Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1973

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.136.363/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vaststellen van de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens. Analoge toepassing artikel 1:25c BW voor houder Ranov-vergunning? Verklaring voor recht mbt bewijsnood ten behoeve van naturalisatieprocedure?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/57.9

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 april 2014

Zaaknummer : 200.136.363/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-1214

Zaaknummer rechtbank : C/09/437216

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de verzoekster,

advocaat mr. J.F. Jim te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,

zetelend te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door: [naam ambtenaar],

hierna te noemen: de ambtenaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De verzoekster is op 29 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 juli 2013 van de rechtbank Den Haag.

De ambtenaar heeft op 7 januari 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de verzoekster:

- op 19 november 2013 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum, met bijlage.

De zaak is op woensdag 12 maart 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat mr. M.A. Collet en een tolk mevrouw L. Rijkers-Li en vergezeld van haar dochter en van mr. Jim;

- de heer [naam ambtenaar] en de heer[ambtenaar2] namens de ambtenaar.

De advocaat van de verzoekster heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken, primair: om de voor het opmaken van de geboorteakte van verzoekster noodzakelijke gegevens vast te stellen, en subsidiair: om een verklaring voor recht af te geven dat verzoekster al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

De verzoekster verzoekt het hof:

  • -

    primair de bestreden beschikking te vernietigen en het primaire verzoek in eerste aanleg toe te wijzen;

  • -

    subsidiair een verklaring voor recht te verstrekken dat verzoekster reeds alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte, aldus het subsidiaire verzoek in eerste aanleg toe te wijzen.

2.

De ambtenaar verzet zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking, al dan niet met aanvulling/verbetering van de gronden, te bekrachtigen.

3.

De verzoekster stelt – onder meer – dat gelet op haar bijzondere situatie er wel analoge toepassing had dienen plaats te vinden van artikel 1:25c, eerste lid, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek (BW). De verzoekster is op asielgronden naar Nederland gevlucht. Na vele procedures om een verblijfsvergunning asiel te krijgen, heeft verzoekster na 17 jaar een verblijfsvergunning regulier gekregen, de pardonvergunning. Hierdoor werd zij vrijgesteld van de geboorteakte en het paspoortvereiste. De door de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State veroorzaakte waterscheiding tussen regulier en asiel, en door dat de vreemdeling niet meer kan doorprocederen voor een betere status als men al een verblijf had, worden vreemdelingen als de verzoekster belemmerd om volwaardig Nederlander te worden. De verzoekster blijft hierdoor semi-staatloos en is tweederangsburger geworden.

Doordat de verzoekster via de pardonregeling een vreemdeling is met een reguliere status, worden er aan haar dezelfde regels voorgelegd als voor alle anderen die in aanmerking willen komen voor naturalisatie, terwijl iemand met een asielstatus in het kader van naturalisatie geen geboorteakte en geldig nationaal paspoort hoeft over te leggen. Door dit beleid wordt de integratie van de pardonners bemoeilijkt en is er sprake van discriminatie.

De verzoekster heeft geen paspoort, er is geen registratie van de verzoekster gevonden in China, hetgeen ook niet vanzelfsprekend is omdat voordat een registratie in de Hukou (Chinees huishoudregistratiesysteem) kan plaatsvinden eerst een geboortevergunning dient te worden aangevraagd, waarna een paspoort kan worden aangevraagd.

De eisen aan naturalisatie zijn door de IND aangescherpt. Van de verzoekster kan niet worden verlangd dat zij een geboorteakte overlegt terwijl dat in de asielprocedure niet hoefde. Volgens de verzoekster valt haar situatie ook onder de toepassing van artikel 1:25c, eerste lid, aanhef en onder b BW. Dit artikel dient dan ook analoog te worden toegepast.

Verder stelt de verzoekster dat de rechtbank niet had mogen oordelen dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om een bepaalde groep mensen de mogelijkheid te bieden om het onderhavige verzoek te doen, daar waar de wetgever die mogelijkheid niet heeft geboden. De verzoekster betoogt dat de rechter juist een rechtsvormende taak heeft op grond van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO). Die taak biedt mogelijkheden om ruimte te scheppen en het discriminerende beleid van de IND te doorbreken.

Volgens de verzoekster heeft de rechtbank haar ten onrechte niet ontvankelijk verklaard in haar beroep op artikel 1:26 BW, haar subsidiaire verzoek. De verzoekster heeft door een advocaat in China onderzoek laten verrichten naar haar identiteitsgegevens hetgeen het uiterste is wat van haar verlangd kan worden om te doen ter bevestiging dat zij niet in het bezit is van enige identiteitsdocumenten. Bewijsnood in het geval van de verzoekster wordt echter niet aangenomen. Om jarenlange procedures in het bestuursrecht te voorkomen heeft de verzoekster gekozen voor een civiele procedure. De IND gaat bij naturalisatie uit van het ambtsbericht China 2012 waarin vereisten staan, zoals het overleggen van een buitenlandse akte dan wel een buitenlandse (rechterlijke) uitspraak, die niet realiseerbaar zijn, aldus de verzoekster.

De verzoekster stelt voorts dat de rechtbank door haar beslissing in de hand werkt dat de discriminatoire situatie ten aanzien van vreemdelingen wordt bestendigd, hetgeen in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en het EVRM, het gelijkheidsbeginsel. De onderzoekster betoogt – onder meer – dat artikel 1:25c BW als doel heeft een oplossing te bieden voor personen die niet in het bezit zijn van een geboorteakte. De rechtbank heeft niet eens bekeken of afwijking van de letterlijke interpretatie van dit artikel geïndiceerd is, en heeft dus haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd. De uitspraak moet derhalve worden vernietigd en terug verwijzing moet volgen, aldus de verzoekster.

4.

De ambtenaar heeft de stellingen van de verzoekster gemotiveerd betwist. De ambtenaar betoogt – onder meer en met verwijzing naar de door hem bij zijn verweerschrift overgelegde persoonslijst – dat de verzoekster in ieder geval tot 10 juni 2013 rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna ook: Vw). De verzoekster heeft nimmer rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c en/of d Vw. De verzoekster staat geregistreerd met de Chinese nationaliteit. De ambtenaar begrijpt dan ook niet dat zij stelt dat zij semi-statenloos is. De verzoekster heeft niet de Nederlandse nationaliteit (gehad) en er is ook geen latere vermelding op grond van Boek 1 BW die aan de akte van geboorte dient te worden toegevoegd, zodat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de verzoekster niet aan artikel 1:25c BW voldoet. De verzoekster heeft geen formeel verzoek ingediend tot naturalisatie, en is zelf niet bevoegd om te concluderen dat zij in bewijsnood is, dat is voorbehouden aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het verzoek van de verzoekster is dan ook prematuur. Het is niet uitgesloten dat verzoekster alsnog in staat zal zijn te naturaliseren zonder dat haar geboortegegevens zijn vastgesteld.

Volgens de ambtenaar heeft de rechtbank terecht artikel 1:25c, eerste lid en onder b BW niet analoog toegepast.

Verder stelt de ambtenaar dat de wetgever expliciet heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om houders van een Ranov-vergunning, zoals de verzoekster heeft, als groep te ontlasten van de voor alle reguliere vreemdelingen geldende voorwaarden voor naturalisatie. De wetgever heeft derhalve wel in een situatie als deze voorzien. De verzoekster heeft kennelijk geen verzoek tot naturalisatie ingediend, of na afwijzing van dit verzoek een rechtsgang doorlopen, dus kan niet geconcludeerd worden dat een en ander discriminatoir is. Voorts stelt de ambtenaar dat artikel 81 Wet RO slechts door de Hoge Raad kan worden toegepast.

Ten aanzien van hetgeen de verzoekster heeft betoogd omtrent artikel 1:26 BW brengt de ambtenaar naar voren dat artikel 1:26 BW bepaalt dat een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, de rechtbank kan verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. De verzoekster heeft geen op haar betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overgelegd, het oordeel van de rechtbank is dan ook begrijpelijk.

Ook betoogt de ambtenaar dat de verzoekster niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geboorteakte en dat een land geenszins verplicht is voorzieningen te treffen ten aanzien van vervangende geboorteakte voor mensen die niet in het betreffende land zijn geboren.

Tot slot stelt de ambtenaar dat de verzoekster niet heeft aangetoond dat het niet beschikken over een (vervangende) geboorteakte voor haar, anders dan bij een eventuele naturalisatie, belemmerend werkt.

Primaire verzoek

5.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het eerste lid van artikel 1:25c BW kan, indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar de rechtbank te ’s-Gravenhage de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:

a. die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;

b. die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;

c. op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.

6.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de verzoekster een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd heeft in de zin van artikel 8, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna ook: Vw). De verzoekster heeft nimmer rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c en/of d Vw. Hieruit volgt dat de verzoekster, gelet op het bepaalde in artikel 1:25c BW, niet de rechter kan verzoeken om de voor het opmaken van de geboorteakte noodzakelijke gegevens vast te stellen, nu de verzoekster niet een persoon betreft die aan de in artikel 1:25c eerste lid onder a of b genoemde voorwaarden voldoet. Daarbij is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om een bepaalde groep mensen de mogelijkheid te bieden het onderhavige verzoek te doen, daar waar de wetgever die mogelijkheid niet heeft geboden. Artikel 1:25c, eerste lid onder a of b BW kan derhalve niet analoog worden toegepast. Het hof heeft hierbij meegewogen dat de wetgever expliciet heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om houders van een Ranov-vergunning, zoals de verzoekster heeft, als groep te ontlasten van de voor alle reguliere vreemdelingen geldende voorwaarden voor naturalisatie. De wetgever heeft, anders dan de verzoekster stelt, wel in een situatie als deze voorzien door de mogelijkheid te creëren om in een naturalisatieprocedure in geval van het ontbreken van stukken een beroep te doen op bewijsnood of tegen een besluit van de IND juridische stappen te ondernemen. Het beroep van de verzoekster op artikel 81 Wet RO – wat hier verder ook van zij - maakt dit oordeel niet anders.

Wat het beroep van verzoekster op het discriminatie- of gelijkheidsbeginsel betreft, overweegt het hof dat gebleken is dat er voor de verzoekster nog de mogelijkheid open staat om via een administratieve procedure een verzoek tot naturalisatie in te dienen, of na afwijzing van dit verzoek een vervolgprocedure te doorlopen. Dat de advocaat van de verzoekster niet verwacht dat deze procedures voor de verzoekster succesvol zullen aflopen maakt niet dat thans reeds geconcludeerd kan worden dat een en ander discriminatoir is dan wel in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Subsidiaire verzoek

7.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de verzoekster verklaard dat de bij inleidend verzoekschrift subsidiair verzochte verklaring voor recht niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, moet worden opgevat als een verzoek in de zin van artikel 1:26 BW. Het hof zal het verzoek, anders dan de rechtbank, interpreteren als een verzoek om een verklaring voor recht af te geven dat de verzoekster reeds alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte.

8.

Ten aanzien van voorgaand verzoek overweegt het hof, nog daargelaten de vraag of in een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 1:25c BW een bijkomend verzoek kan worden ingediend waarbij een verklaring voor recht wordt gevraagd, dat de verzoekster te weinig naar voren heeft gebracht om de verzochte verklaring voor recht af te geven. Immers, ter onderbouwing van haar stelling heeft de verzoekster niets anders overgelegd dan een brief met bijlagen van haar eigen advocaat, mr. Collet, van 10 augustus 2012 aan de Gemeente Delft, waarin hij stelt, verwijzend naar de bijlagen, dat hij een advocaat in China heeft ingeschakeld en te horen heeft gekregen dat de verzoekster niet meer in het bezit kan komen van een geboorteakte. Andere stukken waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de vroegere school van de verzoekster niet meer bestaat waardoor daar geen informatie meer is te krijgen over de (familie van de) verzoekster of dat er, zoals de advocaat van de verzoekster ter zitting heeft gesteld, geen regels zijn omtrent het bewaren van archieven in China, ontbreken. Gelet hierop en mede gelet op het feit dat de verzoekster toch nog familie heeft in China waar zij wellicht informatie had kunnen inwinnen of aan had kunnen verzoeken om informatie te achterhalen, acht het hof de gegeven onderbouwing onvoldoende om aan te nemen dat de verzoekster alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte.

9.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de verzoekster niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek om een verklaring voor recht af te geven dat verzoekster al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de verzoekster om een verklaring voor recht af te geven dat verzoekster al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van den Wildenberg, en Van Wijk, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2014.