Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1762

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
200.108.812-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9137, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3609, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Immuniteit van jurisdictie ESA (European Space Agency). Bescherming in de alternatieve rechtsgang van ESA niet ontoereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 264
AR-Updates.nl 2014-0629
JAR 2016/40
AR 2014/524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.108.812/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 1069523/11-4195

arrest van 6 mei 2014

inzake

[appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

en 102 anderen van wie de namen en woonplaatsen zijn vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst,

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

tegen

de Europese Ruimtevaartorganisatie (European Space Agency),

gevestigd te Parijs (Frankrijk) en tevens te Noordwijk (Zuid-Holland),

geïntimeerde,

hierna te noemen: ESA,

advocaat: mr. G.R. den Dekker te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 12 juni 2012 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector Kanton, van 14 maart 2012, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellanten] tegen het bestreden vonnis zes grieven aangevoerd, die ESA bij memorie van antwoord (met productie) heeft bestreden. Op 10 maart 2014 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, [appellanten] door mr. L. Zegveld en mr. E. Steyger, advocaten te Amsterdam respectievelijk Den Bosch, en ESA door haar advocaat, allen aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Aangezien geen grief is gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.9 van haar bestreden vonnis heeft vastgesteld, zal ook het hof deze feiten tot uitgangspunt nemen. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.2 ESA is een internationale, intergouvernementele organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid. ESA is in 1975 opgericht bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, gesloten te Parijs op 30 mei 1975, Trb. 1975, 123 (hierna: het ESA-Verdrag). Art. IV van Bijlage I bij het ESA-Verdrag bepaalt dat ESA, behoudens een aantal hier niet terzake doende uitzonderingen, immuniteit van jurisdictie geniet.

1.3 [appellanten] zijn in dienst van ESA en als zodanig werkzaam voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), de ESA-standplaats in Noordwijk. Omdat [appellanten], die geen van allen de Nederlandse nationaliteit bezitten, ten tijde van hun indiensttreding bij ESA meer dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die voor 1 januari 1996 in dienst traden) in Nederland woonden, worden zij op grond van de toepasselijke ESA Staff Regulations, Rules and Instructions (hierna: Staff Regulations) beschouwd als lokaal geworven personeel.

1.4 Tussen [appellanten] en ESA is een geschil ontstaan over hun arbeidsvoorwaarden. Kort gezegd komt dit geschil er op neer dat [appellanten] menen dat zij ongelijk worden behandeld ten opzichte van bepaalde andere werknemers van ESA. Deze ongelijke behandeling bestaat volgens [appellanten] hierin dat zij, als lokaal geworven personeel, geen expatriation allowance (hierna: ontheemdingstoelage) ontvangen, terwijl werknemers die bij indiensttreding niet of minder dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die voor 1 januari 1996 in dienst traden) in Nederland woonden, die toelage wel ontvangen. Volgens [appellanten] is dit onderscheid discriminatoir omdat zij dezelfde persoonlijke en financiële nadelen van een dienstbetrekking buiten hun land van herkomst ondervinden als de werknemers die de ontheemdingstoelage wel ontvangen.

1.5 Een petitie die onder meer [appellanten], althans een aantal van hen, in 2005 hebben gericht aan de Directeur-Generaal van ESA over deze kwestie, heeft de Directeur-Generaal in zijn reactie van 12 december 2005 afgewezen.

1.6 Op 10 augustus 2009 hebben onder meer [appellanten], althans een aantal van hen, beroep ingesteld bij de Appeals Board, een in de Staff Regulations aangewezen en specifiek voor ESA in het leven geroepen beroepsinstantie voor, kort gezegd, de beslechting van arbeidsgeschillen tussen ESA en haar personeelsleden. In hun appelschriftuur vorderden [appellanten] dat de Appeals Board (i) vernietigt het besluit met betrekking tot ieder van hen gebaseerd op de Staff Regulations, voor zover deze het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van non-discriminatie, alsmede de artt. 17, 18 en 39 EG en het Twaalfde protocol van het EVRM schenden, zodanig dat [appellanten] recht hebben op de ontheemdingstoelage, (ii) aan hen schadevergoeding toekent en (iii) voor recht verklaart dat de genoemde Staff Rules discriminatoir zijn en niet meer op hen zullen worden toegepast.

1.7 Bij uitspraak van 19 juli 2010 heeft de Appeals Board het beroep ongegrond verklaard.

1.8 [appellanten] en drie anderen hebben vervolgens ESA gedagvaard voor de rechtbank ’s-Gravenhage, waarbij zij samengevat vorderden dat ESA wordt veroordeeld om, met buiten toepassing lating van de bepalingen uit de Staff Regulations die volgens hen in strijd zijn met het recht, aan [appellanten] de aan hen toekomende achterstallige en toekomstige ontheemdingstoelage te betalen, alsmede een verklaring voor recht dat ESA jegens [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hen aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden.

1.9 ESA is in het geding verschenen maar heeft vóór alle weren geconcludeerd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het onderhavige geschil, nu ESA op grond van het ESA-Verdrag immuniteit van jurisdictie geniet. In haar uitspraak in dit bevoegdheidsincident heeft de rechtbank zich in haar vonnis van 14 maart 2012 onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak, nu de Nederlandse rechter ten deze geen rechtsmacht toekomt. De rechtbank overwoog daartoe het volgende. Aangezien niet in geschil is dat op grond van het ESA-Verdrag aan ESA in beginsel immuniteit toekomt, komt aan de Nederlandse rechter in beginsel geen rechtsmacht toe. Dit zou anders kunnen zijn indien [appellanten] door de eerbiediging van deze immuniteit de toegang tot een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in de zin van art. 6 EVRM zou worden onthouden. De vraag of de rechtsgang bij de Appeals Board in een dergelijke rechtsgang voorziet is niet reeds beslist in het arrest van het EHRM van 18 februari 1999 inzake Waite and Kennedy v. Germany. De Appeals Board is bevoegd ten aanzien van de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde onderdelen van het geschil. Voorts blijkt uit de uitspraak van de Appeals Board dat deze zich bevoegd heeft geacht, de Appeals Board heeft immers geoordeeld dat de beslissing van ESA om geen ontheemdingstoelagen aan [appellanten] toe te kennen terecht was. Op grond van de uitspraak van het EHRM van 11 mei 2000 inzake A.L./Italie dient te worden getoetst aan de volgende criteria:

1) zijn de leden van de Appeals Board eminente personen en hebben zij voldoende juridische scholing en kennis;

2) zijn zij onafhankelijk in de uitoefening van hun taken en onpartijdig;

3) wordt de procedure voor de Appeals Board op tegenspraak gevoerd en worden beide partijen gehoord en gelijk behandeld;

4) wordt de beslissing gemotiveerd.

Aangezien een concrete toetsing moet plaatsvinden wordt voorbijgegaan aan algemene stellingen van [appellanten] met betrekking tot de interne rechtsgang bij ESA. Het gaat er om of in het geval van [appellanten] de gevolgde rechtsgang voldoet aan de eis van art. 6 EVRM. De leden van de Appeals Board zijn voldoende eminente personen en bezitten voldoende juridische scholing en kennis. Voorts is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de leden van de Appeals Board die hebben geoordeeld in de zaak van [appellanten] niet onafhankelijk en onpartijdig waren. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] gebruik hebben gemaakt van de door de Staff Regulations geboden mogelijkheid om vervanging van een lid van de Appeals Board te vragen wegens partijdigheid. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de griffier en zijn plaatsvervanger is voldoende gewaarborgd nu zij de eed hebben afgelegd dat zij hun taak onpartijdig en nauwgezet zullen vervullen en geheimhouding zullen betrachten, terwijl zij bij de uitoefening van hun taak alleen verantwoording verschuldigd zijn aan de Appeals Board. Niet gebleken is dat de griffier in de zaak van [appellanten] procedurele beslissingen heeft genomen zonder de (voorzitter van de) Appeals Board te raadplegen. Dat de instructies van de griffier iets anders hebben omvat dan de administratieve en logistieke gang van zaken is niet gebleken. Hoewel de Appeals Board notulen had moeten opmaken van de mondelinge behandeling in de zaak [appellanten], kan uit het feit dat dit geweigerd is niet worden afgeleid dat de Appeals Board niet onpartijdig was. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellanten] dat twee leden van de Appeals Board tijdens de mondelinge behandeling in slaap vielen. Ook uit een incident ter zitting over de verwijzing naar een uitspraak die de leden van de Appeals Board niet bekend was kan niet worden afgeleid dat de Appeals Board niet onafhankelijk en onpartijdig was. Hetzelfde geldt voor het feit dat de voorzitter van de Appeals Board, Massot, desgevraagd aan ESA heeft laten weten mee te werken aan een aanhouding van een bij de Appeals Board aanhangige zaak indien partijen mediation willen beproeven. Ook het feit dat [appellanten] kennelijk niet van iedere brief van de (griffier van de) Appeals Board een afschrift hebben gekregen levert geen ongelijke behandeling op die een inbreuk vormt op art. 6 EVRM. Van ongelijke behandeling tijdens de mondelinge behandeling is geen sprake geweest. Ook het feit dat tegen uitspraken van de Appeals Board geen hoger beroep openstaat levert geen strijd met art. 6 EVRM op. Hetzelfde geldt met betrekking tot de omstandigheid dat uitspraken van de Appeals Board niet extern worden gepubliceerd, waarbij van belang is dat een afschrift van de uitspraak op verzoek aan iedereen wordt verstrekt. De uitspraak van de Appeals Board is voldoende gemotiveerd. De overwegingen van de Appeals Board geven voldoende inzicht in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De toegang tot een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in de zin van art. 6 lid 1 EVRM is dus niet aan [appellanten] onthouden, zodat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en bevoegdheid toekomt. Tot zover het oordeel van de rechtbank.

2.1 Met grief 1 komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt wegens immuniteit van ESA. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

2.2 Het hof stelt bij de behandeling van de grieven het volgende voorop. [appellanten] beroepen zich voor hun stelling dat de Nederlandse rechter in dit geval voorbij zou moeten gaan aan de in de Bijlage I bij het ESA-Verdrag aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie, op art. 6 EVRM. Het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM echter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft in de zaken Beer and Regan v. Germany (28934/95) en Waite and Kennedy v. Germany (26083/94) van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als ESA een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan partijen als [appellanten] “reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention” ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken A.L. v. Italie (41387/98) van 11 mei 2000 en Bosphorus v. Ireland (45036/98) van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (“comparable”) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter “the essence of their “right to a court” (“la substance même du droit”) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “manifestly deficient” is. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen en grieven van [appellanten] getoetst moeten worden aan de vraag of de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter heeft aangetast. Aangezien [appellanten] zich er daarbij uitsluitend op beroepen dat de door ESA in het leven geroepen alternatieve rechtsgang ontoereikend is, dient het hof tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf, te toetsen, niet zoals [appellanten] kennelijk menen of de rechtsgang bij de Appeals Board in alle opzichten aan art. 6 EVRM beantwoordt, zoals dit door het EHRM wordt uitgelegd wanneer de rechtsgang bij de overheidsrechter ter discussie wordt gesteld, maar of deze alternatieve rechtsgang zodanige gebreken vertoont dat het wezen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van [appellanten] op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan hen in de alternatieve rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend (“manifestly deficient”) is. Aangezien het hof hierna tot de slotsom komt dat daarvan geen sprake is komt het hof niet toe aan de door ESA opgeworpen vraag of de uitspraak van het EHRM inzake Stichting Mothers of Srebrenica and others v. The Netherlands (65542/12) van 11 juni 2013 niet meebrengt dat een dergelijke toetsing geheel achterwege zou moeten blijven, omdat zonder meer gevolg zou moeten worden gegeven aan de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie. Bij die vraag heeft ESA immers geen belang meer.

3.1 Grief 2 houdt twee klachten in. In de eerste plaats voeren [appellanten] aan dat de rechtbank verzuimd heeft de rechtsgang als geheel te onderzoeken en dat de rechtbank heeft miskend dat ook reeds de schijn van partijdigheid een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert. De schijn van partijdigheid blijkt volgens [appellanten] in dit geval uit de omstandigheid dat de ESA in alle geschillen voor de Appeals Board partij is, dat de ESA dus zeer vertrouwd is met de Appeals Board maar de individuele werknemers niet, aangezien zij slechts één of twee keer in hun loopbaan een klacht voor de Appeals Board zullen brengen. In geschillen tussen de ESA en haar werknemers staan de werknemers per definitie op achterstand en vrijwel geen enkele werknemer van ESA gelooft dat hij bij de Appeals Board een eerlijk proces zal krijgen, aldus [appellanten] In de tweede plaats zijn [appellanten] van mening dat de rechtbank bij het toetsen van de interne rechtsgang bij ESA betekenis had moeten toekennen aan het feit dat andere internationale organisaties recent hun interne rechtsgang hebben hervormd en gemoderniseerd en dat ESA daarop een uitzondering vormt.

3.2 De klacht dat de rechtbank verzuimd heeft de rechtsgang als geheel te onderzoeken is kennelijk door [appellanten] aldus uitgewerkt, dat zij de rechtbank verwijten dat deze geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de leden van de Appeals Board worden benoemd door het hoogste bestuursorgaan van de ESA, de Council, dat dit een te nauwe verbondenheid met de ESA met zich brengt en dat de leden van de Appeals Board onbeperkt kunnen worden herbenoemd. Deze klacht gaat niet op. Naar het oordeel van het hof is de benoemingstermijn van (telkens) zes jaar voldoende om de onafhankelijkheid van de leden van de Appeals Board te waarborgen, ook al worden de leden benoemd en (eventueel) herbenoemd door de Council. Het hof verwijst in dit verband naar de uitspraak van het EHRM inzake A.L. v. Italie van 11 mei 2000, waaruit blijkt dat het EHRM een benoemingstermijn van drie jaar niet te kort acht. Deze omstandigheden kunnen dan ook niet bijdragen tot het oordeel dat de rechtsgang bij de Appeals Board niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM.

3.3 Dat de Appeals Board de schijn van partijdigheid wekt is onvoldoende aangetoond. Niet valt in te zien dat het feit dat de ESA partij is in alle gedingen voor de Appeals Board en dat de ESA vertrouwd is met de Appeals Board maar individuele werknemers niet, ertoe kan leiden dat ten aanzien van de leden van de Appeals Board de schijn van partijdigheid ontstaat. Ook de stelling dat geen enkele werknemer van ESA gelooft dat hij bij de Appeals Board een eerlijk proces zal krijgen, indien juist, leidt niet tot een andere conclusie aangezien geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die een dergelijke opvatting objectief kunnen rechtvaardigen. De enkele subjectieve beleving bij [appellanten] is daartoe onvoldoende.

3.4 Ook de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan (hervorming van) de rechtsgang bij andere internationale organisaties is ongegrond. Uit de omstandigheid dat andere (vergelijkbare) internationale organisaties mogelijk een betere of modernere rechtsgang hebben dan ESA, volgt niet dat de rechtsgang bij ESA het wezen van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces aantast.

3.5 Ook overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank niet de procedure bij de Appeals Board als geheel heeft beoordeeld. Ook het hof zal bij de beoordeling van de klachten die [appellanten] naar voren hebben gebracht de procedure als geheel in aanmerking nemen.

3.6 Grief 2 faalt.

4.1 In grief 3 voeren [appellanten] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Appeals Board ten aanzien van bepaalde onderdelen van de vordering bevoegd was, en ten aanzien van een ander onderdeel de vraag naar de bevoegdheid van de Appeals Board om te oordelen over de discriminatoire aard van de Staff Regulations in het midden heeft gelaten. Volgens [appellanten] is, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, de Appeals Board niet bevoegd om, met buiten toepassing laten van Rule 21.2 en volgende, de vergoeding van ontheemdingstoelagen (en emolumenten) toe te kennen over de periode vanaf de dag van aanstelling tot op heden.

4.2 Het hof stelt voorop dat de Appeals Board in zijn uitspraak zelf geen oordeel heeft gegeven over zijn bevoegdheid. De Appeals Board heeft immers overwogen dat de vorderingen van [appellanten] op inhoudelijke gronden niet kunnen slagen en het heeft om die reden in het midden gelaten of hij bevoegd was die vorderingen toe te wijzen. Tegen deze achtergrond hadden partijen, zo begrijpt het hof de redenering van de Appeals Board, bij de vraag of de Appeals Board bevoegd was geen belang. Nu de Appeals Board geen uitspraak heeft gedaan omtrent zijn bevoegdheid in de zaak van [appellanten], is het niet aan dit hof om een beslissing te geven over de vraag of de Appeals Board bevoegd was de vorderingen van [appellanten] toe te wijzen indien de Appeals Board deze gegrond zou hebben bevonden. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien uit de Staff Rules dan wel eerdere jurisprudentie van de Appeals Board ondubbelzinnig zou volgen dat de Appeals Board daartoe niet bevoegd zou zijn geweest. Noch het één noch het ander is evenwel het geval.

4.3 Staff Regulation 33 luidt voor zover van belang als volgt:

33.1 There shall be set up an Appeals Board, independent of the Agency, to hear disputes relating to any explicit or implicit decision taken by the Agency and arising between it and a staff member, a former staff member or persons entitled under him.

33.2 The Appeals Board shall rescind any decision against which there has been an appeal if the decision is contrary to the Staff Regulations, Rules or Instructions or to the claimant’s terms of appointment or vested rights, and if the claimant’s personal interests are affected.

33.3 The Appeals Board may also order the Agency to repair any damage suffered by the claimant as a result of the decision referred to in paragraph 2 above.

Het hof is van oordeel dat met name paragraaf 33.1 een vrij ruime omschrijving geeft van de geschillen waarover de Appeals Board bevoegd is te oordelen en dat deze bevoegdheid niet alleen is neergelegd in paragraaf 33.2. Een beperking in die zin dat de Appeals Board niet de Staff Regulations buiten toepassing zou mogen laten wegens strijd met een hogere norm valt in paragraaf 33.1 en 33.2 niet te lezen. Evenmin volgt uit deze bepalingen dat de Appeals Board niet bevoegd zou zijn een besluit te vernietigen op grond van het oordeel dat de regel waarop dat besluit berust onverbindend is (zogenaamde exceptieve toetsing).

4.4 Uit de uitspraak van de Appeals Board van 1 juli 1996 in de zaak [X]/ESA blijkt niet dat de Appeals Board niet bevoegd is om de Staff Regulations buiten toepassing te laten.

In die zaak oordeelde de Appeals Board slechts dat het beroep gegrond was en dat het aangevochten besluit vernietigd diende te worden, maar dat de Appeals Board daar niet zelf een nieuw besluit voor in de plaats kon stellen. Deze overweging moet kennelijk worden gezien in het licht van de omstandigheid dat (i) nog nader feitenonderzoek zou moeten plaatsvinden naar de vraag of [X] regelmatig was teruggekeerd naar Italië en (ii) de ESA een vormfout had gemaakt door de zaak niet te verwijzen naar de Advisory Board. Hoe dit ook zij, uit deze uitspraak blijkt niet ondubbelzinnig dat de Appeals Board niet de Staff Regulations buiten toepassing zou mogen laten wegens strijd met een hogere norm.

4.5 Dit laatste blijkt ook niet uit de uitspraak van de Appeals Board van 7 oktober 2010 inzake [Y c.s.]./ESA In die zaak heeft de Appeals Board overwogen dat hij niet bevoegd is een besluit van de Council te vernietigen, aangezien het daarbij ging om een besluit met een ‘wetgevende’ strekking en [Y c.s.] niet opkwamen tegen een “décision individuelle qui leur aurait été notifiée par l’autorité de nomination”. In de zaak van [appellanten] werd, anders dan in de zaak van [Y c.s.], niet gevorderd dat een beslissing van de Council zou worden vernietigd. [appellanten] daarentegen hebben wel gevorderd individueel tot hen gerichte beslissingen te vernietigen (“to rescind the decision with respect to each of them”).

4.6 Het beroep dat [appellanten] doen op de passage die is geciteerd in de memorie van grieven onder 68 kan hun niet baten, aangezien partijen desgevraagd hebben bevestigd dat deze tekst in ieder geval niet van de Appeals Board afkomstig is.

4.7 Zelfs echter indien geoordeeld zou moeten worden dat de Appeals Board niet bevoegd was (onderdelen van) de vordering van [appellanten] toe te wijzen, betekent dat in de omstandigheden van het geval niet dat het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast. [appellanten] hebben immers hun geschil met ESA aan de Appeals Board voorgelegd, waarbij zij zich kennelijk niet op het standpunt hebben gesteld dat de Appeals Board onbevoegd was van hun vorderingen kennis te nemen. [appellanten] hebben vervolgens van de Appeals Board een inhoudelijk oordeel verkregen over de vragen die zij aan de Appeals Board hebben voorgelegd. Dit betekent dat [appellanten] een rechtsgang hebben kunnen benutten die, zoals uit het vervolg van dit arrest blijkt, voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van art. 6 EVRM aan een dergelijke rechtsgang moeten worden gesteld. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat in dit geval het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast.

4.8 De slotsom is dat grief 3 faalt.

5.1 Met grief 4 komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank, dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat de leden van de Appeals Board die hun zaak hebben beslist, niet onafhankelijk en onpartijdig waren. De grief bestaat uit zes onderdelen, die het hof achtereenvolgens zal behandelen.

5.2 [appellanten] voeren allereerst aan dat Massot, de voorzitter van de Appeals Board en ook van de kamer die op de zaak van appellanten zat, en andere rechters van de Appeals Board (De Lipsis en Shrimplin) in het verleden aan ESA verbonden waren. Daardoor zou de schijn van partijdigheid zijn gewekt en zou de Appeals Board als geheel niet als onafhankelijk en onpartijdig kunnen worden aangemerkt. Het hof is echter van oordeel dat de verbondenheid van deze rechters met ESA en/of aan ESA gelieerde organisaties zover in het verleden ligt, dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat een objectieve vrees voor partijdigheid gerechtvaardigd is. Deze verbondenheid is immers volgens de eigen stellingen van [appellanten] ten aanzien van Massot in 1972, ten aanzien van De Lipsis in 1992 en ten aanzien van Shrimplin in 1990 geëindigd. Het hof merkt hierbij ten overvloede op dat De Lipsis en Shrimplin niet op de zaak van [appellanten] hebben gezeten. De regel dat bij de toetsing van de rechtsgang aan art. 6 EVRM de rechtsgang als geheel dient te worden bekeken, betekent niet dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters die met de zaak van [appellanten] niets te maken hebben gehad in de beoordeling zou moeten worden betrokken. In dit verband constateert het hof dat de meerderheid van de rechters die op de zaak van [appellanten], hebben gezeten niet verbonden zijn geweest met ESA.

5.3 [appellanten] voeren in de tweede plaats aan dat de leden van de Appeals Board worden benoemd en herbenoemd door de Council. Het standpunt van [appellanten] komt er op neer dat met de onafhankelijkheid van rechters niet verenigbaar is dat zij, eventueel na voordracht door de Director General, worden benoemd door één van de partijen. Dit standpunt kan in zijn algemeenheid en ook in dit geval niet worden aanvaard. Het gaat er niet om of rechters door (of op voordracht van) één van partijen worden benoemd, maar of zij zich na hun benoeming voldoende onafhankelijk kunnen opstellen van deze partij. Daarbij zal met name de benoemingstermijn van belang zijn. In dit geval heeft het hof reeds overwogen dat een benoemingstermijn van zes jaar in beginsel een voldoende waarborg biedt dat de leden van de Appeals Board hun functie in volledige onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de mogelijkheid van herbenoeming (en het feit dat in de praktijk ook herbenoemingen hebben plaatsgevonden) het risico in zich bergt dat leden van de Appeals Board zich welwillend gaan gedragen richting ESA teneinde te worden herbenoemd. Daarvoor zal echter tegengewicht moeten worden gevonden in de personen van de leden van de Appeals Board, die van voldoende statuur moeten zijn. Dit laatste is naar het oordeel van het hof het geval, aangezien Massot kamervoorzitter in de Franse Raad van State, Matthes voorzitter van het hoogste Duitse arbeidsgerecht en Suy, behalve hoogleraar internationaal publiekrecht, ondersecretaris-generaal en legal counsel voor de Verenigde Naties in administratieve geschillen is geweest.

5.4 [appellanten] wijzen vervolgens op het feit dat van het totaal aantal leden van de Appeals Board slechts twee leden juridisch geschoold hoeven te zijn, en dat van de leden die op een zaak zitten er slechts één juridisch geschoold hoeft te zijn. Deze klacht gaat niet op, aangezien een en ander niet betekent dat de Appeals Board niet onafhankelijk of niet onpartijdig is. Overigens heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat van de leden die de zaak van [appellanten] hebben beoordeeld er twee juridisch geschoold waren, waaraan het hof toevoegt dat blijkens zijn curriculum vitae, Massot, hoewel niet als jurist opgeleid, van 1988-1996 wel een rechtsprekende functie heeft bekleed als “Président de la 4ème sous-section de la Section du Contentieux du Conseil d’Etat”.

5.5 [appellanten] klagen voorts over het oordeel van de rechtbank dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de griffier en plaatsvervangend griffier voldoende wordt gewaarborgd door het feit dat zij een eed afleggen en bij de uitoefening van hun taken alleen verantwoording schuldig zijn aan de Appeals Board. Deze klacht faalt reeds omdat [appellanten] eisen stellen aan de (plaatsvervangend) griffier die daaraan niet gesteld mogen worden. De (plaatsvervangend) griffier oordeelt immers niet over de geschillen die aan de Appeals Board worden voorgelegd, dat doet de Appeals Board, waarvan de (plaatsvervangend) griffier geen deel uitmaakt. Ook overigens blijkt niet dat de griffier zelfstandig beslissingen neemt hetzij ten aanzien van de inhoudelijke kant van de zaak hetzij ten aanzien van de voortgang van de zaak. Wat dit laatste betreft is onvoldoende gebleken dat de griffier iets anders heeft gedaan dan daarover voorstellen doen aan de voorzitter.

5.6 [appellanten] komen tevens op tegen het oordeel van de rechtbank, dat uit het feit dat de Appeals Board heeft geweigerd notulen op te stellen van de mondelinge behandeling van hun zaak, niet kan worden afgeleid dat de Appeals Board onpartijdig was. Ook deze klacht faalt. De bepaling in de Staff Regulations waarop [appellanten] zich beroepen en waarin volgens hen een verplichting is neergelegd tot het maken van notulen, is in dit opzicht niet geheel duidelijk en voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het enkele feit dat de Appeals Board deze bepaling eventueel onjuist heeft geïnterpreteerd betekent echter geenszins dat de Appeals Board niet onpartijdig was of dat [appellanten] geen eerlijk proces hebben gehad. Ook afgezien van de bedoelde bepaling in de Staff Regulations, brengt het niet bijhouden van notulen van een terechtzitting niet mee dat het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast.

5.7 Ten slotte richten [appellanten] klachten tegen de overweging van de rechtbank dat uit het feit dat ESA advies vraagt en krijgt van de voorzitter van de Appeals Board, niet blijkt dat er sprake is van gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Ook deze klacht kan niet slagen. Het advies ging in dit geval over de algemene, procedurele vraag of de Appeals Board een zaak zou willen aanhouden in het geval partijen mediation willen beproeven. Massot heeft daarop bevestigend geantwoord. Het hof kan in dit overleg over een algemeen procedureel punt op geen enkele wijze een teken van gebrek aan onafhankelijkheid of onpartijdigheid zien.

5.8 Het hof overweegt ten slotte dat Regulation 41.3 de mogelijkheid biedt voor een partij om wijziging van de samenstelling van de Appeals Board te verzoeken ‘on account of presumed partiality’. [appellanten] hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, terwijl niet blijkt dat [appellanten] thans over meer of andere informatie beschikken dan tijdens de behandeling voor de Appeals Board. Hun stelling dat ten aanzien van de andere leden van de Appeals Board ook de schijn van partijdigheid bestond snijdt geen hout, aangezien het enige argument dat zij ten aanzien van De Lipsis en Shrimplin hebben aangevoerd, te weten hun verbondenheid met ESA in het verleden, niet opgaat (zie hiervoor onder 5.2).

5.9 Het voorgaande betekent dat grief 4 faalt.

6.1 Met grief 5 komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de gestelde onregelmatigheden gedurende de procedure bij de Appeals Board er niet toe leiden dat er sprake is van ongelijke behandeling in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Deze klacht bestaat uit drie onderdelen.

6.2 Het eerste onderdeel van de klacht richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat [appellanten] kennelijk niet van iedere brief van de (griffier van de) Appeals Board aan ESA een afschrift hebben gekregen, nog geen ongelijke behandeling oplevert in de zin van art. 6 EVRM en dat daarvan pas mogelijk sprake zou kunnen zijn indien gebleken zou zijn dat ESA inhoudelijk met de Appeals Board heeft gecommuniceerd en als aan [appellanten] bewijsmateriaal zou zijn onthouden. De rechtbank heeft hiermee het beginsel van gelijke toegang tot het procesdossier miskend alsmede het beginsel dat beide partijen over gelijke informatie beschikken, aldus [appellanten]

6.3 De klachten falen. Met hun stelling dat zij geen toegang hebben gekregen tot het procesdossier bedoelen [appellanten] kennelijk dat zij geen inzage hebben gekregen in het griffiedossier, meer specifiek in de correspondentie die is gewisseld tussen de ESA en de Appeals Board. [appellanten] voeren immers niet aan dat zij geen toegang hebben gekregen tot bepaalde processtukken. Uit art. 6 EVRM vloeit zonder meer echter geen recht voort op kennisneming van het griffiedossier. Dit zou anders kunnen zijn indien informatie die voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak van belang is aan [appellanten] is onthouden, maar niet is gesteld of gebleken dat deze situatie zich hier heeft voorgedaan. Tegen deze achtergrond brengt het feit dat [appellanten] kennelijk niet van iedere brief van de (griffier van de) Appeals Board aan ESA een afschrift hebben gekregen, niet mee dat het wezen van hun recht op toegang tot de rechter is aangetast.

6.4 Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op de termijnverlenging die ESA van de Appeals Board heeft verkregen voor het indienen van de repliek. Volgens [appellanten] was de termijn voor het indienen van de repliek al verstreken op het moment dat de verlenging werd verleend en was verlenging dus in strijd met de Staff Regulations. [appellanten] contrasteren dit met het feit dat zij te horen kregen dat iedere termijnoverschrijding fataal zou zijn. Deze klacht gaat niet op, aangezien het feit dat de termijn voor het indienen van de repliek was verstreken niet noodzakelijkerwijs in de weg hoeft te staan aan het alsnog verlenen van uitstel. Het is ook niet aan het hof om te toetsen of de Appeals Board in strijd heeft gehandeld met de procedureregels die zijn neergelegd in de Staff Regulations. Het hof dient te oordelen over de vraag of het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast. Aan dit laatste staat het verleende uitstel geenszins in de weg. Evenmin is komen vast te staan dat partijen in dit opzicht ongelijk zijn behandeld. De omstandigheid dat aan [appellanten] is bericht dat de termijn voor indiening strak zou worden gehandhaafd betekent niet zonder meer dat aan hen niet ook uitstel zou zijn verleend na het verstrijken van die termijn.

6.5 Ten slotte klagen [appellanten] er over dat de uitspraken van de Appeals Board niet extern worden gepubliceerd. [appellanten] voeren in dit verband aan dat de bepaling dat een afschrift van de uitspraken door de Appeals Board op verzoek aan iedereen wordt verstrekt, geen verplichting maar een bevoegdheid inhoudt. Bovendien kunnen uitspraken niet worden opgevraagd indien niet bekend is welke uitspraken de Appeals Board heeft gedaan. Deze klacht faalt ook. Niet in geschil is dat de uitspraken van de Appeals Board op het intranet van ESA worden gepubliceerd. Nu de Appeals Board uitsluitend oordeelt over geschillen tussen ESA en haar (voormalige) personeelsleden acht het hof dit een toereikende wijze van publicatie. Voor het overige gaat de klacht uit van eisen die niet kunnen worden gesteld aan een procedure als deze waarop art. 6 EVRM niet rechtstreeks toepasselijk is.

6.6 Grief 5 slaagt niet.

7.1 Grief 6 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de Appeals Board voldoende gemotiveerd is. [appellanten] voeren aan dat het oordeel van de Appeals Board over het beroep dat zij hebben gedaan op het discriminatoire karakter van de Staff Regulations in verband met de artt. 45 en 21 e.v. VWEU, niet toereikend is gemotiveerd. Het argument dat de Appeals Board hanteert, namelijk dat er sprake is van vrijwilligheid bij het vertrek naar de lidstaat van de werkplek van [appellanten], is ontoereikend en biedt niet het inzicht in een gedachtegang waardoor de uitspraak controleerbaar en aanvaardbaar wordt. De Appeals Board had de argumenten van [appellanten] niet mogen negeren, althans niet zonder prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, aldus [appellanten]

7.2 Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat de Appeals Board het EU-recht niet juist zou hebben toegepast, geen reden kan opleveren om te oordelen dat het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast. Het valt dan niet in te zien dat dit laatste anders zou zijn indien het oordeel van de Appeals Board in dit opzicht niet alleen onjuist maar ook onvoldoende gemotiveerd is. Indien het oordeel van de Appeals Board juist is maar ontoereikend is gemotiveerd zijn [appellanten] daardoor uiteindelijk niet benadeeld. Over een en ander zou wellicht anders moeten worden geoordeeld indien aan het oordeel van de Appeals Board iedere motivering ontbreekt, maar dat is niet het geval. De Appeals Board heeft immers overwogen dat de Staff Rule die het recht op de expatriation allowance regelt, het vrij verkeer voor werknemers als [appellanten] niet beperkt, dat [appellanten] vrij waren en zijn om te gaan naar het land van hun keuze en dat noch de Staat noch enige werkgever in de EG verplicht is de kosten van een dergelijke verhuizing te dragen. De grief stuit hierop in zijn geheel af.

8.1 Het hof tekent bij het voorgaande volledigheidshalve aan dat ook indien de door de grieven naar voren gebrachte klachten tegen de rechtsgang bij de Appeals Board in onderling verband worden bezien en worden beoordeeld in het licht van het geding in zijn geheel, er geen sprake van is dat het wezen van het recht van [appellanten] op toegang tot de rechter is aangetast.

8.2 Nu alle grieven falen zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd.

8.3 [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de kant van ESA begroot op € 666,- voor verschotten en € 1.788,- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, M.E. Honée en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.