Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1688

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
16-07-2016
Zaaknummer
200.139.770/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overeenkomst kinderalimentatie; draagkracht niet verminderd; nieuwe Tremanormen kinderalimentatie worden niet toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 mei 2014

Zaaknummer : 200.139.770/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-4465

Zaaknummer rechtbank : C/10/425936

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. Th.Th.M.L. Boersema te Maassluis,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. drs. J.P.M. Bol te Alkmaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 6 januari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
4 oktober 2013 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 7 maart 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 11 april 2014 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 22 januari 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 8 april 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 7 april 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op donderdag 17 april 2014 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige Kiki heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 10 december 2007 en de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 10 december 2007 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 229,- per maand per kind, en ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 214,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De in deze beschikking bepaalde bedragen berusten op tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het door de rechtbank gewaarmerkte en aan de beschikking gehechte convenant dat partijen hebben ondertekend op 17 oktober 2007.

De echtscheidingsbeschikking is op 10 januari 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van
10 december 2007 en het in die beschikking opgenomen gewaarmerkte convenant van
17 oktober 2007 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de vader opgelegde c.q. overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van
1 september 2013 wordt bepaald op € 76,50 per maand per kind en de daarbij aan de vader opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de moeder met ingang van 1 september 2013 wordt bepaald op € 122,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1.

In geschil zijn de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van de minderjarigen [minderjarige X], geboren [in] 1997 te [woonplaats], en [minderjarige Y], geboren [in] 2001 te [woonplaats] (hierna: de minderjarigen) en de door de vader aan de moeder te betalen uitkering in het levensonderhoud van de moeder (hierna: partneralimentatie).

2.

De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vader af te wijzen althans de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken.

3.

De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover deze de kinderalimentatie betreft en het hoger beroep van de moeder af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft, en de partneralimentatie met ingang van
22 mei 2013, de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen.

4.

De moeder verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor zover het de partneralimentatie betreft te bekrachtigen.

Kinderalimentatie

5.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze is in ieder geval daarin gelegen dat de vader in 2009 en 2013 met zijn nieuwe partner twee kinderen heeft gekregen. Het hof zal, gelet op de standpunten van partijen in hoger beroep, beoordelen of de echtscheidingsbeschikking van 10 december 2007, waarbij onder meer de kinderalimentatie op € 229,- per kind per maand is bepaald, nog steeds voldoet aan de wettelijke maatstaven, daarbij rekening houdende met alle ter zake dienende omstandigheden.

6.

Gelet op die beoordeling is het hof van oordeel dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de destijds vastgestelde kinderalimentatie van € 229,- per kind per maand heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Hoewel de vader thans de zorg heeft voor twee ‘nieuwe’ kinderen en zijn draagkracht over vier in plaats van twee kinderen verdeeld moet worden, is eveneens gebleken dat het inkomen van de vader aanzienlijk, te weten met een bedrag van ongeveer € 24.000, -, is toegenomen en dat hij zijn woonlasten kan delen met zijn nieuwe partner. Dit maakt dat hij in ieder geval niet minder draagkracht heeft dan voorheen. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat ook uit de door de vader overgelegde draagkrachtberekening (bijlage 7 bij de stukken van 7 april 2014) volgt dat hij voldoende draagkracht heeft om een bijdrage te betalen van € 229,- (in 2014 geïndexeerd € 255,29) per kind per maand. Overigens betreft de tussen partijen afgesproken ruimere zorgregeling naar het oordeel van het hof eveneens geen relevante wijziging van omstandigheden, nu feitelijk door de vader niet méér zorg wordt verleend dan destijds bij convenant is afgesproken. Dit leidt tot een vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarbij de kinderalimentatie is vastgesteld op € 76,50 per kind per maand ingaande 1 september 2013. Het hof zal het inleidende verzoek van de vader tot verlaging van de kinderalimentatie dan ook afwijzen.

7.

Hetgeen voor het overige betrekking tot de kinderalimentatie is aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande, geen bespreking meer. Dat geldt met name ook voor het door de vader onderbouwde standpunt dat de gewijzigde alimentatienormen tot een lager bedrag moeten leiden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen met inachtneming van de destijds reeds overeengekomen zorgregeling deze kinderalimentatie uitdrukkelijk zijn overeengekomen.

Partneralimentatie

8.

De moeder voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder haar eigen behoefte niet heeft onderbouwd. Zij heeft die stukken wel degelijk in het geding gebracht. De door de rechtbank nieuw vastgestelde partneralimentatie voldoet niet aan de wettelijke maatstaven. De moeder stelt dat het niet mogelijk is haar huidige werkzaamheden uit te breiden als gevolg van de recessie en de grote bezuinigingen in de culturele sector waarin zij werkt. Voorts acht zij het gelet op de leeftijd van de jongste minderjarige niet wenselijk om veertig uur in de week te werken. Zij zal dan niet in staat zijn de zorgtaken, die zij thans heeft, uit te voeren. Ter zitting heeft de moeder nog aangevoerd dat zij werkzaam is bij de bibliotheek en zij thans de gemaakte overuren niet meer in geld krijgt uitbetaald. Dit is volgens de moeder de reden van de verlaging van haar inkomen in 2013.

9.

De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet te verwachten is dat de moeder binnen afzienbare tijd geheel in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Hij voert daartoe aan dat een arbeidsparticipatie van de moeder van ten minste 80% gezien de leeftijd van de minderjarigen en de verdeling van de zorg normaal en toereikend zou zijn om in haar behoefte te voorzien. Daarbij komt, zo stelt de vader, dat de moeder niet heeft aangetoond dat zij haar arbeidscontract niet kan uitbreiden. Nihilstelling is volgens de vader temeer wenselijk omdat zijn nieuwe partner een tijdelijk inkomen heeft en een niet onaanzienlijk risico loopt dat dit inkomen in de aankomende periode minder zal worden. Ter zitting heeft de vader nog aangevoerd dat de moeder zal moeten aantonen waarom haar inkomen over 2013 is verlaagd ten aanzien van 2012. Hij is van mening dat als de moeder er niet in slaagt haar inkomen binnen een termijn van zes maanden te verhogen het aan de moeder is om te bewijzen dat zij langer alimentatie nodig heeft.

10.

Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de moeder nog behoeftig is. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Ook hetgeen de vader daartoe nog in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Dat zijn partner een tijdelijk inkomen heeft en het risico loopt dat dit inkomen nog minder wordt, maakt niet dat de door de vader te betalen partneralimentatie op nihil moet worden gesteld, nu dit een onzekere toekomstige omstandigheid betreft. Overigens valt naar het oordeel van het hof op basis van de thans beschikbare gegevens ook op termijn niet te voorzien dat de moeder haar inkomen op een zodanige wijze kan verhogen dat zij geen aanvullende bijdrage meer van de vader nodig zal hebben.

11.

Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat de vader geen draagkracht zou hebben een partneralimentatie van € 122,- bruto per maand te voldoen. Anderzijds is het hof van oordeel dat weliswaar de moeder stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar behoefte, maar dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij nog altijd behoefte heeft aan de destijds overeengekomen uitkering tot levensonderhoud. Gelet hierop en gelet op het vorenstaande, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

12.

Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover deze de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vader alsnog af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Husson en Stollenwerck, bijgestaan door
mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2014.