Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1801

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.104.606/1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling verbroken samenleving. Gemeenschappelijke woning. Gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. Gelijk aandeel tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Uitleg samenlevingsovereenkomst. Overwaarde bepalen ten tijde van de verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Rolnummer : 200.104.606/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 395869/HA ZA 11-1669

arrest van de familiekamer d.d. 1 april 2014

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.M. Duijndam te Lisse.

Het geding

Bij exploot van 20 maart 2012 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 december 2011, gewezen tussen de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Het hof heeft bij tussenarrest van 15 mei 2012 een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 4 juli 2012 plaatsgevonden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is verwezen naar de rol van 4 september 2012 voor memorie van grieven.

Ter zitting van 4 september 2012 heeft de man de memorie van grieven ingediend. Daarbij is een productie overgelegd.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij zijn vijf producties overgelegd.

De man heeft daarop zijn memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend, waarbij een productie is gevoegd.

Vervolgens hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Tegen de feiten zoals de rechtbank deze onder ‘2’ van het bestreden vonnis heeft vastgesteld is geen grief gericht, zodat het hof van die feiten zal uitgaan.

2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om de financiële afwikkeling van een verbroken samenwoning. Partijen hebben, na aanvang van de samenwoning en nadat zij op beider naam een woning in eigendom hebben verkregen - welke woning zij hebben gefinancierd met een op beider naam gesloten hypothecaire lening - een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst gesloten. Partijen verschillen, ten aanzien van de woning, van mening over de strekking van hetgeen in die overeenkomst is verwoord, dan wel wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de toedeling van de woning aan de man en welke gevolgen dit heeft voor de financiële aanspraken van de vrouw jegens de man ter zake van de waarde van de woning en de aan de hypothecaire lening verbonden kapitaalverzekering.

3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeeld om een bedrag van € 54.470,88 en de helft van de waarde van de overlijdensrisico- en kapitaalverzekering aan de vrouw te betalen.

In reconventie heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan de akte van verdeling, zoals opgesteld door de notaris mr. L.F. van Loenhoud, waarbij een zin in die akte moet worden aangepast en een gedeelte van een zin moet worden verwijderd. In conventie en reconventie zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en is het meer of anders gevorderde afgewezen.

Bij vonnis van 7 maart 2012 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw, het bestreden vonnis te verbeteren in die zin dat de man wordt veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 70.353,19 (in plaats van € 54.470,88), afgewezen.

4.

De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van de vrouw zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

5.

De vrouw concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de man in de kosten van het hoger beroep. In incidenteel hoger beroep vordert de vrouw dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover het vonnis de hoogte van de toegewezen vordering van de vrouw betreft en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om een bedrag van € 70.353,19 aan de vrouw te voldoen, dan wel een bedrag of bedragen door het hof in goede justitie vast te stellen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.

6.

In het incidenteel hoger beroep concludeert de man tot verwerping daarvan, kosten rechtens.

7.

In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst buiten toepassing dient te blijven. Het was de uitdrukkelijke bedoeling van de man dat hij de woning zou verkrijgen en zou behouden zonder enige verrekening of op welke wijze dan ook met de vrouw. Die bedoeling is in de samenlevingsovereenkomst vastgelegd. Het betreft hier niet een algemene bepaling, maar een, die op uitdrukkelijk verzoek van partijen in aanvulling op de gebruikelijke bepalingen is opgenomen. Het is in strijd met de rechtszekerheid indien die bepaling nu krachteloos zou worden. Dat de afspraak, dat een eventuele over- of onderwaarde van de woning voor rekening van de man komt, zou moeten vervallen, omdat de vrouw een bijdrage heeft geleverd aan het gezin door de zorg voor de kinderen ziet de man niet in. Alleen de afspraak over het dragen van de aan het woongenot verbonden kosten is gewijzigd toen de gezinssituatie van partijen wijzigde. De vrouw heeft geen risico gelopen ten aanzien van de hypothecaire lening. Dit, tezamen met de omstandigheid dat de vrouw nooit heeft betaald aan de woning, ook niet in de periode dat zij wel inkomen genoot en zij wist wat voor overeenkomst zij sloot, maken dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw niet meedeelt in de waardestijging van de woning.

8.

De vrouw betwist dat de bepaling op uitdrukkelijk verzoek van partijen in de samenlevingsovereenkomst zou zijn opgenomen. Dit is gebeurd op verzoek van de man. Zij stelt in de memorie van antwoord onder 14 dat noch door de notaris, noch door partijen zelf is gesproken over de onredelijke consequenties van de uiteindelijke toedeling van de woning aan de man en de inboedel aan de vrouw: de waarde van de inboedel zou snel afnemen, zeker in vergelijking met de waardestijging van vastgoed destijds Zij stelt vervolgens dat zij bij de notaris wel haar zorgen heeft geuit over deze clausules, maar dat de notaris haar in aanwezigheid van de man heeft gerustgesteld met de opmerking dat de clausule van de “redelijkheid en billijkheid” een onredelijke uitwerking zou corrigeren en bovendien opgemerkt zou hebben dat partijen “er wel uit zouden komen”. De vrouw wijst op artikel 4, eerste lid, van de overeenkomst, volgens hetwelk goederen die aan hen in mede-eigendom toebehoren, worden verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Partijen zijn er van uitgegaan dat de inbreng van de vrouw van ƒ 30.000,- bij behoud van de inboedel kon worden weggestreept tegen de investering van ƒ 70.000,- door de man als hij de woning zou behouden. De uitleg van de man van artikel 4, derde lid strekt veel verder, namelijk dat hem de volledige overwaarde ten deel valt en de vrouw een inboedel van een relatief geringe waarde toekomt. De woning heeft een zeer sterke waardestijging ondergaan. De man miskent de andere, bijzondere omstandigheden van deze kwestie en miskent daarmee ook de toepasselijkheid van het Haviltexcriterium.

9.

Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben de woning in gezamenlijke eigendom verworven. Met betrekking tot deze woning is sprake van een gemeenschap in de zin van artikel 3: 166 BW en partijen hebben daarin, conform de hoofdregel van artikel 3: 166 lid 2 BW, een gelijk aandeel, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Het hof stelt vast dat uit de rechtsverhouding tussen partijen ten aanzien van ieders aandeel in de onroerende zaak, niet anders voortvloeit zodat ieder een gelijk aandeel heeft. Bij de verdeling kunnen zij daarom ieder in beginsel aanspraak maken op de helft van de (over)waarde van de woning. De rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.

10.

Het is de vraag of artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst - dat inhoudt dat bij een beëindiging van de samenleving anders dan door overlijden van een der partijen, de in mede-eigendom toebehorende zaak aan de man zal worden toegedeeld zonder enige verrekening - betekent dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor de overwaarde van de woning. Het hof is van oordeel dat de woorden ‘zonder enige verrekening’ er niet zonder meer op hoeven te duiden dat de vrouw geen aanspraak op overwaarde zouden toekomen. Een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract volstaat niet zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

11.

De vrouw heeft gesteld dat volgens haar artikel 4 lid 3 alleen ziet op de onderlinge verrekening bij verdeling van de inbreng van de man in de woning en de inbreng van de vrouw in de inboedel. Ter comparitie van partijen bij de rechtbank heeft de man ook verklaard dat het juist is dat de verdeling in de samenlevingsovereenkomst zo is opgenomen omdat de inbreng van de vrouw ten bedrage van ƒ 30.000, - weggestreept kon worden tegen het behouden van de inboedel en dat de man het huis zou krijgen omdat hij daar ƒ 70.000,- in heeft geïnvesteerd. Dit betekent – en partijen hebben het zelf aldus begrepen – dat de verdeling aldus zou zijn dat de man de woning toegedeeld zou krijgen en de vrouw de inboedel. De zinsnede ‘zonder enige verrekening’ zal dan ook betrekking hebben op deze door partijen gepleegde investeringen. Dat aan artikel 4 lid 3 een verdere strekking toekomt zoals de man voorstaat, is niet komen vast te staan. Het hof onderschrijft de motivering van de rechtbank ten aanzien van de woning en neemt deze over, temeer daar de man geen feiten. omstandigheden dan wel gronden heeft gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Dit betekent dat de eerste grief wordt gepasseerd en dat de man gehouden is de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden.

12.

Het hof behandelt de tweede grief van de man en de grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep gezamenlijk. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat als aanknopingspunt voor een verrekening van een eventuele overwaarde van de woning de helft van deze overwaarde ter verdeling in aanmerking zou moeten komen. De man begrijpt niet dat, als de rechtbank al van mening is dat de vrouw enige investeringen in de woning heeft gedaan, dit zou moeten leiden tot een betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Er zou even goed gekozen kunnen worden voor een beperkte vergoeding.

13.

De vrouw betwist dit. In haar grief in incidenteel appel voert zij aan dat de rechtbank de overwaarde van de woning onjuist heeft berekend. Uitgaande van een WOZ-waarde van € 258.000,-, waarop in mindering strekt de hypothecaire lening en vervolgens de inbreng van de man ad € 31.764,62, waarna het resterende bedrag door 2 moet worden gedeeld, komt de vrouw een bedrag toe van € 70.353,19.

14.

De man stelt daar tegenover dat de WOZ-waarde inmiddels lager ligt. In 2012 is deze € 250.000,-. Bij een nieuwe berekening moet worden uitgegaan van de meest recente WOZ-waarde.

15.

Het hof is van oordeel dat de man geen gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel over de verdeling bij helfte moeten leiden. Het hof neemt de motivering van de rechtbank over. Dat een derde van de overwaarde bestaat uit rendement dat afkomstig is uit het door de man gestorte bedrag ad ƒ 70.000,-, is door de man niet onderbouwd. Partijen zijn het er thans over eens dat de man dit bedrag, ƒ 70.000, - of wel € 31.764,62, eerst zal ontvangen uit de overwaarde. Het hof acht het niet redelijk dat dit ook moet leiden tot een andere verdeling dan bij helfte van die overwaarde op de door de rechtbank in het bestreden vonnis gebezigde gronden.

16.

Het komt het hof juist voor, dat voor de bepaling van de helft van de overwaarde uitgegaan wordt van de hoofdregel, te weten de waarde ten tijde van de verdeling. Beide partijen gaan blijkens hun stellingen voor de waardebepaling uit van de WOZ-waarde. De WOZ-waarde met als peildatum 1 januari 2014 zal hiervoor tot uitgangspunt moeten worden genomen. Op dit bedrag strekt in mindering de hypothecaire lening ten bedrage van € 85.529, - en de inbreng van de man ten bedrage van € 31.764,62. Van het resterende bedrag dient de man de helft aan de vrouw te voldoen. Het hof zal aldus beslissen.

17.

In zijn derde grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat de man geen beroep kan doen op verrekening van de door hem te betalen rentetermijnen. De man ziet niet in waarom afspraken ten aanzien van de toedeling van de woning wel gewijzigd kunnen worden en mondelinge afspraken ten aanzien van de door de vrouw te betalen bijdrage in het woongenot niet.

18.

De vrouw heeft de grief gemotiveerd bestreden.

19.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op dit punt juist heeft geoordeeld. Het hof sluit aan bij de motivering van de rechtbank ter zake in punt 4.8 van het bestreden vonnis. Het hof merkt daarbij nog op, dat het al heeft overwogen, dat uit de tekst van de samenlevingsovereenkomst de door de man gestelde strekking van de afspraak niet eenduidig is af te leiden en in die zin geen sprake is van een wijziging van een afspraak. De grief faalt.

20.

In zijn vierde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kapitaalverzekering die aan de geldlening was gekoppeld, voor 50% aan de vrouw moet worden uitbetaald. Partijen hebben een gecombineerde risico-kapitaalverzekering afgesloten bij de financiering van de woning. Partijen hebben hier ‘kruislings’ voor betaald. De kapitaalverzekering leidt er toe dat op termijn de hypothecaire lening wordt afgelost. Daaraan heeft de vrouw nooit meebetaald.

21.

De vrouw erkent dat sprake is van een gemengde kapitaal-/risicoverzekering. Ten aanzien van de verrekening ervan en de inbreng ten aanzien van de betalingen door de vrouw heeft dan ook hetzelfde te gelden als ten aanzien van de verrekening van de overwaarde, aldus de vrouw.

22.

Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de man de kapitaalverzekering zal voortzetten. Uit artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen – ieder voor de helft – de aan het woongenot verbonden kosten dragen, waaronder begrepen eventuele rentetermijnen ter zake van een ter financiering van de woning aangegane geldlening en de kosten van onderhoud. Partijen hebben, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hun afspraken kort na de geboorte van het oudste kind gewijzigd, in die zin dat gezamenlijk is besloten dat de vrouw niet zou werken en voor de kinderen zou zorgen en de man de betalingen zou verrichten. Niet valt in te zien waarom het oordeel over de door beiden afgesloten risico- en kapitaalverzekering anders zou moeten uitvallen dan ten aanzien de rentebetalingen in die zin, dat de man de volledige waarde van de kapitaalverzekering zou kunnen behouden. Het hof sluit ook hier aan bij de motivering van de rechtbank. Partijen zullen de waarde van de kapitaalverzekering ten tijde van de verdeling daarvan bij helfte moeten delen.

23.

Het hof heeft ter comparitie van partijen vastgesteld dat partijen thans ieder nog een gedeelte van de risicopremie betalen en dat de man de premie voor de kapitaalverzekering betaalt. Het hof acht het redelijk dat de man op de bij de verdeling in aanmerking te nemen waarde eerst de door hem met ingang van maart 2009 (de samenwoning van partijen werd toen verbroken) aantoonbaar betaalde premies ten behoeve van de kapitaalverzekering in mindering brengt op de waarde waarna het resterende deel bij helfte zal worden gedeeld. De premies voor de kapitaalverzekering leiden tot vermogensvorming, anders dan de betaling van de rentetermijnen van de hypothecaire geldlening.

24.

Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis (gedeeltelijk) zal worden vernietigd en dat het hof zal beslissen als na te melden. Het hof ziet geen grond een der partijen in de proceskosten te veroordelen en zal deze in hoger beroep compenseren als na te melden.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, opnieuw beslissende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de helft van de overwaarde van de woning aan de [adres] bij gelegenheid van de verdeling daarvan, te berekenen op de wijze als vorenstaand onder 16 van dit arrest is overwogen;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de helft van de waarde van de overlijdensrisico- en kapitaalverzekering bij gelegenheid van de verdeling daarvan, met inachtneming van hetgeen vorenstaand onder 23 van dit arrest is overwogen;

verklaart dit arrest tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mink, Kamminga en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.