Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1781

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-01-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
BK-13-00338
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:2212, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Boete. Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan. Het door de inspecteur geschatte inkomen is te hoog. Het belastbare inkomen uit werk en woning wordt in goede justitie vastgesteld. Boete van € 984 passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1065
V-N 2014/35.19.25
FutD 2014-1320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00338

Uitspraak van 3 januari 2014

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/ Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2013, nummer SGR 12/10619, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 160.000. Bij afzonderlijke beschikkingen is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 2.460 en een bedrag van € 3.977 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.000, de boete verminderd tot een bedrag van € 984 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 42 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een reclamebureau.

3.2. Belanghebbende heeft, ook nadat hij daartoe was gemaand, geen aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2009 ingediend. Met dagtekening 16 november 2011 is aan belanghebbende de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor dat jaar ambtshalve opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 160.000. Tegelijk met de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 2.460, berekend naar een vijfde verzuim.

3.3. De Inspecteur heeft de schatting van het inkomen gebaseerd op de aangiften voor de omzetbelasting over 2009 en de inkomensgegevens van voorgaande jaren. De boete is gebaseerd op het aangiftegedrag in de voorgaande jaren.

Verzamelinkomen Boete

Aanslag IB/PVV 2005 AH € 35.420 box 1 € 113

Aanslag IB/PVV 2006 AH € 75.000 box 1 € 340

€ 2.755 box 3

Aanslag IB/PVV 2007 Conform aangifte € 95.905 box 1

Aanslag IB/PVV 2008 AH € 150.000 box 1 € 226

€ 6.375 box 3

Aanslag IB/PVV 2009 AH € 160.000 box 1 € 2.460

€ 6.673 box 3

3.4. Blijkens een tot de gedingstukken behorende uitdraai uit de zogenoemde fi-base van de Belastingdienst heeft belanghebbende in 2009 voor de omzetbelasting een omzet van € 178.566 exclusief omzetbelasting aangegeven, bedroeg de in dat jaar verschuldigde omzetbelasting € 33.928, de in aftrek gebrachte voorbelasting € 28.536 en is op afdracht € 5.392 omzetbelasting aangegeven.

3.5. Naar aanleiding van de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de ambtshalve aanslag voor het jaar 2008 heeft de Inspecteur zich ter zitting van de rechtbank op het standpunt gesteld dat de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.000. Tevens heeft de Inspecteur zich ter zitting van de rechtbank op het standpunt gesteld dat sprake is van een vierde verzuim en dat de boete dientengevolge dient te worden verminder tot € 984.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning te hoog heeft vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.2. Belanghebbende stelt zich, naar het Hof begrijpt, in hoger beroep op het standpunt dat de hoogte van de aanslag niet proportioneel is. Dit zal blijken uit de aangifte die de boekhouder op korte termijn zal indienen. Rekening dient te worden gehouden met de teruggang van de economie en de gevolgen daarvan voor zijn beroepsgroep. Voorts acht belanghebbende het opleggen van een boete niet terecht, omdat hij, naar hij stelt, al het mogelijke heeft gedaan om aan zijn verplichtingen te voldoen. Dat geen aangifte is gedaan is te wijten aan zijn boekhouders, die keer op keer failliet gaan.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot, naar het Hof begrijpt, vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en tot vernietiging van de boete.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”6. Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) schrijft voor dat de aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur die bij het vaststellen ervan van de aangifte kan afwijken. Daarnaast kan de inspecteur de aanslag ambtshalve vaststellen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, ondanks daartoe te zijn gemaand is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de aanslag ambtshalve heeft kunnen vaststellen.

7.

Ter zitting is gebleken dat verweerder zich destijds heeft gebaseerd op de ambtshalve vastgestelde aanslag over 2008. Thans is gebleken dat de hoogte van die aanslag in bezwaar is verminderd. Op het moment van vaststelling van de aanslag IB /PVV 2009 had verweerder echter nog geen kennis genomen van die vermindering. Gezien de verklaring van eiser en de in bezwaar ingediende aangifte IB/PVV 2008 heeft verweerder ter zitting het nader standpunt ingenomen dat thans een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.000 een redelijke schatting over 2009 zou zijn.

8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt, nu eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Eiser dient daarom overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd daarin niet geslaagd. Eiser heeft, naast de enkele verklaring dat de boekhouder op korte termijn de aangifte zal indienen en dat hij over 2009 beduidend minder heeft verdiend dan de daaraan voorafgaande jaren, geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn standpunt onderbouwen.

9.

Het nader standpunt van verweerder genoemd onder 7 acht de rechtbank redelijk. Gezien het inkomen over 2008 en de door eiser aangegeven omzet voor de omzetbelasting blijkt niet dat het inkomen lager had moeten zijn. Het beroep is in zoverre gegrond.

10.

Verweerder heeft aan eiser, wegens het niet doen van aangifte, op grond van artikel 67a van de Awr een verzuimboete opgelegd van 50% van het wettelijk maximum. Eiser heeft geen gronden tegen de verzuimboete aangevoerd. Ingevolge artikel 26a, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 24a, tweede lid, van de Awr, wordt het beroepschrift indien de bedragen van een belastingaanslag en van een boetebeschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld, geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het beroepschrift het tegendeel blijkt.

11.

Nu vaststaat dat eiser geen aangifte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Met betrekking tot de hoogte van de boete oordeelt de rechtbank als volgt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het niet doen van de aangifte IB/PVV 2009 aangemerkt als een vijfde verzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is, zoals verweerder ter zitting ook heeft gesteld, sprake van een vierde verzuim en dient de boete ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Awr, in samenhang gelezen met paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst dan ook te worden verminderd naar € 984.

12.

Voor een verzuimboete geldt niet het vereiste dat aan de zijde van belastingplichtige sprake moet zijn van opzet of grove schuld, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld het opleggen daarvan achterwege behoort te blijven. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de afwezigheid van alle schuld zou kunnen blijken. Hetgeen eiser opmerkt over het faillissement van zijn voormalig boekhouder moet voor zijn rekening en risico blijven. De rechtbank acht de opgelegde boete, alle omstandigheden in aanmerking nemend waaronder het feit dat eiser al diverse jaren niet op tijd aan zijn aangifteverplichting voldoet, passend en geboden.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Niet in geschil is dat belanghebbende voor het jaar 2009 geen aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen heeft gedaan. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, in verbinding met artikel 27h, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is in dat geval de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing. Dit betekent dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag bij uitspraak op bezwaar onjuist is vastgesteld.

7.2. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet in het van hem verlangde bewijs is geslaagd. Belanghebbende heeft enkel gesteld dat de aanslag te hoog is, maar heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn standpunt onderbouwen, noch enig bewijsstuk bijgebracht. Daarbij komt dat het Hof belanghebbende op zijn verzoek ter zitting nogmaals gelegenheid heeft gegeven om de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar uiterlijk op 6 december 2013 bij de Inspecteur in te dienen, maar uit de brief van de Inspecteur van 19 december 2013 blijkt dat belanghebbende van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

7.3. Het schatten van het door belanghebbende genoten inkomen mag echter niet ertoe leiden dat de Inspecteur de aanslag naar willekeur vaststelt. Het gaat erom dat de schatting van het genoten inkomen niet onredelijk is. De Inspecteur heeft de schatting van het inkomen uit werk en woning ten bedrage van na vermindering ter zitting van de rechtbank € 120.000, gebaseerd op de aangiften voor de omzetbelasting over het onderhavige jaar en de inkomensgegevens van voorgaande jaren (zie onderdeel 3.3). Naar het oordeel van het Hof doorstaat de schatting van de Inspecteur niet de redelijkheidstoets. De gegevens vermeld op de uitdraai uit de omzetbelasting-fi-base van de Belastingdienst, zoals weergegeven in onderdeel 3.3, geven een indicatie dat de winst die belanghebbende in het onderhavige jaar heeft behaald het bedrag van circa € 30.000 niet ver zal overstijgen. Gelet voorts op de omstandigheden dat de inkomens van belanghebbende in voorgaande jaren (2005, 2006 en 2008) zijn geschat en ambtshalve zijn vastgesteld, dat het aangegeven inkomen voor het jaar 2007 ad circa € 95.000 conform de aangifte is vastgesteld, alsmede het teruglopende economisch tij in 2009, is het Hof van oordeel dat het door de Inspecteur geschatte inkomen te hoog is. Het Hof stelt het belastbare inkomen uit werk en woning in goede justitie vast op € 50.000.

7.4. Indien een belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR de belastingplichtige, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 4.920 kan opleggen.

7.5. De Inspecteur heeft belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 2.460. Deze boete is door de rechtbank verminderd tot € 984. Vaststaat dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en dat de Inspecteur na het uitblijven van de aangifte binnen de gestelde termijn aan belanghebbende een aanmaning heeft gezonden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De enkele stelling dat zijn voormalige boekhouders failliet zijn gegaan is daartoe onvoldoende. Ook heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt van de in rechtsoverweging 7.2 vermelde gelegenheid. Gelet hierop is de boete terecht opgelegd. Belanghebbende heeft niet bestreden dat sprake is van een vierde verzuim. Het Hof acht een boete van € 984 daarom passend en geboden.

7.6. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien belanghebbende niet een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan.

8.2. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 118 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behalve voor zover deze betrekking heeft op de boete en het griffierecht,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar,

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000,

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het Hof gestorte griffierecht ten bedrage van € 118 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.