Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1692

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
200.134.507.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige. Behoefte en consequenties inwoning - geen terugbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 april 2014

Zaaknummer : 200.134.507/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-9108

Zaaknummer rechtbank : C/09/432300

[de vader],

wonende te[plaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.H.J. Körver te Den Haag,

tegen

[de jongmeerderjarige],

geboren op [geboortedatum in] te [plaats],

wonende te [plaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat mr. D. Vurdelja te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 27 september 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juli 2013 van de rechtbank Den Haag.

De jongmeerderjarige heeft op 7 november 2013 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vader heeft op 20 december 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

  • -

    op 7 november 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 28 februari 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de jongmeerderjarige:

  • -

    op 12 november 2013 een brief gedateerd 11 oktober 2013 met als bijlage een V-formulier van 11 november 2013 met bijlage;

  • -

    op 3 maart 2014 een V-formulier van 1 maart 2014 met bijlagen.

De zaak is op 14 maart 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de jongmeerderjarige, bijgestaan door haar advocaat.

Tevens is verschenen een kantoorgenoot van de advocaat van de vader.

De advocaat van de jongmeerderjarige heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling van 10 augustus 2001 – de door de vader met ingang van 7 april 2012 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige bepaald op € 255,- per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige, hierna ook: alimentatie jongmeerderjarige.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, te bepalen dat de bij de bestreden beschikking vastgestelde alimentatie met terugwerkende kracht (tot het moment dat de jongmeerderjarige meerderjarig is geworden) wordt gewijzigd in die zin dat deze op nihil wordt gesteld.

3. De jongmeerderjarige verweert zich daartegen en verzoekt het hoger beroep van de vader af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de jongmeerderjarige (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- de vader gedurende de periode van 7 april 2012 tot en met 1 september 2013 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie zal voldoen van € 255,- per maand;

- de vader vanaf 1 september 2013 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 463,83 per maand zal voldoen,

dan wel vanaf de datum van indiening van het verweerschrift in eerste aanleg, dan wel vanaf de datum van indiening van het verweerschrift in appel, dan wel een bedrag vast te stellen met ingang van een datum die het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4. De vader verzet zich daartegen en handhaaft zijn petitum.

Wijziging van omstandigheden

5.

Nu de door de rechtbank aangenomen wijzigingsgronden als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek niet in geschil zijn, dient de alimentatieverplichting van de vader jegens de dochter opnieuw te worden beoordeeld, rekening houdende met alle ter zake dienende feiten en omstandigheden.

Ingangsdatum

6.

Het hof gaat uit van de door partijen in hoger beroep niet aan de orde gestelde ingangsdatum van de wijziging alimentatie jongmeerderjarige van 7 april 2012.

Behoefte van de jongmeerderjarige

7.

Vaststaat dat de jongmeerderjarige studeert aan het[naam school]en sinds haar achttiende jaar studiefinanciering ontvangt. Voorts staat vast dat de jongmeerderjarige sinds 1 november 2012 uitwonend student is.

8.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de jongmeerderjarige een gespecificeerde behoeftelijst overgelegd. Deze lijst is zowel in de stukken als ook ter zitting door partijen besproken. Het hof ziet dan ook aanleiding om aan de hand van deze behoeftelijst (per 1 januari 2013) de behoefte van de jongmeerderjarige te bepalen. De volgende posten worden door de vader – na correctie door de rechtbank (posten roken en telefonie) – nog bestreden:

- vervoer;

- zorgverzekering;

- internet;

- huur studentenkamer.

Vervoer

9.

De jongmeerderjarige voert een post ‘algemeen (thuisverbruik waaronder verzorging huisdieren en bezoek aan dierenarts, ontspanning, vervoer, onvoorzien, enz.)’ op van € 60,- per maand. De vader acht dit bedrag te hoog en stelt dat de jongmeerderjarige geen kosten maakt voor vervoer omdat zij een OV-jaarkaart heeft. Volgens de vader moet deze post dan ook met ten minste € 50,- naar beneden worden bijgesteld.

10.

Gezien het feit dat de vader bezwaar heeft gemaakt tegen de post algemeen had het op de weg van de jongmeerderjarige gelegen om een zo nauwkeurige omschrijving te geven van de bestanddelen van de post algemeen van € 60,-. Dat de jongmeerderjarige ook enige gelden uitgeeft voor niet direct aanwijsbare posten acht het hof begrijpelijk. Het hof begroot in redelijkheid deze post op € 20,-.

Zorgverzekering

11.

De jongmeerderjarige voert een bedrag van € 141,45 per maand op aan premie zorgverzekering. De vader acht dit, gelet op de leeftijd van de jongmeerderjarige, een disproportioneel hoog bedrag. Volgens de vader kan de jongmeerderjarige een besparing maken van € 50,- per maand. Het hof is van oordeel dat de jongmeerderjarige een kostbare verzekering heeft afgesloten. Het hof zal derhalve rekening houden met een redelijke premie van € 91,- per maand.

Internet

12.

De jongmeerderjarige voert, zo blijkt uit de bijlage bij haar behoeftelijst van 1 januari 2013, een bedrag van € 18,- per maand aan internetkosten op. De vader stelt dat sprake is van een dubbeltelling, aangezien in de huurovereenkomst van de jongmeerderjarige reeds een bedrag van € 16,66 per maand is verwerkt dat de jongmeerderjarige voor het gebruik van internet aan haar verhuurder dient te betalen.

13.

Het hof overweegt als volgt. Uit de door de jongmeerderjarige overgelegde huurovereenkomst (productie 5 bij inleidend verweerschrift) blijkt dat in het maandelijkse huurbedrag reeds een bedrag van € 16,66 zit verwerkt dat is bestemd voor internet. Gelet hierop houdt het hof geen rekening met het door de jongmeerderjarige opgevoerde bedrag van € 18,- per maand aan internetkosten, ondanks de omstandigheid dat het internet van de verhuurder vanwege een technisch mankement al gedurende lange tijd niet bruikbaar is.

Huur studentenkamer

14.

De vader stelt dat de jongmeerderjarige van 7 april 2012 tot 1 november 2012 bij haar moeder heeft gewoond en dat om die reden het door de jongmeerderjarige opgevoerde bedrag aan huur, te weten € 351,55 per maand, voor die periode niet moet worden meegenomen.

15.

De jongmeerderjarige verweert zich daartegen. Zij stelt te hebben bijgedragen in de huurkosten van haar moeder in de periode van 7 april 2012 tot 1 november 2012. Haar moeder heeft dit ook bevestigd, zo blijkt uit productie 5 bij het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

16.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de jongmeerderjarige gedurende de periode van
7 april 2012 tot 1 november 2012 bij haar moeder heeft gewoond. Naar het oordeel van het hof heeft de jongmeerderjarige onvoldoende aangetoond dat en voor welk bedrag zij heeft bijgedragen in de kosten van de huur van haar moeder, zodat het hof voor de periode van 7 april 2012 tot 1 november 2012 bij de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige geen rekening zal houden met enige woonkosten. Daarenboven rust ook op de moeder een onderhoudsverplichting welke onderhoudsverplichting de moeder dan heeft verschaft in de vorm van woongenot.

Conclusie

17.

Het bovenstaande in acht genomen stelt het hof de behoefte van de jongmeerderjarige voor de periode van 7 april 2012 tot 1 november 2012 vast op afgerond € 551,- per maand. Voor de periode met ingang van 1 november 2012 bedraagt de behoefte van de jongmeerderjarige € 902,- per maand. Voormeld bedrag acht het hof redelijk en billijk. Ook de jongmeerderjarige dient zich bewust te zijn dan wel te worden dat niet alle gewenste uitgaven ook daadwerkelijk kunnen worden verricht. Het houdt derhalve geen rekening meer met de overige posten die de jongmeerderjarige heeft opgevoerd. Als de jongmeerderjarige niet kan uitkomen met een bedrag van € 902,- kan zij er ook nog voor kiezen om weer bij haar moeder te gaan wonen hetgeen een kostenbesparing oplevert van € 351,55 per maand.

18.

Het hof ziet geen aanleiding voor de periode ingaande 1 september 2013 een wijziging aan te brengen in de behoefte van de jongmeerderjarige. De jongmeerderjarige had de beschikking over woonruimte voor een bedrag van € 351,55. Dat de jongmeerderjarige om haar moverende redenen naar een duurdere woonruimte wenst te gaan komt voor haar eigen rekening en risico. Deze lastenverhoging kan zij in redelijkheid niet in rekening brengen bij haar vader.

19.

Tussen partijen staat vast dat de jongmeerderjarige een inkomen uit studiefinanciering ontvangt van € 552,58 per maand, alsmede een zorgtoeslag van € 88,- per maand. Nu sprake is van een studentenkamer komt zij niet in aanmerking voor huurtoeslag. Tevens heeft de jongmeerderjarige een bijbaan waarmee zij gemiddeld € 100,- per maand verdient. De jongmeerderjarige heeft derhalve een eigen inkomen van € 740,58 per maand. Dit bedrag komt in mindering op de behoefte van de jongmeerderjarige, zodat de resterende behoefte voor de periode met ingang van 1 november 2012 afgerond € 161,- bedraagt. Voor de periode van 7 april 2012 tot 1 november 2012 resteert er geen behoefte, zodat het hof de te betalen alimentatie jongmeerderjarige voor die periode op nihil zal stellen.

Draagkracht van de vader

20.

De vader stelt dat voor de bepaling van zijn inkomen moet worden uitgegaan van zijn jaaropgaaf 2012 en niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, van zijn jaaropgaaf 2011.

21.

De jongmeerderjarige stelt dat wanneer wordt uit gegaan van de jaaropgaaf 2012 van de vader, ook rekening moet worden gehouden met de schadevergoeding die hij heeft ontvangen in verband met het ongeluk.

22.

Het hof houdt rekening met de meest recente inkomens gegevens van de vader, te weten een bruto jaarinkomen van € 38.564,-, zoals dit volgt uit de door de vader bij brief van
28 februari 2014 overgelegde jaaropgaaf 2013. Dit inkomen is nagenoeg gelijk aan het inkomen over 2012, zodat het hof ook voor de periode over 2012 (november en december) uit zal gaan van dit inkomen. Aan de vader is nog geen schadevergoeding uitgekeerd en alleen al om deze reden houdt het hof hier dus geen rekening mee bij de berekening van de draagkracht.

23.

Ten aanzien van de in aanmerking te nemen woonlasten overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de vader in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. De vader woont nog in de echtelijke woning die in gemeenschappelijk eigendom toebehoort aan hem en zijn vrouw. De vader voldoet de volledige rente van de hypothecaire geldlening. Op basis van de fiscale eigen woningregeling is deze voor de vader nog slechts voor de helft aftrekbaar, ook al betaalt hij de rente volledig door. Het hof houdt derhalve in de berekening rekening met € 486,- per maand aan fiscaal aftrekbare rente van de hypothecaire geldlening en met € 486,- per maand aan niet aftrekbare rente van de hypothecaire geldlening. Het hof gaat uit van een eigenwoningforfait van € 1.260,- (op basis WOZ-waarde van € 210.000,- zoals blijkt uit recente financiële stukken van de vader, overgelegd bij het verweerschrift in incidenteel appel).

24.

Naast voormelde woonlast neemt het hof nog de volgende maandelijkse lasten van de vader in aanmerking: € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 108,- premie Zorgverzekeringswet en € 29,- verplicht eigen risico Zorgverzekeringswet, zoals blijkt uit de meest recente financiële stukken van de vader en waartegen geen bezwaar is gemaakt.

25.

Het hof houdt voorts rekening met het door de vader opgevoerde bedrag van in totaal € 160,- per maand ter zake van de premie levensverzekering, nu deze kosten verbonden zijn aan de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning van de vader (en zijn vrouw).

26.

Het hof houdt geen rekening met de overige door de vader opgevoerde lasten (onder meer kosten auto, gas, water, licht, belastingen, telefonie, internet en televisie), nu deze kosten reeds verdisconteerd zijn in de bijstandsnorm. Wel houdt het hof rekening met de schuld van de vader aan de stichting onderling steunfonds politie haaglanden van € 1.890,-.

27.

Voor de vader geldt een bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70. Verder neemt het hof in aanmerking dat niet in geschil is dat de draagkracht van de vader verdeeld dient te worden over twee kinderen, te weten de zoon van de vader en de jongmeerderjarige.

28.

Gelet op het bovenstaande en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting en de gebruikelijke belastingen, stelt het hof vast dat de draagkracht van de vader een alimentatie jongmeerderjarige toelaat van € 121,- per maand.

29.

Gezien het feit dat de moeder een zeer beperkt inkomen heeft, kan van haar geen bijdrage in redelijkheid worden verlangd. Derhalve zal uitsluitend de vader in de aanvullende behoefte dienen te voorzien. Ook het feit dat de moeder samenleeft maakt dit oordeel niet anders.

30.

Voor de periode met ingang van 1 november 2012 zal het hof de door de vader te betalen alimentatie jongmeerderjarige dan ook vaststellen op € 121,- per maand.

31.

Aangezien het hof aannemelijk acht dat de jongmeerderjarige de door haar van de vader eventueel teveel ontvangen alimentatie heeft geconsumeerd, zal het hof geen terugbetalingsverplichting opleggen.

32.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de onderling getroffen regeling van
10 augustus 2001 – de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige met ingang van 7 april 2012 tot
1 november 2012 op nihil en met ingang van 1 november 2012 op € 121,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de jongmeerderjarige de eventueel teveel door de vader aan haar betaalde bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie niet aan hem hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Breederveld, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2014.