Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1858

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
BK-13/00661
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8262, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Vrijstelling voor pensioenlichamen. Belanghebbende is niet een lichaam als bedoeld in art. 5, eerste lid, onder b, Wet Vpb 1969. Belanghebbende is niet vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1096
Belastingadvies 2014/14-15.5
PJ 2014/133
V-N 2014/53.18 met annotatie van Redactie
FutD 2014-1312
NTFR 2014/1852 met annotatie van mr. drs. A.C.M. Kuypers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00661

Uitspraak d.d. 21 maart 2014

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Haaglanden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2013, nummer SGR 12/8613, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 150.000. Bij beschikking is een bedrag van € 227 aan heffingsrente geheven.

1.2. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 310 is geheven. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 478. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 februari 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde gaat het Hof uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten.

"1. [Belanghebbende] is op 31 december 2010 opgericht in het kader van een juridische splitsing als bedoeld in titel 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij deze splitsing was [stichting A] de (af)splitsende rechtspersoon en [belanghebbende] de verkrijgende vennootschap. Het doel van [belanghebbende] is als volgt omschreven in haar statuten:

“a. het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot pensioen- en/of de sociale regelingen van instellingen in de branche;

b. het verkrijgen, beheren, exploiteren en vervreemden van registergoederen en van vermogenswaarde in het algemeen;

c. het in het kader van sub a en sub b van dit artikel verhandelen van valuta, effecten en vermogenswaarden;

en al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.”

2.

[stichting B] is enig aandeelhouder van [belanghebbende]. Alle certificaten van aandelen zijn in handen van [stichting A].

3.

Het bestuur van [belanghebbende] wordt gevormd door het dagelijks bestuur van [stichting A].

4.

Per 1 januari 2011 heeft [belanghebbende] de volgende activiteiten van [stichting A] overgenomen:
a. De uitvoering van de pensioenregeling van [stichting A], de administratie van het fonds, het beheer van het vermogen, het innen van de premies en de communicatie met de deelnemers.

b. De uitvoering van de regelingen van [stichting C].

c. Het innen van de bijdragen van [stichting D]. [stichting D] draagt onder andere zorg voor nascholing, arbeidsmarkt & onderwijs en ondersteuning in werken in de apotheek.

5.

[stichting A] heeft met [belanghebbende] ter zake van de door [belanghebbende] voor [stichting A] verrichte werkzaamheden een uitbestedings- en dienstverleningsovereenkomst gesloten. [stichting A] betaalt aan [belanghebbende] een kostprijsvergoeding verhoogd met een continuïteitsopslag van 6%. De winst van belanghebbende is jaarlijks ongeveer gelijk aan het bedrag van deze toeslag.”

3.2.

In hoger beroep is voorts als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan dat de besluitvorming over en de verantwoordelijkheid voor het pensioenbeleid door [stichting A] niet zijn overgedragen aan belanghebbende en dus bij [stichting A] zijn gebleven.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet), in samenhang met artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (het Uitvoeringsbesluit), is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

4.2. Ingeval belanghebbende niet is vrijgesteld van vennootschapsbelasting, is tussen partijen niet in geschil dat de voorlopige aanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de voorlopige aanslag tot nihil.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen:

"12. Artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet luidt als volgt:

“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:

(…)

b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voorzover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”

13.

Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit luidt als volgt.

“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”

14.

Uit de Wet en het Uitvoeringsbesluit volgt dat, om in aanmerking te komen voor de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

1.

Het lichaam stelt zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding;

2.

De werkzaamheden van het lichaam zijn in overeenstemming met het onder 1 genoemde doel.

3.

Behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, kan de winst uitsluitend worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge artikel 5 van de Wet vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.

15.

De rechtbank stelt voorop dat de hiervoor genoemde vrijstelling (de vrijstelling) naar haar oordeel subjectgebonden is. Dit betekent dat om in aanmerking te komen voor de vrijstelling, [belanghebbende] zelfstandig moet voldoen aan de voornoemde voorwaarden, dus zonder mede de werkzaamheden van andere lichamen/vennootschappen zoals [stichting A] in aanmerking te nemen . Voorts stelt de rechtbank voorop dat naar haar oordeel een vrijstelling als de onderhavige in beperkt dient te worden uitgelegd.

Met betrekking tot de werkzaamheden van [belanghebbende]

16. [

Belanghebbende] heeft onweersproken gesteld dat haar werkzaamheden nagenoeg uitsluitend bestaan uit zogenoemde ‘uitvoeringsactiviteiten’ voor [stichting A] (zie onder 4 a.), waaronder met name wordt verstaan de pensioenadministratie, communicatie met (ex)deelnemers en werkgevers, beleidsvoorbereiding en ondersteunende activiteiten op het gebied van beleggingsbeleid.

17.

Voorts heeft [belanghebbende] aangevoerd dat de activiteiten van pensioenuitvoering kunnen worden onderverdeeld in vier kernactiviteiten (zie ook Kamerstukken II 2003‑2004, 28 294, nr. 3, brief van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid d.d. 9 februari 2004), te weten:

- algemene risicobeheersing en fondsbeheer ([belanghebbende]: vermogensbeheer);

- administratieve uitvoering van een pensioenregeling;

- beleggen en beheren van financiële middelen; en

- informatieverschaffing aan de deelnemers.

18. [

Belanghebbende] neemt het standpunt in dat de door haar verrichte werkzaamheden nagenoeg uitsluitend bestaan uit de ‘uitvoeringsactiviteiten’ voor [stichting A] en dat deze werkzaamheden kwalificeren als onder 17 hiervóór bedoelde kernactiviteiten van pensioenuitvoering. [Belanghebbende] bepleit dat zij om die reden voldoet aan de voor de vrijstelling geldende eis met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden.

19.

De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in dit standpunt. Weliswaar heeft het er alle schijn van dat de werkzaamheden die [belanghebbende] verricht nagenoeg uitsluitend zijn aan te merken als ‘kernactiviteiten’ zoals bedoeld onder 17, maar, anders dan [belanghebbende] bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank het enkele verrichten van (een of meer) kernactiviteiten van pensioenuitvoering onvoldoende om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Het enkel uitvoeren van de door [belanghebbende] genoemde ‘uitvoeringsactiviteiten’ is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als “de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding”, waarvan sprake dient te zijn om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende], naar niet in geschil is, zelf geen verplichting(en) heeft jegens de deelnemers van de pensioenregeling. Immers het pensioenvermogen en de pensioenverplichtingen zijn ondergebracht/achtergebleven bij [stichting A]. Gelet hierop voldoet [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank niet aan de voor de vrijstelling geldende eis met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden (zie onder 14) en is de vrijstelling niet op haar van toepassing.

20.

De rechtbank verwerpt ook het standpunt van [belanghebbende] dat zij, gelet op de werkzaamheden die zij verricht, in samenhang bezien met het feit dat zij – naar zij stelt – geen winstoogmerk heeft, op basis van doel en strekking van de wetgeving in aanmerking komt voor de vrijstelling. Anders dan [belanghebbende] bepleit, vindt de rechtbank daartoe in de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunt. Weliswaar kan uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat activiteiten van een pensioenfonds kunnen worden onderverdeeld in de genoemde kernactiviteiten, dat die activiteiten indien ontplooit door een pensioenfonds onder de vrijstelling behoren te vallen en dat een pensioenfonds die kernactiviteiten zelf kan ontplooien of kan onderbrengen bij een ander lichaam (zonder de ‘eigen’ vrijstelling te verliezen), maar daarin is volgens de rechtbank onvoldoende steun te vinden voor het standpunt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een lichaam dat enkel ondersteunende (kern)activiteiten ontplooit voor een ander pensioenlichaam ook onder de vrijstelling te laten vallen. Dat bij [belanghebbende] een winststreven ontbreekt, maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders.

21.

Dat een Premiepensioeninstelling (PPI) wel onder de vrijstelling valt, maakt het voorstaande niet anders, reeds omdat een PPI, anders dan bij [belanghebbende] het geval is, wel zelfstandig verplichtingen heeft jegens haar deelnemers. Dat een PPI slechts is betrokken bij de opbouwfase van een pensioen(verplichting) en niet bij de uitkeringsfase daarvan, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

22.

Ook de omstandigheid dat de juridische splitsing (zie onder 1 van deze uitspraak) is ingegeven om, zoals [belanghebbende] heeft gesteld, te voldoen aan de wens van de Nederlandse Bank om de uitvoeringsactiviteiten van [stichting A] op enige afstand te zetten van het pensioenvermogen en de pensioenverplichtingen, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.

23.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet onder de in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet opgenomen vrijstelling valt.

24.

Nu [belanghebbende] om voornoemde redenen niet is vrijgesteld, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de ingenomen standpunten betreffende de doelomschrijving van [belanghebbende], haar winstoogmerk en de winstbestemmingseis. Daarom is er ook geen aanleiding het bewijsaanbod van belanghebbende te honoreren, omdat dat ziet op de continuïteitstoeslag die is gerelateerd aan het winstoogmerk."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Als lichaam in de zin van artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet, kan slechts worden aangemerkt de pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet. Dit is een ondernemingspensioenfonds, een bedrijfstakpensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of verzekeraar die zetel heeft in Nederland, die tot taak heeft een pensioenovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer uit te voeren op basis van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst met de werkgever of een uitvoeringsreglement ingeval het een bedrijfstakpensioenfonds betreft.

7.2. Ingevolge artikel 34 van de Pensioenwet en het daarop gebaseerde Besluit uitvoering Pensioenwet Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit van 18 december 2006, Stb. 2006, 709) heeft voorts te gelden dat indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, de besluitvorming over en de verantwoordelijkheid voor het pensioenbeleid niet mogen worden uitbesteed (zie artikel 12, aanhef en onder a). De besluitvorming over en de verantwoordelijkheid voor het pensioenbeleid zijn derhalve kenmerkend voor de pensioenuitvoerder en exclusief aan deze voorbehouden.

7.3. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de besluitvorming over en de verantwoordelijkheid voor het pensioenbeleid bij de [stichting A] berust en ter gelegenheid van de juridische splitsing op 31 december 2010 niet zijn overgedragen aan belanghebbende.

7.4. Gelet op het vorenstaande is [stichting A], en niet belanghebbende, de pensioenuitvoerder in de zin van de Pensioenwet. Dit houdt in dat belanghebbende niet een lichaam is als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond zodat beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 21 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.