Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1976

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.148.381/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; beroep op weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b HKOV afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 4 juni 2014

Zaaknummer : 200.148.381/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1509

Zaaknummer rechtbank : C/09/461157

[verzoekster],

verzoekster in hoger beroep,

wonende in Nederland op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats 1], Spanje,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. van Toorn te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 6 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 april 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vader heeft op 19 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de moeder de volgende stukken ingekomen:

- op 9 mei 2014 een akte nadere uitlating met bijlagen;

- op 13 mei 2014 een brief van 12 mei 2014 met als bijlage een V-formulier van 12 mei 2014 met bijlage.

De raad heeft bij brief van 13 mei 2014 zijn rapport van 31 maart 2014 aan het hof overgelegd, met de mededeling ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 20 mei 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk in de Spaanse taal de heer A. Cavero;

- mevrouw J.J. de Kok en mevrouw K.A. Hompert namens de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 17 maart 2014 van de rechtbank Den Haag, en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking is de behandeling van de verzoeken van de vader tot – kort samengevat – teruggeleiding en voorlopige voogdij aangehouden tot 7 april 2014 pro forma en is de raad verzocht met spoed een onderzoek te verrichten en uiterlijk drie dagen voor voornoemde datum het rapport aan de rechtbank te zenden en daarin antwoord te geven op de volgende vragen:

  • -

    voor welke problematiek wordt de na te noemen minderjarige [de minderjarige] behandeld?

  • -

    wat houdt het hulpverleningstraject in?

  • -

    is er vanuit de hulpverlening contact met de vader opgenomen en zo nee, waarom niet?

  • -

    is behandeling van [de minderjarige] noodzakelijk en zo ja, waar dient die behandeling plaats te vinden?

  • -

    wat zijn de mogelijkheden in Spanje om adequate voorzieningen te treffen om de bescherming van[de minderjarige] na de terugkeer te verzekeren?

De raad is hierbij verzocht om ook [minderjarige 2] bij het onderzoek te betrekken omdat zij met [de minderjarige] en de moeder in gezinsverband samenleeft en de beschuldigingen van de moeder jegens de vader ook haar betreffen.

Bij de bestreden beschikking is de terugkeer gelast van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te[woonplaats 2], Spanje (hierna ook: de minderjarige), uiterlijk op 7 mei 2014, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Spanje en is bevolen, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Spanje, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 7 mei 2014, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Spanje.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond vanaf 2001/2002 tot kort na de geboorte van de minderjarige op 27 maart 2010, en van medio 2011 tot december 2012;

  • -

    De vader heeft de minderjarige erkend;

  • -

    Bij uitspraak van [datum 1] februari 2013 is door de Spaanse rechter bepaald dat de minderjarige bij de moeder zal wonen en is een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald. Medio 2013 is deze omgangsregeling korte tijd opgeschort geweest;

  • -

    De vader heeft een Engelse vertaling van een uitspraak van [datum 2] november 2013 van de Spaanse rechter overgelegd waarin bepaald wordt dat de minderjarige bij de vader zal wonen en tevens zou een omgangsregeling met de moeder zijn bepaald. De moeder betwist de rechtsgeldigheid van deze uitspraak;Uit de moeder zijn voorts nog twee kinderen geboren: [minderjarige 2], op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 1] (hierna ook: [minderjarige 2]) en [kind 3], op [geboortedatum 3] 1994 te [geboorteplaats 2] (hierna ook [kind 3]);

  • -

    De vader heeft de Spaanse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit, de minderjarige heeft de Spaanse en de Nederlandse nationaliteit;

  • -

    De moeder is met [minderjarige 2] en de minderjarige op 4 september 2013 van Spanje naar Nederland vertrokken;

  • -

    De minderjarige verblijft sindsdien met de moeder in Nederland;

  • -

    Op 22 januari 2014 heeft de vader zich tot de Centrale Autoriteit in Nederland gewend;

  • -

    Bij beschikking van 17 maart 2014 is de minderjarige door de rechtbank Den Haag voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg van 7 april 2014 tot 7 juli 2014.

In hoger beroep is voorts het volgende komen vast te staan:

  • -

    De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2];

  • -

    De gewone verblijfplaats van de minderjarige was Spanje voor hij naar Nederland werd overgebracht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje.

2.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje af te wijzen, kosten rechtens.

3.

De vader verweert zich daartegen.

Ernstig risico van lichamelijk of geestelijk gevaar (artikel 13 lid 1 sub b Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, hierna ook: HKOV)

4.

De moeder meent dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13 sub b HKOV. Er bestaat een ernstig risico dat de minderjarige door zijn terugkeer naar Spanje wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. Om die reden had het verzoek van de vader om teruggeleiding moeten worden afgewezen. In maart 2013 heeft de moeder aangifte gedaan bij de Spaanse politie van misbruik door de vader van de kinderen. Dit heeft in de zomer 2013 geleid tot een gerechtelijke stopzetting van de omgangsregeling. De aangifte was gestoeld op de bevestiging van [minderjarige 2] en de gedragingen en problematiek van de minderjarige. [kind 3], de oudste dochter van de moeder, was hoofdgetuige. De moeder was er inmiddels ook achter gekomen dat de vader op zijn computer een zeer grote collectie naaktfoto’s en video’s van hemzelf en de minderjarige heeft opgeslagen. Naar aanleiding van de ernstige aanwijzingen is de moeder Spanje ontvlucht. Na aankomst in Nederland is er door de hulpverlening van de moeder een melding bij het AMK gedaan. Door de raad en door Jeugdzorg is een onderzoek gedaan naar de situatie van de minderjarige en [minderjarige 2]. Voorts is de moeder in december 2013 door de huisarts naar het UMC Utrecht afdeling Psychotrauma voor Kinderen en Jongeren doorverwezen. Op korte termijn wordt de behandeling van de kinderen gestart. Uit diverse door de moeder overgelegde stukken blijkt dat het niet goed gaat met de kinderen. Uit het rapport van het Centro [naam centrum] van [datum 3] 2013 volgt dat er wel degelijk redenen zijn om aan te nemen dat een terugkeer van de minderjarige naar zijn vader lichamelijk of geestelijk gevaar voor de minderjarige zal opleveren. Dit rapport toont aan dat er sprake is van seksueel misbruik door de vader van de minderjarige.

5.

In aanvulling op haar beroepschrift heeft de moeder bij akte nadere uitlating aangevoerd dat de teruggeleiding van de minderjarige naar zijn vader in Spanje zal betekenen dat hij zijn moeder en zussen niet meer zal zien hetgeen in strijd is met artikel 8 EVRM. Aangezien de vader in Spanje de voogdij heeft gekregen over de minderjarige vreest de moeder dat de vader zal proberen het eenhoofdige gezag over de minderjarige te verkrijgen. De moeder vreest dat zij daardoor de minderjarige niet meer zal zien. Daarbij zal het uit elkaar halen van de minderjarige en zijn zussen een ondraaglijke situatie opleveren.

Verder wenst de moeder niet terug te keren naar Spanje. Dit is ook haast onmogelijk voor haar omdat zij geen woning en geen werk meer heeft in Spanje. Daarnaast gaat de vader van[minderjarige 2], die in Nederland woont, niet akkoord met terugkeer van [minderjarige 2] naar Spanje. Het gezin van de moeder zal volledig uit elkaar worden getrokken indien de minderjarige moet terugkeren naar Spanje.

6.

De vader verweert zich daartegen – kort gezegd – als volgt. De vader stelt dat hij samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige. De rechtbank in Spanje heeft bij beslissing van 19 november 2013 de minderjarige toegewezen aan de vader. In deze procedure heeft de moeder verweer gevoerd maar toen bleek dat zij niet in het gelijk werd gesteld, heeft zij de minderjarige zonder toestemming van de vader meegenomen naar Nederland. De uitspraak van de Spaanse rechtbank van [datum 4] november 2013 dient volgens de vader in Nederland direct en zonder aparte procedure erkend te worden. In de beschikking is niet expliciet vermeld dat de minderjarige aan zijn vader wordt toevertrouwd en in Spanje zijn hoofdverblijf heeft bij de vader; daarom moest de vader een beroep doen op het HKOV en Brussel II bis voor teruggeleiding van de minderjarige.

Hetgeen de moeder stelt omtrent vermeend misbruik e.d wordt door de vader ten stelligste ontkend.

Geconcludeerd moet worden dat de moeder de minderjarige onrechtmatig heeft overgebracht en onrechtmatig achterhoudt in de zin van het HKOV en Brussel II bis. Het verzoek van de vader is gedaan binnen een jaar zodat niet toegekomen wordt aan de toetsing van de worteling van de minderjarige in Nederland.

De vader betwist voorts dat sprake is van een weigeringsgrond ex artikel 13 van het HKOV. Ook het aanvullend criterium van artikel 11 Brussel II bis geldt omdat het hier Spanje en Nederland betreft. Hieruit volgt dat een gerecht de terugkeer van het kind niet op grond van artikel 13 van het HKOV kan weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van de minderjarige na terugkeer te verzekeren. Dit laatste is het geval, aldus de vader.

De vader is tot op heden niet voornemens geweest om het eenhoofdig gezag te verzoeken maar zal wel het belang van de minderjarige in het oog houden.

7.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de moeder de minderjarige onrechtmatig heeft overgebracht van Spanje naar Nederland en daar onrechtmatig achterhoudt in de zin van het HKOV en Brussel II bis.

8.

De moeder doet, om teruggeleiding van de minderjarige te voorkomen, een beroep op de in artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV genoemde weigeringsgrond. Het hof stelt voorop dat de rechter van de aangezochte staat niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het verdrag brengen met zich dat de weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. Dit betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat deze weigeringsgrond aanwezig is.

9.

Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de moeder heeft nagelaten de foto’s en de brieven waar zij in haar betoog op de zitting van het hof een beroep op doet, en die naar haar mening haar verzoek om niet tot teruggeleiding over te gaan onderbouwen, in het geding te brengen. Waar het de foto’s betreft klemt dit naar het oordeel van het hof temeer nu de harde schijf waarop dit fotomateriaal zich kennelijk bevindt reeds vanaf het vertrek van de moeder uit Spanje in september 2013 in haar bezit is. Naar het oordeel van het hof zijn er, mede gelet op de wel overgelegde stukken en de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond, geen aanwijzingen om aan te nemen dat sprake is van een ernstig risico dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, zodat de conclusie moet zijn dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV zich niet voordoet.

10.

Nu geen sprake is van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV of van de andere in artikel 13 van het HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. Dit belang strekt er enerzijds toe dat het kind zo snel mogelijk wordt herenigd met zijn ouders zodat de ene ouder niet een onredelijk voordeel zal behalen uit tijdsverloop en anderzijds te verzekeren dat zijn/haar ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vader betrokken is bij de minderjarige. Daarnaast is niet gebleken dat bij terugkeer van de minderjarige de vader niet in staat zou zijn om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen. Voorts heeft de rechtbank contact gehad met de Spaanse liasonrechter en deze heeft bevestigd dat er in Spanje voldoende beschermingsmaatregelen getroffen kunnen en zullen worden indien dit voor de minderjarige nodig mocht blijken. Ook de Nederlandse raad voor de kinderbescherming kan, indien nodig, zorg dragen dat er in Spanje beschermingsmaatregelen worden genomen.

Bovendien kan de moeder met de minderjarige gezamenlijk terugkeren naar Spanje, in hoger beroep is niet gesteld, noch gebleken is dat er een arrestatiebevel is uitgegeven ten aanzien van de moeder. De moeder heeft gesteld dat zij, in het geval het hof tot bekrachtiging van de teruggeleiding zal beslissen, naar alle waarschijnlijkheid niet met de minderjarige mee terug gaat naar Spanje nu zij daar geen werk of een woning heeft. Als gevolg daarvan zal haar gezin uit elkaar vallen. Het hof ziet dit als een eigen (vrijwillige) keuze van de moeder, nu er zijdens de moeder geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die er aan in de weg staan dat de moeder met de minderjarige naar Spanje verhuist. Dat de moeder thans geen huisvesting en inkomen in Spanje zou hebben, betekent niet dat zij die niet in de toekomst kan verwerven. Daarmee verwerpt het hof eveneens het beroep van de moeder op artikel 8 van het EVRM. Het hof ziet niet in waarom de moeder, indien de minderjarige naar Spanje terugkeert, geen contact met de minderjarige zou kunnen blijven houden en neemt daarbij de verklaringen van de vader over zijn bereidheid contacten tussen de moeder en de minderjarige te zullen stimuleren in aanmerking. Verder heeft de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] zodat het haar in die zin vrij staat om [minderjarige 2] mee te nemen naar Spanje.

11.

Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en de teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje zal worden gelast, uiterlijk op 7 juni 2014.

Proceskosten

12.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat ten aanzien van de datum van teruggeleiding wordt beslist als volgt:

gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige [de minderjarige], geboren op[geboortedatum 4] 2010 te [geboorteplaats 3], Spanje naar Spanje uiterlijk op 7 juni 2014, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Spanje en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Spanje, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven op uiterlijk 7 juni 2014, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Spanje;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep tussen de partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Labohm en Van Kempen, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2014.