukkelijk heeft verlangd, zal het hof de zaak terugverwijzen naar de politierechter ter afdoening met inachtneming van het hiervoor bepaalde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000771-14

Parketnummer: 10-681030-14

Datum uitspraak: 19 juni 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1986,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 mei 2014 en 5 juni 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding nietig verklaard.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de inleidende dagvaarding geldig zal worden verklaard en dat de zaak zal worden teruggewezen naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling wordt gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen bedoeld in het derde lid, tweede volzin en het vierde lid.

In de onderhavige zaak is de verdachte de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig. Een schriftelijke vertaling van de dagvaarding of schriftelijke mededeling als hiervoor bedoeld, is hem echter niet verstrekt. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat aldus niet is voldaan aan het in voornoemd artikel bepaalde.

Door de verdediging is bepleit dat dit verzuim tot nietig verklaring van de dagvaarding moet leiden.

Het gaat echter niet om een verzuim dat volgens de wet met nietigheid is bedreigd (geen formele nietigheid). Het betreft ook geen onherstelbaar verzuim, maar een verzuim dat nog hersteld kan worden. Daartoe dient het Openbaar Ministerie dan ook in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld. Dit betekent dat het onderzoek ter terechtzitting zou moeten worden geschorst opdat aan de verdachte alsnog een vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 260, vijfde lid Sv wordt gedaan.

De advocaat-generaal heeft zich nog op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door het verzuim is geschaad. De dagvaarding is immers op het politiebureau door een tolk vertaald, een tolk ter terechtzitting kan ook de tenlastelegging vertalen en het gaat om relatief eenvoudige feiten, terwijl uit de verhoren bij de politie blijkt dat de verdachte wist waarvan hij werd verdacht. Volgens de advocaat-generaal had de zaak dan ook (naar het hof begrijpt: door de politierechter) zonder aanhouding van de behandeling kunnen worden afgedaan, zo nodig door alsnog ter zitting de tenlastelegging door een tolk te laten vertalen.

Dit standpunt van de advocaat-generaal is onjuist, reeds omdat een schriftelijke vertaling of een schriftelijke mededeling een meerwaarde heeft, vergeleken met een mondelinge vertaling of vertolking. Uit de geschiedenis van de Wet vertolking en vertaling in strafprocedures, waarin onder meer artikel 260 lid 5 Sv is opgenomen, blijkt dat de wetgever bewust heeft bepaald dat de vertaling of mededeling schriftelijk moet worden verstrekt.

Het vorengaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dit uitdrukkelijk heeft verlangd, zal het hof de zaak terugverwijzen naar de politierechter ter afdoening met inachtneming van het hiervoor bepaalde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. P.C. Römer en mr. E.C. van Veen, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juni 2014.