Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1717

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
BK-12-00658 tot en met BK-12-00662
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7876, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:472, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kansspelbelasting. Boeten. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en heeft in 2009 deelgenomen aan een live pokertoernooi in Frankrijk. De inspecteur heeft ter zake van de daarmee behaalde speelwinsten naheffingsaanslagen kansspelbelasting en verzuimboeten opgelegd. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boeten terecht zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1087
FutD 2014-1333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-12/00658 tot en met BK-12/00662

Uitspraak d.d. 7 mei 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [P], de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2012, nummers AWB 11/6530, AWB 11/6531, AWB 11/6533, AWB 11/6534 en AWB 11/6721, betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen.

Naheffingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 12 november 2009 over de maanden januari, februari, maart en mei van het jaar 2009 naheffingsaanslagen in de kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 1.303, € 549, € 158 en € 648 (de eerste naheffingsaanslagen). Bij gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslagen genomen beschikkingen is bij elke naheffingsaanslag een boete opgelegd van € 50.

1.2. Op 26 april 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag kansspelbelasting opgelegd van € 3.375 over de maanden januari, februari, maart, mei en september 2009 en bij gelijktijdig genomen beschikking een boete opgelegd van € 337 (de tweede naheffingsaanslag).

1.3. De Inspecteur heeft op respectievelijk 5 juli 2011 de eerste naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen en op 26 april 2011 de tweede naheffingsaanslag en boetebeschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

- verklaart de beroepen, voor zover zij zijn gericht tegen de naheffingsaanslagen, gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand;

- verklaart het beroep dat is gericht tegen de bij de eerste naheffingsaanslagen gegeven boetebeschikking, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de bij de tweede naheffingsaanslag gegeven boetebeschikking, gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 115.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord.

2.3. Belanghebbende heeft in het principaal ingestelde hoger beroep een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt

Vaststaande feiten

3.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 2 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“2. Eiser woont in Nederland en heeft in 2008 en 2009 deelgenomen aan pokerspelen via internet en aan live pokertoernooien in het buitenland. In de maanden januari, februari, maart en mei 2009 heeft eiser volgens eigen opgave met internetpoker respectievelijk € 4.495, € 1.895, € 546 en € 2.236 gewonnen. Ter zake van deze speelwinsten heeft verweerder de eerste naheffingsaanslagen opgelegd voor een totaalbedrag van € 2.658.

3.

In januari 2009 heeft eiser deelgenomen aan een live pokertoernooi in [Q] in Frankrijk (hierna: het pokertoernooi). Eiser heeft daar met € 5.000 aan inzet een prijs van € 31.000 gewonnen. Op de prijs werd door de organisator een zogenoemde rake ingehouden van € 300, zodat een bedrag van € 30.700 aan eiser werd uitgekeerd. Ter zake van deze speelwinst heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag kansspelbelasting opgelegd van € 7.543 (29% van (€ 30.700 -/- € 5.000)).

4.

Op 8 februari 2011 heeft verweerder een rapport uitgebracht van een administratief onderzoek dat bij eiser is uitgevoerd. In dit rapport is onder meer vermeld dat eiser gedurende de maanden januari, februari, maart, mei en september 2009 met internetpoker respectievelijk € 5.119, € 2.405, € 815,

€ 2.143 en € 5.639 heeft gewonnen en dat hij ter zake daarvan in totaal € 4.673 kansspelbelasting verschuldigd is. Verder is in het rapport vermeld dat de kansspelbelasting ter zake van de met het pokertoernooi behaalde speelwinst moet worden berekend over de prijs, na aftrek van de rake maar zonder aftrek van de inzet, dus over € 30.500, zodat eiser ter zake van deze prijs dus € 8.903 (29% van € 30.700) kansspelbelasting verschuldigd is.

5.

Op basis van de bevindingen uit het in 4 vermelde onderzoek heeft verweerder aan eiser de tweede naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van € 3.375 (4.673 -/- € 2.658 + 8.903 -/- 7.543).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de eerste naheffingsaanslagen en de tweede naheffingsaanslag alsmede de boetes bij de eerste naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, welke vragen belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Meer in het bijzonder is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

a. a) Is bij het internetpoker sprake van een binnenlands kansspel;

b) Is het pokertoernooi in [Q] een casinospel in de zin van de Wet op de kansspelbelasting;

c) Vormt de heffing van kansspelbelasting in de onderhavige gevallen een bij het EU-Verdrag verboden belemmering van het vrije verkeer van diensten en/of van kapitaal en als dat het geval is wordt de belemmering gerechtvaardigd door een van de gevallen genoemd in artikel 58 van het EU-verdrag dan wel redenen van algemeen belang. In dat verband is tevens in geschil of de aanbieders van pokeren op internet gevestigd zijn binnen de EU;

d) Zijn de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 1 Eerste Protocol EVRM;

e) Dient op de heffing de vrijstelling van artikel 52 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting (Bvdb) te worden toegepast;

f) Zijn de verzuimboetes bij de eerste naheffingsaanslagen terecht opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt de vragen a) tot en met e) bevestigend en f) ontkennend en de Inspecteur beantwoordt de vragen in tegenovergestelde zin.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het pokertoernooi en het pokeren via internet, waaraan belanghebbende heeft deelgenomen zijn aan te merken als kansspelen in de zin van de Wet op de kansspelbelasting (Wet Ksb). Evenmin is in geschil dat de rechtbank de boetebeschikking bij de tweede naheffingsaanslag terecht heeft vernietigd.

4.4. Belanghebbende heeft, onder handhaving van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd, - zakelijk weergegeven - in hoger beroep gesteld:

Buitenlandse kansspelen

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een buitenlands kansspel. De uitspraak is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Wanneer belanghebbende vanuit Nederland deelneemt aan een kansspel is sprake van een binnenlands kansspel en wanneer hij dat in het buitenland doet is sprake van een buitenlands kansspel. Deze interpretatie van artikel 2 Wet Ksb staat niet haaks op de duidelijke wettekst omdat een andere lezing zou veronderstellen dat een in Nederland woonachtige winnaar van een prijs na deelname kennis heeft van de plaats van de feitelijke leiding van de organisator. Voor een deelnemer op internet is het onmogelijk om de plaats van feitelijke leiding te achterhalen.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tijdens de behandeling in de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 2007-2008, 30 583, E) bevestigd dat sprake is van een binnenlands kansspel indien in Nederland wordt deelgenomen aan een kansspel op internet. Aan deze uitlating kan vertrouwen worden ontleend. De plaats waar gespeeld wordt is beslissend voor de vraag of sprake is van een binnenlands of een buitenlands kansspel. In het geval van belanghebbende is dat Nederland. Het is niet juist dat een speler zou moeten bepalen waar de feitelijke leiding van de organisator zich bevindt alvorens te kunnen beoordelen of hij belastingplichtig is voor de Wet Ksb. Belanghebbende heeft dus deelgenomen aan een binnenlands kansspel en is niet belastingplichtig voor de ksb.

Casinospelen

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een livepokertoernooi geen casinospel is in de zin van de Wet Ksb. Het oordeel is voorts ontoereikend gemotiveerd.

Live pokertoernooien kunnen kwalificeren als casinospel. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om bij de toepassing van het casinoregime onderscheid te maken tussen de pokertoernooien en poker in andere vorm, bijvoorbeeld cashgame. Bij cashgames kan de speler op elk moment aanschuiven. Bij een toernooi wordt de speler vooraf ingeschreven. De wetgever heeft poker als casinospel aangemerkt. Het standpunt van de Inspecteur dat poker geen casinospel kan zijn door de opeenvolging van inzetten van spelers tegen elkaar komt niet overeen met de bedoeling van de wetgever. Poker in toernooivorm kan wel degelijk kwalificeren als casinospel.

Belemmering en strijd met vrij verkeer van diensten en kapitaal in de zin van het EU-Verdrag

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de naheffingsaanslagen wat betreft de resultaten uit de live pokertoernooien niet in strijd zijn met het vrij verkeer van diensten en kapitaal. Het oordeel is voorts ontoereikend gemotiveerd.

De deelname aan buitenlandse live pokertoernooien wordt zonder dat daarvoor een toereikende objectieve, zowel in proportionele zin als noodzakelijke zin, rechtvaardiging bestaat verschillend behandeld in de Wet Ksb. De Inspecteur weerspreekt dat niet. De deelnemer aan een live pokertoernooi in Nederland is geen kansspelbelasting verschuldigd omdat de organisator belastingplichtig is voor het verschil tussen de prijzen en de inzetten en als een ander de prijzen ter beschikking stelt is de organisator slechts belastingplichtig voor hetgeen door de organisatie wordt ontvangen terwijl belanghebbende bij deelname in het buitenland in Nederland over de prijs belasting moet betalen zonder dat rekening gehouden mag worden met de inleg of verliesverrekening mogelijk is. De effectieve belastingdruk is bij deelname in het buitenland onevenredig hoger dan bij deelname in het binnenland.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat eventuele strijdigheid met het kapitaalverkeer het gevolg zal zijn van strijdigheid met het vrije verkeer van diensten. Er bestaat immers geen causaal verband tussen beide.

Ten aanzien van het beroep op het vrije verkeer van diensten en/of kapitaalverkeer.

De internetaanbieders waar belanghebbende heeft gepokerd verrichten hun activiteiten binnen de EU. [A] en [B] zijn binnen de EU gevestigd. Voor wat betreft [C] geldt dat activiteiten binnen de EU plaatsvinden en de onderdelen die online poker aanbieden ook binnen de EU zijn gevestigd. De belemmering doet zich wel degelijk voor in het kapitaalverkeer omdat ten tijde van de ontvangst van de prijs een kapitaalbeweging plaatsvindt die onderhevig is aan belastingheffing. Er is geen sprake van rechtvaardiging voor deze belemmering. De Inspecteur weerspreekt niet dat er geen rechtvaardiging is voor de belemmering.

Het beroep op artikel 1 Eerste Protocol EVRM

De heffing van kansspelbelasting komt in strijd met artikel 1 Eerste Protocol EVRM omdat de wet niet de mogelijkheid biedt bij buitenlandse internetspelen tot verliesverrekening over de maanden en bij buitenlandse live toernooien de mogelijkheid ontbreekt van een verrekening van de inzet met de prijs. Het oordeel van de rechtbank is onjuist en ontoereikend gemotiveerd.

Op belanghebbende rust een buitensporige last. Als gevolg van de heffingssystematiek is hij meer kansspelbelasting verschuldigd dan dat hij als voordeel heeft genoten. De naheffingsaanslagen komen in strijd met het eigendomsrecht. De wetgever heeft geen gerechtvaardigde reden om bij de belastinggrondslag voor online kansspelen geen verliesverrekening toe te staan voor de speler maar wel voor de aanbieder. Voorts heeft de wetgever er tevens voor gekozen dat bij buitenlandse live kansspelen de inzet niet in mindering kan worden gebracht op de belastbare prijs. De wetgever heeft de ruime beoordelingsvrijheid die hem normaal gesproken toekomt overschreden omdat hij het buitenkansbeginsel heeft verlaten en het draagkrachtbeginsel ten onrechte heeft losgelaten. De speler kan in een structurele verliessituatie terecht komen omdat het feitelijke voordeel geheel wordt weggenomen. Er is dan sprake van een “unfair balance” omdat de aanbieder van kansspelen wel het verlies kan verrekenen.

Artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de EU

Strijdigheid met artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de EU ten aanzien van het eigendomsrecht. Het beroep op dit artikel komt overeen met het beroep op het corresponderende artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

Vrijstelling van artikel 52 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 52 van het Bvdb niet van toepassing is omdat niet is gebleken dat de prijzen als object zijn onderworpen aan een gelijksoortige belasting. In het buitenland wordt bij casinospelen doorgaans geheven over het bruto spelresultaat en bij internetspelen een belasting over het totaal van het prijzengeld of twaalf percent als algemene inhouding, hetgeen ten onrechte niet als onderworpenheid in de zin van artikel 52 Bvdb wordt gekwalificeerd. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan het beroep op het vertrouwensbeginsel. De Staatssecretaris van Financiën heeft over de buitenlandse heffing een uitlating gedaan waarop mag worden afgegaan. In de Leidraad bij de Wet op de Loterijbelasting (Beschikking van 15 dec. 1961, no. B1/22 403, V-N 1962, nr. 1, blz. 23) heeft hij vermeld dat op prijzen gewonnen bij deelname aan buitenlandse kansspelen in België en Duitsland de vrijstelling van toepassing is en verder heeft hij bij de totstandkoming van de Wet Ksb opgemerkt dat de vrijstelling van artikel 52 Bvdb doorgaans van toepassing zal zijn.

De Staatssecretaris van Financiën heeft in het besluit van 18 december 2000, nr. IFZ 2000/7329M bepaald dat in beginsel niet is vereist dat daadwerkelijk belasting over de prijs is verschuldigd of dat belastingheffing over het volle bedrag van de prijs plaatsvindt. Dit zijn, evenals de hoogte van het belastingtarief, zaken die in beginsel de andere Mogendheid aangaan.

Verzuimboeten

De verzuimboeten zijn ten onrechte opgelegd omdat geen kansspelbelasting hoort te worden geheven. De verzuimboetes kunnen ook niet in stand blijven omdat het opleggen ervan niet op behoorlijke wijze is aangekondigd nu de grond en het wetsartikel waarop de boetes zijn gebaseerd niet in de aankondiging zijn vermeld.

Subsidiair geldt dat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft. De belastbaarheid van deelname aan buitenlandse kansspelen is niet rechtmatig. Belanghebbende kon redelijkerwijs menen juist te handelen en geen aangifte te doen. Het is bovendien onduidelijk of poker überhaupt een kansspel is.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende verzoekt volledige vergoeding van de in rekening gebrachte proceskosten.

4.5. De Inspecteur heeft in hoger beroep – eveneens zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Buitenlandse kansspelen

Belanghebbende neemt deel aan kansspelen die via internet worden aangeboden door organisatoren die in het buitenland zijn gevestigd. Daarmee neemt hij deel aan buitenlandse kansspelen. De artikelen 2, leden 2 en 3 van de Wet Ksb en de parlementaire geschiedenis laten daar geen twijfel over bestaan. Slechts de vestigingsplaats van de organisatoren is van belang en niet de plaats waar gespeeld wordtof in welke taal wordt gespeeld. De kansspelbelasting heeft geen extraterritoriale werking omdat de buitenlandse organisatoren niet in de heffing kunnen worden betrokken omdat Nederland in het buitenland geen rechtsmacht heeft. Er is slechts een onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse kansspelen.

Casinospelen

Ter bepaling van wat een buitenlands casinospel is dient te worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft dat ook terecht gedaan.

Om te bepalen wie belastingplichtig is dient te worden bezien van welk soort kansspel sprake is. Niet doorslaggevend is het gebruik, bijvoorbeeld het spelreglement van een van de aanbieders van een pokertoernooi. Indien moet worden gekeken naar het gebruik is poker via internet de meest gebruikte vorm.

Het afzonderlijke heffingsregime voor binnenlandse casinospelen is in 1981 in de wet opgenomen omdat het destijds bestaande systeem van heffing over de prijzen van fl. 1.000 of hoger onoverkomelijke bezwaren met zich bracht voor de legale staatscasino’s. Bij de casino’s is het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en prijzen belast dan wel de provisie voor het geven van gelegenheid tot deelname. Ook in de Wet Ksb is het begrip casinospel niet opgenomen.

De wetgever heeft in 1981 gekozen voor een systeem dat formeel iets van de buitenkansfilosofie is verwijderd maar dat er materieel wel op blijft berusten en een bijzondere regeling inhoudt waarbij over een speelperiode wordt geheven. De wetgever heeft het buitenkansbeginsel niet verlaten.

Een afzonderlijk heffingsregime ligt ook voor de hand bij casino’s omdat daar sprake is van een snelle opeenvolging van achtereenvolgende spelen, het heen en weer gaan van inzetten en uitkeringen tussen spelers en bank en de meer actieve rol van de spelers bij het spel, onder meer tot uiting komend in de wijze waarop zij hun inzetten doen.

Het verschil tussen casinospelen en overige kansspelen is volgens de Inspecteur als volgt te omschrijven:

- een snelle opeenvolging van achtereenvolgende spelen,

- gaan inzetten heen en weer tussen speler en bank,

- actieve rol spelers,

- is de prijs individueel of wordt gespeeld om de uitkomst /saldo van winst en verlies gedurende een bepaalde spelperiode.

Texas Hold’em voldoet niet aan die criteria om te worden aangemerkt als een binnenlands casinospel omdat geen sprake is van een snelle opeenvolging van spelen. De inzetten gaan niet heen en weer tussen bank en spelers. De fiches rouleren tussen de spelers onderling en zijn niet tegen geld inwisselbaar. Tussen de spelers is geen onderscheid naar rol. In tegenstelling tot roulette of black jack gaat het om het winnen van een prijs die in het vooruitzicht is gesteld. De spelvorm is aan te merken als een “overig” kansspel.

Vrij verkeer van diensten en kapitaalverkeer

Omdat geen sprake is van casinospelen is de belastingplicht hetzelfde als bij binnenlandse kansspelen omdat de maatstaf van heffing de prijs is. Gelet op de omstandigheid dat de maatstaf van heffing gelijk is, is geen sprake van strijdigheid met de vrijheid van diensten in de EU.

Er is geen sprake van strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer omdat de prijs zonder belemmering, zonder dat sprake is van enige invoerheffing of iets dergelijks, geïncasseerd kan worden. Tussen lidstaten onderling is geen beperking in het kapitaalverkeer onafhankelijk van de vraag naar welk moment dat wordt bezien.

Het beroep op artikel 1 Eerste Protocol EVRM

Belanghebbende stelt dat het opleggen van de naheffingsaanslagen op individueel niveau in strijd komt met het bepaalde in artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM omdat de Wet Ksb niet de mogelijkheid biedt tot verliesverrekening tussen de maanden onderling en bij live toernooien de mogelijkheid ontbreekt van een verrekening van het bedrag van de inzet met de prijs.

De Inspecteur deelt dit standpunt niet omdat de wetgever bij de keuze van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dat belang te dienen een ruime “margin of appreciation” toekomt.

Belanghebbende op wie de bewijslast rust heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat op haar een buitensporige last rust. De wetgever heeft een “fair balance” gevonden tussen de voor- en nadelen en heeft een uitgebreide belangenafweging gemaakt.

Als ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de wetgeving verliezen uit andere spelen kunnen worden gesaldeerd is dat een tegemoetkoming. De omstandigheid dat die tegemoetkoming altijd beter kan laat geen buitensporige last ontstaan.

De wetgever laat alle feiten en omstandigheden met betrekking tot de keuze van de speler tot zijn inzet en de hoogte van de prijs buiten beschouwing. Belanghebbende is vrij te kiezen of hij speelt of niet. Belanghebbende hoeft niet te spelen en kan een buitensporige last vermijden zo daarvan sprake is. Belanghebbende beperkt zijn schade niet.

De vrijstelling van artikel 52 Besluit ter voorkoming van dubbele belasting

Deze vrijstelling is niet van toepassing omdat niet is gebleken dat de gewonnen prijzen in dit geval zijn onderworpen aan een gelijksoortige belasting in het buitenland. De uitlating die de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling heeft gedaan berust op een veronderstelling zonder dat onderzoek naar de juistheid van zijn uitlating heeft plaatsgevonden naar de heffing binnen de EU. Daaraan valt op geen enkele wijze vertrouwen te ontlenen. Zijn uitlating dat doorgaans geen kansspelbelasting verschuldigd zal zijn is een uitlating die hij heeft gedaan in het kader van een discussie over de vrijheid van diensten, namelijk dat geen strijd daarmee bestaat omdat het buitenland doorgaans zal heffen. Het moet dan wel gaan om een onderworpenheid die vergelijkbaar is met de Nederlandse kansspelbelasting.

Verzuimboetes

Ten aanzien van de verzuimboetes merkt de Inspecteur op dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt omdat de heersende leer is dat sprake is van een kansspel waarbij in enigerlei vorm kansspelbelasting word geheven. De verzuimboete over de tweede naheffingsaanslag is terecht vervallen.

4.6. In het incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur gesteld.

Geen strijd met het vrije verkeer van diensten en kapitaal

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de heffing van kansspelbelasting in strijd is met het vrije verkeer van diensten voor wat betreft de maatstaf van heffing bij internetkansspelen en dat daarvoor geen rechtvaardiging kan worden aangenomen.

De wetgever heeft de belastingplicht wel verlegd maar niet de belastingdruk gewijzigd. Materieel bezien is over een speelperiode beoordeeld sprake van een even hoge belastingdruk. Nu bij buitenlandse internetkansspelen de belastingplicht ook over een periode wordt beoordeeld is geen sprake van een onevenwichtig verschil in maatstaf van heffing.

Bij een buitenlands internetkansspel wordt geheven over het positieve verschil tussen de in een maand gewonnen prijzen en de inzetten. Bij binnenlandse internetspelen is de organisator belastingplichtig.

Bij buitenlandse kansspelen is de Belastingdienst niet bekend met de inzetten en de prijzen.

Het verschil in behandeling met binnenlandse kansspelen is wettig,passend en proportioneel. De belemmering is gerechtvaardigd om een goede werking van de Wet Ksb te waarborgen. De doelstellingen die ten grondslag liggen aan het Nederlandse kansspelbeleid zijn wel degelijk aan te merken als dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van het vrije verkeer van diensten kunnen rechtvaardigen. Tevens betreft het hier beperkingen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het Nederlandse kansspelbeleid te bereiken, gaan de beperkingen niet verder dan nodig is, en dragen deze bij aan een samenhangende en stelselmatige beperking van kansspelen in Nederland. De wetgever heeft een zekere beoordelingsvrijheid om afwegingen te maken bij de noodzaak de heffing en inning te waarborgen. De regering voert een ontmoedigingsbeleid. Het heffen van kansspelbelasting over buitenlandse kansspelen is daarom gerechtvaardigd.

Geen vestiging binnen de EU

[A], [B] en [C] waren in de naheffingstijdvakken niet binnen de EU gevestigd.

De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat in de periode waarover is nageheven, 2009 en 2010, [B] buiten de EU was gevestigd en pas na licentie van Malta haar activiteiten binnen de EU heeft aangevangen. [C] is gevestigd op de Kanaaleilanden. Als gevolg daarvan kan bij deze internetaanbieders strijd met het vrije verkeer van diensten zich niet voordoen.

Verschil in maatstaf van heffing tussen gelegenheidsgever en speler.

Een binnenlands kansspel is niet vergelijkbaar met een buitenlands kansspel omdat de organisator van een buitenlands kansspel niet in de belastingheffing kan worden betrokken.

De speler van een buitenlands internetkansspel mag zijn winsten en verliezen verrekenen per tijdvak van een maand. Die verliesverrekening is bijzonder omdat de speler na elk spel de keuze heeft om nog een kansspel te spelen. Bij ieder kansspel staat de kans op winst of verlies geheel los van het vorige spel. De wetgever heeft de mogelijkheid van de maandelijkse saldering van prijzen en inzetten in de wet opgenomen vanwege het karakter van het spelen op internet. Dat karakter is vergelijkbaar met dat van casinospelen. De wetgever doet dit op praktische gronden. Dit neemt niet weg dat salderen een belangrijk voordeel kan zijn voor de speler van een buitenlands internetkansspel. Als sprake is van een hoge gewonnen prijs kan het zijn dat geen Nederlandse kansspelbelasting geheven hoeft te worden over die prijs. Inzetten worden verrekend.

Deze saldering is niet te vergelijken met de saldering van artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet Ksb door de gelegenheidsgever. Een binnenlandse gelegenheidsgever zal in zijn ondernemersplan altijd uitgaan van een positieve bate over een langer periode bezien en daarbij rekening houden met een groot aantal spelers. De gelegenheidsgever bepaalt de winstkans en de prijs. Over een langere periode bezien zal de binnenlandse gelegenheidsgever altijd kansspelbelasting verschuldigd zijn.

De binnenlandse gelegenheidsgever van internetkansspelen zal in zijn ondernemersplan rekening houden met de Wet Ksb. Op deze wijze is de speler daar slechter af omdat de winstkans kleiner is en de prijs lager omdat inzetten niet kunnen worden verrekend. Het kanselement maakt de conclusie dat altijd sprake zal zijn van een nadeel voor de speler bij een buitenlands internetkansspel niet mogelijk.

4.7. Belanghebbende heeft zich tegen het incidenteel hoger beroep als volgt verweerd:

Maatstaf van heffing in strijd met vrije verkeer van diensten en kapitaal

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de maatstaf van heffing bij kansspelbelastingen in combinatie met de administratieve verplichtingen die de winnaars bij de buitenlandse internetkansspelen worden opgelegd, het vrije verkeer van diensten en kapitaal belemmert. Deze nadelen houden direct verband met overschrijding van de grens.

Het gemaakte onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse kansspelen via internet vindt niet zijn rechtvaardiging in de inning en heffing van de kansspelbelasting, met name niet in de omstandigheid dat de Belastingdienst niet op de hoogte zou kunnen komen van de inzetten en de prijzen en ook niet in de ontmoediging van de deelname aan kansspelen.

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid, uitoefening van openbaar gezag noch andere redenen van algemeen belang vormen een rechtvaardiging voor het maken van het ongerechtvaardigde onderscheid. De belemmerende maatregel discrimineert naar nationaliteit, daarom kan daar geen rechtvaardiging voor gevonden worden.

Ter rechtvaardiging kan geen beroep worden gedaan op het waarborgen van de belastingheffing, het belang van de fiscale controles, de nakoming van bilaterale internationale overeenkomsten en de bestrijding van misbruik of grensoverschrijdende verliesverrekening.

Zo dat wel het geval is, is de maatregel niet proportioneel en ook niet noodzakelijk. De buitenlandse aanbieder kan onder de heffing van Nederlandse kansspelbelasting worden gebracht.

Het verhogen van de belastingdruk omdat de speler zijn inzet en prijs niet kan aantonen vormt geen rechtvaardiging.

Verzuimboetes eerste naheffingsaanslagen

Belanghebbende heeft een pleitbaar standpunt en de boetes zijn niet op de juiste wijze aangekondigd.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. Tevens heeft belanghebbende verzocht om volledige vergoeding van de in rekening gebrachte proceskosten.

5.2. De conclusie van de Inspecteur in het incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de eerste naheffingsaanslagen en de daarbij genomen boetebeschikkingen, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de tweede naheffingsaanslag en vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete bij de tweede naheffingsaanslag alsmede tot vernietiging van die boete. Subsidiair strekt de conclusie van de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“Wettelijke bepalingen

11.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet, wordt kansspelbelasting geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelname aan binnenlandse casinospelen en internetkansspelen, alsmede van de binnenlandse gerechtigde tot de prijzen van buitenlandse kansspelen en internetkansspelen.

12.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet worden kansspelen als binnenlands beschouwd, indien zij worden gehouden door natuurlijke personen of door lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van wie een of meer binnen Nederland wonen of gevestigd zijn. Op grond van het derde lid van dit artikel worden kansspelen beschouwd als buitenlands, indien zij niet vallen onder het tweede lid.

13.

Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet wordt de belasting van binnenlandse casino's geheven naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en ter beschikking gestelde prijzen. Op grond van onderdeel c van genoemd artikellid wordt de belasting van gerechtigden tot prijzen van buitenlandse internetkansspelen geheven naar het positieve verschil van de in een kalendermaand gewonnen prijzen en gedane inzetten, terwijl op grond van onderdeel b van genoemd artikellid de belasting van gerechtigden tot prijzen van andere buitenlandse kansspelen wordt geheven naar de prijzen.

14.

Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet, wordt de belasting ter zake van prijzen van binnenlandse kansspelen en internetkansspelen geheven door deze in te houden op de prijs door degene die de prijs verschuldigd is. De belasting van gerechtigden op prijzen dient, op grond van de artikelen 8 en 8a van de Wet, op aangifte te worden voldaan.

Het pokertoernooi

15.

Naar de rechtbank begrijpt is eiser van mening dat ter zake van het pokertoernooi ten onrechte kansspelbelasting is nageheven omdat binnenlandse en buitenlandse kansspelen verschillend worden behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Bij binnenlandse kansspelen wordt het pokertoernooi immers aangemerkt als een casinospel terwijl bij buitenlandse kansspelen geen onderscheid is gemaakt tussen casinospelen en andere kansspelen. Bij binnenlandse casinospelen is de aanbieder van het kansspel de belastingplichtige, terwijl bij buitenlandse kansspelen in alle gevallen de prijzenwinnaar de belastingplichtige is. Eiser neemt het standpunt in dat het pokertoernooi een casinospel is en dat daarom het voor binnenlandse casinospelen geldende regime moet worden toegepast. Daardoor is niet eiser, maar het desbetreffende casino de belastingplichtige, zodat de belasting ten onrechte van eiser is nageheven.

16.

De rechtbank overweegt dat de Wet geen omschrijving van het begrip 'casinospel' geeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de vraag of sprake is van een casinospel of van een ander kansspel moet worden beantwoord aan de hand van de eigenschappen van het desbetreffende spel en dat dus niet van belang is of het spel door een casino of een andere aanbieder wordt georganiseerd. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 583, nr. 3, pag. 4), is over het verschil tussen casinospelen en andere kansspelen onder meer het volgende vermeld:

"De snelle opeenvolging van achtereenvolgende spelen, het heen en weer gaan van inzetten en uitkeringen tussen spelers en de bank en de meer actieve rol van de spelers bij het spel - onder meer tot uiting komend in de wijze waarop zij hun inzetten doen - illustreren namelijk dat een vergelijking met meer traditionele kansspelen, zoals loterijen, moeilijk te trekken is. Dit blijkt ook uit het spraakgebruik: spreekt men bij loterijen van trekkingen waarbij van te voren bepaalde prijzen te winnen zijn, bij casinospelen spreekt men van een avond roulette of van een speelperiode, gedurende welke per saldo winst of verlies wordt geleden."

17.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan het pokertoernooi kan worden aangemerkt als een casinospel, zoals beschreven in het in 16 gegeven citaat. Integendeel, de door eiser gebruikte aanduiding "live toernooi" duidt erop dat de deelnemers niet tegen de organisator van het toernooi, maar ter plaatse tegen elkaar hebben gespeeld. Vaststaat dat eiser in Frankrijk heeft deelgenomen aan het pokertoernooi en daarbij eenmalig € 5.000 heeft ingezet. Er is dus geen sprake geweest van een snelle opeenvolging van achtereenvolgende spelen en het heen en weer gaan van inzetten en uitkeringen tussen spelers en de bank. Het vorenstaande en hetgeen partijen hierover verder over en weer hebben aangevoerd brengt de rechtbank tot het oordeel dat het pokertoernooi niet valt aan te merken als een casinospel. Dit brengt mee dat eiser ingevolge artikel 1, onderdeel d, van de Wet valt aan te merken als de belastingplichtige voor de kansspelbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit evenwel niet tot een verschil in behandeling met de situatie waarin het pokerspel in Nederland zou zijn gespeeld, nu ingevolge artikel 1, onderdeel c, van de Wet ook in dat geval de gerechtigde tot de prijzen als belastingplichtige moet worden aangemerkt. In beide gevallen wordt de belasting, op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, geheven naar de prijzen, zonder aftrek van de gedane inzetten. In zoverre is van een verschil in behandeling geen sprake.

18

Zou het pokertoernooi een binnenlands kansspel zijn geweest, dan had, op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet, de aanbieder van het toernooi de kansspelbelasting moeten inhouden op de prijs. Omdat het toernooi volgens de Wet een buitenlands kansspel is, had eiser de belasting op aangifte moeten voldoen. Voor zover eiser daarin een disproportionele ongelijke behandeling van ongelijke gevallen ziet, overweegt de rechtbank dat met het oog op een doelmatige en adequate belastingheffing de belasting zo mogelijk wordt geïnd bij degene van wie de prijzen afkomstig zijn, oftewel bij degene die tot deelneming aan kansspelen de gelegenheid geeft en daartoe wordt aangewezen als inhoudingsplichtige. Aan een buitenlandse aanbieder van een kansspel kan geen inhoudingsplicht worden opgelegd omdat de daarvoor vereiste rechtsmacht ontbreekt. De rechtbank is met inachtneming hiervan van oordeel dat voor het verschil in aangifteplicht tussen winnaars van buitenlandse prijzen en winnaars van binnenlandse prijzen, een objectieve rechtvaardiging bestaat. Een andersluidend oordeel zou immers tot gevolg hebben dat prijzen gewonnen met buitenlandse kansspelen geheel buiten de heffing van kansspelbelasting zouden blijven. Deze beroepsgrond van eiser faalt daarom.

De internetkansspelen

19.

Eiser heeft primair het standpunt ingenomen dat de internetkansspelen waaraan hij heeft deelgenomen, ongeacht of de aanbieders daarvan zich in Nederland of daarbuiten bevinden, binnenlandse kansspelen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet. Daarom is niet eiser maar degene die gelegenheid heeft gegeven tot deelname aan deze spelen, de belastingplichtige. Eiser vindt steun voor zijn standpunt in de parlementaire behandeling van de wijziging van de Wet en de Wet op de kansspelen, in het bijzonder de Kamerstukken I, 2007-2008, 30 583, E, waar onder meer is vermeld dat kansspelen waaraan (via internet) vanuit Nederland kan worden deelgenomen, als binnenlandse kansspelen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze beroepsgrond van eiser. Voor de door eiser gehanteerde methode van wetsinterpretatie is plaats als de wettekst onvoldoende duidelijkheid biedt voor toepassing in een concreet geval. De leden twee en drie van artikel 2 van de Wet laten er echter geen twijfel over bestaan welke kansspelen voor de heffing van kansspelbelasting als binnenlands en welke als buitenlands worden beschouwd. Kansspelen zijn binnenlands als zij worden gehouden door natuurlijke personen of door lichamen die in Nederland wonen of zijn gevestigd en buitenlands als zij niet aan dit criterium voldoen. Dat de Staatssecretaris van Financiën ten overstaan van het parlement een uitlating heeft gedaan die daarmee op gespannen voet staat, maakt dit niet anders. De desbetreffende kamerstukken bevatten de weergave van de parlementaire behandeling van de wijzigingen van de Wet, welke per 1 januari 2008 en 1 juli 2008 in werking zijn getreden. Voormelde artikelleden zijn daarbij niet gewijzigd. Zou met genoemde wetswijziging ook een wijziging van het toepassingsbereik van deze artikelleden zijn beoogd, dan had dit tot wijziging van die bepaling hebben moeten leiden, aangezien de door eiser voorgestane uitleg haaks staat op de duidelijke tekst daarvan. Voor zover de internetkansspelen waaraan eiser heeft deelgenomen zijn gehouden door personen of lichamen die buiten Nederland wonen of gevestigd zijn, is sprake van buitenlandse kansspelen en is, ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel e, en artikel 8a, eerste lid, van de Wet, eiser de belastingplichtige die de belasting op aangifte had behoren te voldoen.

20.

Eiser heeft voorts gesteld dat de effectieve belastingdruk bij buitenlandse internetkansspelen (veel) hoger is dan bij binnenlandse internetkansspelen, hetgeen een belemmering oplevert die in strijd is met het vrije dienstenverkeer. Uit de bepalingen rond de maatstaf van heffing vloeit immers voort dat in Nederland wonende deelnemers aan een buitenlands internetkansspel kansspelbelasting moeten voldoen over het positieve verschil tussen de in een kalendermaand gewonnen prijzen en de in die kalendermaand gedane inzetten. In Nederland wonende deelnemers aan een binnenlands internetkansspel hoeven geen kansspelbelasting te voldoen. In plaats daarvan is degene die gelegenheid heeft gegeven tot deelname aan het internetkansspel verplicht kansspelbelasting te voldoen over het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de in dat tijdvak ter beschikking gestelde prijzen. Het bedrag aan kansspelbelasting dat op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verschuldigd is in geval van een binnenlands internetkansspel zal, omgeslagen naar de individuele prijzen, altijd lager zijn dan het bedrag aan kansspelbelasting dat is berekend over de prijzen minus de gedane inzetten bij een buitenlands internetkansspel. Bovendien is ingeval van een binnenlands internetkansspel er de mogelijkheid van verliesverrekening. Bij deelname aan een buitenlands internetkansspel is dus meer kansspelbelasting verschuldigd dan bij deelname aan een binnenlands internetkansspel. Dit, in combinatie met de administratieve verplichtingen die aan prijswinnaars van een buitenlands internetkansspel zijn opgelegd, maakt deelname aan een buitenlands casinospel minder aantrekkelijk voor in Nederland wonende of gevestigde spelers. Omdat deze nadelen direct verband houden met overschrijding van de grens nu afname plaatsvindt van diensten die door een buitenlandse aanbieder worden aangeboden, is sprake van de belemmering van het vrije dienstenverkeer en het vrije kapitaalverkeer.

21.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat door het verschil in maatstaf van heffing er een belemmering is van het vrije dienstenverkeer. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat het Nederlandse kansspelbeleid, dat is gericht op ontmoediging en het voorkomen van gokverslaving, een rechtvaardigingsgrond is voor de geconstateerde belemmering van het vrije dienstenverkeer. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het Nederlandse kansspelbeleid weliswaar een rechtvaardigingsgrond worden gevonden om aanbieders van kansspelen uit andere lidstaten van de Europese Unie van de Nederlandse markt te weren, maar biedt dat beleid geen rechtvaardiging voor een verschil in belastingheffing. De conclusie is derhalve dat in strijd met het gemeenschapsrecht sprake is van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije dienstenverkeer.

Alsdan rijst de vraag of en zo ja op welke wijze de rechter ter zake effectieve rechtsbescherming kan bieden. In dit geval stuit toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op diverse problemen. De rechtbank ziet niet in hoe de maatstaf van heffing voor de berekening van de door eiser verschuldigde kansspelbelasting op een dusdanige wijze kan worden vastgesteld, dat de belemmering wordt weggenomen. In dit verband is de rechtbank dan ook van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om een maatstaf van heffing vast te stellen waarmee de belemmering wordt opgeheven en die tegelijk recht doet aan de bedoeling van de wetgever. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aan de wetgever is om in de geconstateerde lacune te voorzien. In zoverre zijn de beroepen dus gegrond, maar de rechtbank zal de rechtsgevolgen van de uitspraken op bezwaar in zoverre in stand laten.

Voorkoming dubbele belasting

22.

Eiser heeft aangevoerd dat de prijzen zijn vrijgesteld op grond van artikel 52 van het Bvdb. Het artikel waarop eiser zich beroep voorziet in de vrijstelling van kansspelbelasting als de desbetreffende prijs is onderworpen aan een gelijksoortige belasting die vanwege een ander land of een andere mogendheid wordt geheven. Eiser heeft verwezen naar enkele buitenlandse regelingen, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee en met wat hij in dat verband verder heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gewonnen prijzen onderworpen zijn aan een met de kansspelbelasting vergelijkbare buitenlandse belasting. Deze beroepsgrond van eiser faalt daarom.

EVRM

23.

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM luidt als volgt:

"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."

Eiser neemt het standpunt in dat de heffing van kansspelbelasting in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, nu ook sprake kan zijn van belastingheffing zonder dat daadwerkelijk voordeel is genoten; er wordt immers geen rekening gehouden met geleden verliezen. Hierdoor ontstaat een excessieve last voor eiser. Ook de beperkte mogelijkheid om inzetten te verrekenen is hier debet aan.

Verweerder heeft daartegenover gesteld dat de wetgever de opbrengst van afzonderlijke kansspelen in de heffing heeft kunnen en mogen betrekken. De wetgever heeft daarbij mogen kiezen voor een doelmatige benadering en dusdoende kunnen volstaan met het slechts gedurende een bepaalde periode bieden van de mogelijkheid inzetten te verrekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de heffing van kansspelbelasting naar de huidige vorm niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. Deze bepaling tast immers het recht van een staat niet aan om door middel van belastingheffing de eigendom te reguleren. Daarvoor is wel vereist dat een inbreuk op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt nagestreefd. Daarvan is geen sprake indien de belastingplichtige wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Van dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen sprake in het geval van eiser. De inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom van eiser is gelegitimeerd door een belastingheffing die wordt geheven uit kracht van een nationale wet. Het tarief en de grondslag zijn daarbij, mede in het licht van het te belasten voordeel, niet zodanig dat kan worden gesteld dat sprake is van een excessieve last. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de afweging van het algemeen belang en de keuze voor inhoud en vormgeving van de heffing. De wetgever heeft daarom, zonder met genoemde bepaling in strijd te komen, er bij de vaststelling van de grondslag voor kunnen kiezen om geen rekening te houden met verliezen. Deze beroepsgrond van eiser faalt daarom.

Vrijheid van kapitaalverkeer

24.

Voor het geval de aanbieders van de internetkansspelen buiten de Europese Unie gevestigd zijn heeft eiser het standpunt ingenomen dat heffing van kansspelbelasting over de gewonnen prijzen in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de vrijheid van kapitaalverkeer een gevolg is van de belemmering van het vrije dienstenverkeer en dat dit ook geldt in geval aanbieders in derde landen worden gehinderd bij het aanbieden van hun diensten op het grondgebied van de Europese Unie. Onder die omstandigheden wordt, gegeven het oordeel van het Europese Hof van Justitie in de zaak Fidium Finanz AG (arrest van 3 oktober 2006, zaak C-452/04), niet toegekomen aan de vraag of heffing van kansspelbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer.

De boeten

25.

Aangaande de boetebeschikkingen heeft eiser aangevoerd dat hij er in redelijkheid vanuit mocht gaan geen kansspelbelasting verschuldigd te zijn. Ten aanzien van de verzuimboeten die zijn opgelegd bij de eerste naheffingsaanslagen is de rechtbank van oordeel dat die terecht aan eiser zijn opgelegd. Die boeten zijn opgelegd wegens het niet betalen van belasting die op aangifte had moeten worden voldaan. Bij een belasting die op aangifte moet worden voldaan wordt met het doen van aangifte de belastingschuld geformaliseerd. Wordt de aangegeven belasting vervolgens niet binnen de daarvoor geldende termijn voldaan, dan is sprake van een beboetbaar verzuim. De standpunten die eiser heeft ingenomen zien daarop niet. De boete die is opgelegd bij de tweede naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van nageheven belasting die niet is aangegeven en waarvan eiser de verschuldigdheid betwist. Naar het oordeel van de rechtbank laten de door partijen over en weer aangevoerde gronden met betrekking tot de tweede naheffingsaanslag, zowel in de bezwaarfase als in beroep, alsmede de rechtsoverwegingen van de rechtbank bij deze uitspraak, geen andere conclusie toe dan dat eiser weliswaar voor een deel onjuiste, maar niettemin pleitbare standpunten huldigde. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij de tweede naheffingsaanslag ten onrechte een boete is opgelegd. De desbetreffende boetebeschikking dient daarom te worden vernietigd. In zoverre is het beroep dus gegrond.

Proceskosten

26.

De rechtbank vindt - gelet op het onder 20 en 25 overwogene - aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor van 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken). Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser bij zijn bezwaar om vergoeding daarvan heeft verzocht.”

Beoordeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep

Binnenlands kansspel of buitenlands kansspel

7.1.1. Artikel 1 Wet Ksb verklaart belastingplichtig voor de heffing van die belasting de in Nederland wonende gerechtigde tot de prijzen van buitenlandse kansspelen welke via internet worden gespeeld en de gerechtigde tot de prijzen van buitenlandse kansspelen niet zijnde kansspelen welke via het internet worden gespeeld. Het begrip buitenlandse kansspelen is in de wet omschreven als dat zij niet worden gehouden door natuurlijke personen of door lichamen waarvan een of meer in Nederland wonen of zijn gevestigd.

Belanghebbende heeft een prijs gewonnen door deelname aan een kansspel (niet in geschil is dat deelname aan een pokertoernooi deelname aan een kansspel is) in een casino in Frankrijk. Niet gesteld is dat dit kansspel is gehouden door een in Nederland wonende persoon of in Nederland gevestigd lichaam. Derhalve is sprake van deelname aan een buitenlands kansspel.

Voor wat betreft de deelname door belanghebbende aan de kansspelen via internet overweegt het Hof dat uit het dossier geen feiten naar voren komen op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze zijn gehouden door in Nederland wonende personen of in Nederland gevestigde lichamen. Het Hof verwerpt de andersluidende opvatting van belanghebbende dat op grond van de wettekst geen sprake is van buitenlandse kansspelen.

Bedoeling wetgever

7.1.2. Uit de bedoeling van de wetgever kan overigens niet worden afgeleid dat het begrip buitenlandse kansspelen anders dient te worden geïnterpreteerd dan de duidelijke wettekst ten aanzien van het begrip reeds aangeeft. Voor de door belanghebbende voorgestane uitleg van het begrip buitenlandse kansspelen in die zin dat slechts sprake is van buitenlandse kansspelen als de gerechtigde tot de prijzen tijdens diens fysieke aanwezigheid in het buitenland daaraan deelneemt, is geen grondslag te vinden in de duidelijke tekst van de wet en ook niet in de parlementaire geschiedenis, waar de bedoeling van de wetgever als volgt is omschreven:

“Buitenlandse kansspelen via internet zijn die spelen die niet worden gehouden door een binnen het Rijk wonend natuurlijk persoon of gevestigd lichaam. Indicaties dat sprake is van deelname aan een buitenlands spel kunnen worden ontleend aan de taal waarin de site is opgesteld, het webadres, de provider en overige gegevens die op de site staan. Als op de site van de aanbieder geen door de Minister van Justitie verleend vergunningnummer wordt vermeld, kan dit eveneens en indicatie zijn dat sprake is van buitenlands aanbod.” (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 583, nr. 3, blz. 3.).

7.1.3. Het Hof volgt de rechtbank in overweging 19 ten aanzien van haar kwalificatie van de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën in de Nadere memorie van antwoord in de Eerste Kamer bij de behandeling van de Wet tot Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Kamerstukken I, 2007-2008, 30 583, nr. E), inhoudende dat die uitlating geen betekenis toekomt tegenover de duidelijke tekst van de wet en de omstandigheid dat in artikel 2, de leden twee en drie van de Wet Ksb, de omschrijving welke kansspelen wel en welke niet als buitenlands worden beschouwd, bij genoemde wetswijziging niet zijn gewijzigd.

Binnenlands of buitenlands casinospel

7.1.4. In de Wet Ksb komt het begrip buitenlands casinospel niet voor. Artikel 1 van de Wet Ksb noemt slechts het begrip binnenlands casinospel en dit begrip wordt (samen met het automaatspel) tegenover het begrip gelegenheid geven tot het spelen van een binnenlands kansspel via internet geplaatst en tegenover een vierde (rest)categorie: binnenlandse kansspelen, niet zijnde casinospelen en automaatspelen en kansspelen via internet. In de eerste drie categorieën (binnenlandse casinospelen, automaatspelen en kansspelen via internet) is de gelegenheidsgever de belastingplichtige en in de vierde de gerechtigde tot de prijzen. De stelling dat een internetspel in wettelijk opzicht een casinospel is verwerpt het Hof. Noch uit de tekst, de bedoeling of de systematiek van de Wet Ksb blijkt de juistheid van die stelling.

In het onderhavige geval is duidelijk geen sprake van het spelen van een binnenlands kansspel, dus kan ook geen sprake zijn van heffing bij een gelegenheidsgever van een binnenlands casinospel en ook niet bij de gelegenheidsgever van een binnenlands kansspel via internet.

De omstandigheid dat in de parlementaire geschiedenis is vermeld dat de belastingheffing bij deelname aan een binnenlands kansspel via internet aansluit bij het systeem van heffing bij deelname aan een binnenlands casino in die zin dat geheven wordt van degene die gelegenheid geeft tot deelname aan het kansspel houdt geenszins in dat spelen van een kansspel via internet door de wetgever wordt gelijkgesteld met een casinospel doch uitsluitend dat wordt aangesloten bij het systeem van heffing. De tekst van de Wet Ksb is duidelijk en ook de bedoeling van de wetgever.

7.1.5. Het Hof verwerpt de door belanghebbende voorgestane opvatting dat pokerspel via internet dient te worden aangemerkt als deelname aan een binnenlands casinospel of dat voor het duiden van het begrip casinospel aangesloten moet worden bij het gebruik, aldus door belanghebbende opgevat dat het niet uitmaakt of het pokerspel via internet wordt gespeeld of niet.

De vraag of de deelname aan een pokertoernooi (in het buitenland) in een casino is aan te merken als een casinospel behoeft geen beantwoording, nu in het onderhavige geval sprake is van deelname aan een buitenlands kansspel en belanghebbende in dat geval als gerechtigde tot de prijs als belastingplichtige is aan te merken.

Het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM

7.2.1. In beginsel vormt belastingheffing, naar vaste jurisprudentie van het EHRM, een legitieme regulering door de overheid van het gebruik van eigendom. Een dergelijke regulering vormt geen inbreuk in de zin van het Eerste Protocol van het EVRM indien deze aan de legaliteitstoets, de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets voldoet. De toets van legaliteit brengt mee dat de regeling precies, toegankelijk en voorzienbaar moet zijn. De wetgever komt in deze een ruime beoordelingsmarge toe. De legitimiteitstoets vereist dat de wetgever met een regulering van het gebruik van eigendom een doel in het algemeen belang nastreeft. Zowel bij de keuze van het doel als de kwalificatie ”algemeen belang” komt aan de wetgever wederom een ruime beoordelingsmarge toe. Die marge wordt overschreden indien de keuze van de wetgever elke redelijkheid ontbeert. Als de legaliteit en de legitimiteit in acht zijn genomen wordt getoetst of een redelijke balans bestaat tussen het legitieme doel en de gehanteerde middelen om dat doel te bereiken (evenredigheidstoets).

7.2.2. Voor wat betreft de toets aan de legaliteit geldt dat de artikelen 1, 2, 8 en 8a van de Wet Ksb met de wijziging daarop in verband met kansspelen via internet legaal tot stand is gekomen door goedkeuring van de Staten-Generaal, bekend is gemaakt in het Staatsblad en ruim van te voren als wetsvoorstel is aangekondigd en is besproken met beroepsorganisaties. De belastingplicht en de wijze van heffing van de binnenlandse prijswinnaar van buitenlandse kansspelen zijn nauwkeurig in de wet omschreven.

7.2.3. Voorts beantwoorden genoemde bepalingen aan de toets van legitimiteit daar waar de heffing van kansspelbelasting ook in het geval de prijswinnaar deelneemt aan een buitenlands kansspel tot doel heeft om kansspelen te reguleren en te beheersen en daar waar mogelijk te ontmoedigen, kansspelverslaving tegen te gaan, de consument te beschermen en illegaliteit en criminaliteit tegen te gaan. Daar komt voor de kansspelen via internet bij dat de regelgeving tot dan toe onvoldoende mogelijkheden bood om te komen tot een uitvoerbare heffing bij dit soort kansspelen terwijl kansspelen via internet voor een ieder zeer gemakkelijk toegankelijk zijn.

Binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt valt bij buitenlandse kansspelen de keuze om de prijswinnaar te belasten omdat de organisator van de spelen (de gelegenheidsgever) niet onder de Nederlandse rechtsmacht valt en de deelnemer aan een dergelijk kansspel in voorkomend geval wel. Aan het beginsel van evenredigheid wordt voldaan doordat daartegenover de mogelijkheid bestaat dat bij onderworpenheid van de prijs aan een soortgelijke belasting van een andere mogendheid een beroep op de vrijstelling van artikel 52 van het Bvdb kan worden gedaan, zodat in beginsel dubbele belastingheffing wordt voorkomen.

Eveneens binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever ten aanzien van inhoud en vormgeving van de heffing valt de keuze van de wetgever voor een systeem waarbij in de gevallen dat sprake is van belastingheffing bij een binnenlandse deelnemer aan een buitenlands kansspel de belastingplicht op grond van artikel 1, onderdeel e, van de Wet Ksb meebrengt dat de positieve verschillen tussen prijzen en inzetten binnen een bepaald tijdvak worden belast en een negatief verschil in een tijdvak niet kan worden verrekend met een tijdvak waar sprake is van een positief verschil, dit in tegenstelling tot de gelegenheidsgever die zijn verliezen buiten de tijdvakken mag verrekenen omdat mag worden verondersteld dat hij in zijn ondernemersplan altijd zal uitgaan van een positieve bate over een langere periode bezien en daarbij rekening zal houden met een groot aantal spelers. Bij de speler is er de keuze voor een volgend spel. Bij een gelegenheidsgever is er het verschil dat hij een onderneming drijft en hij in dat kader de prijs bepaalt en invloed op de winst?kans heeft.

Het Hof acht voor wat betreft de systematiek van de heffing van kansspelbelasting bij de buitenlandse kansspelen een redelijke balans tussen de gekozen middelen en het te bereiken doel aanwezig. Daarbij zij in aanmerking genomen dat beoogd is om (illegale) kansspelen via internet niet te bevoordelen ten opzichte van kansspelen «in de reële wereld», waaronder de kansspelautomatenspelen en een einde is gemaakt aan een vorm van rechtsongelijkheid en dus recht wordt gedaan aan het beginsel van fiscale neutraliteit.

7.2.4. Op het individuele niveau van belanghebbende leidt de regeling ook niet tot een dusdanige belastingheffing dat sprake is van een “excessive and unlawful burden”. Het Hof volgt in dit opzicht het oordeel van de rechtbank in onderdeel 23 van de uitspraak.

7.2.5. Een beroep op artikel 14 van het EVRM leidt tot overwegingen die niet anders luiden dan hiervoor onder 7.2.1 tot en met 7.2.4 zijn gegeven voor wat betreft de rechtvaardiging van de heffing van de binnenlandse deelnemer aan een buitenlands kansspel en de wide margin of appreciation van de nationale wetgever.

Artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de EU

7.3. Nu de toetsing aan dit artikel uit het Handvest niets toevoegt aan hetgeen hiervoor onder 7.2.1 tot en met 7.2.4 is overwogen laat het Hof het beroep op dit artikel verder buiten beschouwing.

Belemmering en vrij verkeer van diensten en/of kapitaal in de zin van het EU-Verdrag

7.4.1. Het Hof beantwoordt de vraag of het Nederlandse heffingssysteem bij buitenlandse kansspelen belemmerend werkt als volgt. Te dezen kan sprake zijn van een belemmering van het vrije verkeer van diensten. In feite wordt het spelen van een buitenlands kansspel minder toegankelijk gemaakt voor in Nederland wonende spelers, omdat zij volgens het systeem van de Wet Ksb zelf worden belast tegen een hoger bedrag dan het geval zou zijn bij een binnenlands kansspel en in vergelijking met een binnenlandse organisator minder inzet kunnen verrekenen, welke belemmering met zich brengt dat zij minder vaak van de diensten van een buitenlandse organisator van kansspelen gebruik zullen maken, zodat de met het spelen behaalde prijzen en daarmee verband houdende grensoverschrijdende financiële stroom minder omvangrijk zal zijn. De mogelijke belemmering is naar het oordeel van het Hof een onvermijdelijk gevolg van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten en niet van de vrijheid van kapitaalverkeer, aangezien de uitkering van de prijs, zoals de Inspecteur terecht stelt, feitelijk niet in de weg wordt gestaan. Het Hof ziet op Europees niveau geen rechtvaardiging voor de belemmering zoals deze plaats kan vinden in redenen van algemeen belang of openbare orde.

7.4.2. Voor zover de aanbieders van de spelen in de EU zijn gevestigd ziet het Hof, evenals de rechtbank, geen mogelijkheid de belemmering ongedaan te maken. Daarbij zij overwogen dat de mate van belemmering in ogenschouw dient te worden genomen en dat het mogelijk is dat in het buitenland sprake is van onderworpenheid aan een soortgelijke belasting als de kansspelbelasting, waardoor de vrijstelling van artikel 52 van het Bvdb van toepassing is en de belemmering kan worden weggenomen. Wanneer de aanbieder in een niet EU land is gevestigd kan van een rechtsgeldig beroep op het vrije verkeer van diensten geen sprake zijn.

7.4.3. Voor wat betreft het onderhavige geval oordeelt het Hof als volgt.

De deelname in een Frans casino aan een pokertoernooi valt onder het vrije verkeer van diensten binnen de EU. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de organisator daarvan is gevestigd in een niet EU-land.

Voor wat betreft het deelnemen aan het kansspel via internet is sprake van drie organisatoren: [A], [B] en [C]. Deze organisatoren zijn in 2009, het jaar waar het thans om gaat, voor de plaats van vestiging van de vennootschappen, door het Hof opgevat als de plaats waar de feitelijke leiding plaatsvindt, dat wil zeggen, het bestuur en de administratie, terug te leiden tot niet binnen de EU gevestigde vennootschappen: [A] tot [D] in Singapore, [B] tot Californië en Isle of Man en [C] tot de Kanaaleilanden, Delawarevennootschappen en Antilliaanse vennootschappen. Voor de belastingheffing over prijzen ter zake van die internetspelen kan belanghebbende geen beroep op het vrije verkeer van diensten doen.

Vrijstelling van artikel 52 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting

7.5.1. Belanghebbendes standpunt komt erop neer dat hij vertrouwen kan ontlenen aan uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de behandeling van het wetsvoorstel inzake wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen op internet.

Het Hof verwerpt dit standpunt. De uitlatingen zijn door de Staatssecretaris gedaan in het kader van medewetgeving en aan uitlatingen in dat kader komt geen in rechte te honoreren vertrouwen toe. Bovendien is alleen vermeld dat in een aantal gevallen een beroep kan worden gedaan op het Bvdb. De Staatssecretaris heeft daarbij echter niet vermeld dat de toetsing aan de in dit Besluit gestelde voorwaarden daarmee komt te vervallen.

7.5.2. Op dezelfde grond als vermeld in 7.5.1 kan belanghebbende evenmin vertrouwen ontlenen aan de uitlatingen van de Staatssecretaris in de Leidraad bij de Wet op de Loterijbelasting. Daarbij komt dat Leidraad slechts vrijstelling verleent als in België of Duitsland wordt gespeeld en dat is in dit geval niet gebeurd.

7.5.3. Belanghebbende doet voorts een beroep op de door de Staatssecretaris van Financiën in het besluit van 18 december 2000, nr. IFZ 2000/7329 M gegeven uitleg aan artikel 52 van het Bvdb, inhoudende dat in beginsel niet is vereist dat belasting is verschuldigd over de volle prijs.

De tekst van het besluit luidt als volgt:

“In beginsel is het niet vereist dat er daadwerkelijk belasting over het buitenlandse inkomen of de winst is verschuldigd, noch dat er belastingheffing over het volle bedrag van dat inkomen of de winst plaatsvindt. Dit zijn, net als het tarief van de belasting, zaken die in beginsel de andere Mogendheid aangaan. Een en ander betekent echter niet dat een belastingplichtige kan volstaan met een enkele verwijzing naar heffingsbepalingen van het andere land. Met betrekking tot het aannemelijk maken dat in een desbetreffend geval aan het onderworpenheidsvereiste is voldaan, kan worden verlangd dat — naast de verwijzing naar de relevante bepalingen — een aanslag of andere in principe door de buitenlandse fiscus gewaarmerkte bescheiden waaruit die onderworpenheid van het vrij te stellen inkomen blijkt, worden getoond; een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dat met zich mee. Indien belastingplichtige dergelijke bescheiden niet kan overleggen, is de uitgangspositie dat niet is voldaan aan de onderworpenheidseis.”

Het Hof leidt uit het Bvdb af dat het aan belanghebbende is aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten voor de vrijstelling in artikel 52 van het Bvdb, waarbij in ieder geval niet kan worden volstaan met de enkele verwijzing naar de in de staat waar de prijs is gewonnen voor onderworpenheid geldende wettelijke bepalingen doch naar het oordeel van het Hof wat betreft de onderworpenheid op enigerlei wijze inzicht dient te bestaan in de concrete vorm van heffing en belanghebbende vrij is in de door hem aan te dragen bewijsmiddelen. Niet vereist is dat daadwerkelijk belasting is betaald.

7.5.4. Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 52 van het Bvdb op de spelwinst behaald in het casino in [Q], is het Hof van oordeel dat belanghebbende geen rechtsgeldig beroep op de vrijstellingsbepaling toekomt. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze prijs of de spelwinst direct of indirect bij het casino aan de belastingheffing in Frankrijk is onderworpen. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat van het casino geen inlichtingen ter zake konden worden verkregen.

7.5.5. Ten aanzien van de via internet beoefende buitenlandse kansspelen komt belanghebbende evenmin een rechtsgeldig beroep op artikel 52 van het Bvdb toe. Gesteld noch gebleken is dat de prijzen die door de organisatoren zijn uitgekeerd zijn onderworpen aan een in het buitenland met kansspelbelasting vergelijkbare belasting.

Het Hof verwerpt mitsdien het beroep op de in artikel 52 van het Bvdb neergelegde vrijstelling.

7.5.6. De conclusie is dat ten aanzien van het pokertoernooi in het casino in [Q] de belemmering van het vrije verkeer van diensten aanwezig is. Het Hof ziet met de rechtbank geen mogelijkheid deze anders dan door wetgeving weg te nemen.

Incidenteel hoger beroep

7.6.1. De conclusie is dat de Inspecteur in het incidenteel hoger beroep terecht heeft aangevoerd dat de vrijheid van dienstenverkeer geen toepassing vindt op de pokerspelen die belanghebbende in 2009 via internet heeft beoefend. In zoverre is het incidenteel hoger beroep gegrond maar het is ongegrond ten aanzien van de stelling van de Inspecteur dat ten aanzien van het pokertoernooi in [Q] geen bij het EU-verdrag verboden belemmering van het vrij verkeer van diensten aanwezig is. Tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt dit evenwel niet.

Verzuimboeten

7.7.1. Bij de eerste naheffingsaanslagen zijn verzuimboeten opgelegd. De boeten zijn voldoende aangekondigd in het controlerapport van 8 februari 2011. Nadat daarin is uiteengezet dat te weinig belasting op aangifte is betaald, vermeldt het rapport dat verzuimboeten zullen worden opgelegd omdat belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt en dat de boeten zijn gebaseerd op artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 24 van het Besluit bestuurlijke boeten.

7.7.2. De stelling dat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft ingenomen kan een verzuimboete niet doen vervallen omdat de bestanddelen opzet of grove schuld geen deel uitmaken van de delictsomschrijving van een dergelijke boete en derhalve geen bewijs behoeven. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, merkt het Hof op dat van omstandigheden die zulks rechtvaardigen niet is gebleken. Bij een duidelijke wettekst als in dit geval die bij het spelen op internet van een kansspel met een in het buitenland gevestigde organisator de prijswinnaar als belastingplichtige aanmerkt, doet zich zo’n situatie niet voor. Voor zover belanghebbende zich beroept op opgewekt vertrouwen zijn in het dossier geen uitlatingen van de Inspecteur vast te stellen die een beroep daarop rechtvaardigen.

Slotsom

7.8. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het incidenteel hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Evenmin is er aanleiding de Inspecteur te gelasten het griffierecht te vergoeden.

8.2. Voor het toekennen van een vergoeding van de integrale proceskosten in bezwaar en beroep is geen reden omdat de Inspecteur niet tegen beter weten in een rechtens onjuist standpunt heeft ingenomen en dat in de procedure heeft gehandhaafd.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, U.E. Tromp en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is 7 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.