Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1686

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
200.109.765
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3013, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid voor levering met schadelijke schimmel besmette potgrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.109.765/01

Rolnummer rechtbank : 391110 /HA ZA 11-1078

Arrest d.d. 27 mei 2014

in de zaak van

Vof Cactuskwekerij [appellant],

gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland, en haar vennoten

[appellant sub 2] en

[appellant sub 3],

beiden wonende te Honselersdijk, gemeente Westland,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. M. Verhoeff te Naaldwijk,

tegen

MeeGaa Substrates B.V.,

gevestigd te Maasland, gemeente Midden-Delfland,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: MeeGaa,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

Bij tussenarrest van 16 juli 2013 heeft het hof MeeGaa toegelaten tot (tegen)bewijslevering. MeeGaa heeft op 20 september 2013 een viertal getuigen doen horen. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Op 18 april 2014 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Ook hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen opnieuw arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

Het hof blijft bij hetgeen het in voornoemd tussenarrest heeft overwogen en beslist.

2.

In deze zaak strijden partijen zakelijk weergegeven om de vraag of MeeGaa aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van een besmetting op zijn bedrijf met de schadelijke schimmel Leucocoprinus birnbaumii. Volgens [appellant] waren de door MeeGaa in de periode van 11 maart 2008 tot en met 18 juli 2008 aan zijn bedrijf gedane leveringen potgrond met die schimmel besmet.

2.

In zijn tussenarrest van 16 juli 2013 heeft het hof geoordeeld dat de op 20 mei 2008 en 2 juli 2008 door MeeGaa aan [appellant] gedane leveringen inderdaad niet voldeden aan de overeenkomst, omdat deze niet vrij waren van voor cultures schadelijke schimmels. Dit betekende, aldus het hof, dat in zoverre sprake is van een toerekenbare tekortkoming.

3.

Op grond van voornoemde ondeugdelijke leveringen achtte het hof het bewijsvermoeden gerechtvaardigd, dat de schadelijke schimmel ook voorkwam in de overige in de periode van 20 mei tot 18 juli 2008 door MaaGaa aan [appellant] gedane leveringen (te weten die van 10 en 16 juni 2008 en die van 18 juli 2008). MeeGaa werd toegelaten tot tegenbewijs. Het hof overwoog daarbij dat de enkele omstandigheid dat andere kwekers niet hebben geklaagd over leveranties uit dezelfde bulk, daarbij niet volstaat.

4.

Ten aanzien van de leveringen in de periode van 11 maart 2008 tot 20 mei 2008 (te weten die van 11 maart, 10 april en 19 mei 2008) oordeelde het hof dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat ook deze reeds met de schadelijke schimmel besmet waren. Aan bewijslevering ten aanzien van deze leveringen werd daarom niet toegekomen.

5.

MeeGaa heeft op 20 september 2013 een viertal getuigen doen horen. Daarna heeft zij het hof laten weten af te zien van het horen van verdere getuigen, omdat zij inmiddels de nog bij haar aanwezige monsters heeft laten onderzoeken op aanwezigheid van de schadelijke bacterie. De resultaten van dat onderzoek heeft zij daarbij niet overgelegd. [appellant] heeft hierna het hof verzocht om bij rolbeslissing een onderzoek te gelasten door een deskundige. Naar aanleiding van een en ander heeft het hof een comparitie van partijen gelast.

6.

Ter comparitie heeft [appellant], omdat hij groot belang heeft bij een snelle beslissing in de onderhavige zaak, zijn vordering verminderd. Hij vordert thans een verklaring voor recht dat MeeGaa jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten ten aanzien van (alleen) de potgrondleveranties van 20 mei en 2 juli 2008 en een verwijzing naar de een schadestaatprocedure. De vraag of ook sprake is van eigen schuld van [appellant], dan wel of [appellant] in voldoende mate aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan, zal volgens hem in die procedure moeten worden beantwoord.

7.

Gelet op deze eisvermindering heeft MeeGaa in deze procedure geen rechtens te respecteren belang meer bij bewijslevering met betrekking tot de hierboven onder 3. bedoelde leveringen. De (on)deugdelijkheid van deze leveranties wordt immers niet meer aan het gevorderde ten grondslag gelegd. Aangezien het hof in zijn arrest van 16 juli 2013 op grond van de niet deugdelijk weersproken inhoud van het CBS-rapport van 25 maart 2009 reeds heeft vastgesteld dat de leveranties van 20 mei en 2 juli 2008 niet aan de overeenkomst beantwoordden en voorts heeft geoordeeld dat [appellant] aan zijn klachtplicht heeft voldaan en dat het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule (op de afleverbon en in de algemene voorwaarden) faalt, kan de gewijzigde vordering van [appellant] worden toegewezen.

8.

Ten aanzien van de reconventionele vordering tot betaling van een bedrag van € 14.929,21, vermeerderd met rente heeft [appellant] zich beroepen op verrekening. Zoals de rechtbank reeds (en onbetwist) heeft overwogen, heeft MeeGaa recht op betaling van haar facturen, maar is [appellant] tot verrekening bevoegd. Nu de (verminderde) vordering van [appellant] zal worden toegewezen en zijn schade, naar de overtuiging van het hof, het bedrag van de reconventionele vordering overtreft, is die vordering liquide tot het bedrag van de reconventionele vordering. Het beroep op verrekening slaagt dus, zodat de reconventionele vordering zal worden afgewezen.

9.

Dit betekent dat het bestreden vonnis zowel in conventie als in reconventie dient te worden vernietigd. Bij deze uitkomst past dat MeeGaa, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de kosten van zowel de eerste aanleg in conventie en in reconventie (inclusief beslagkosten) als het principale en incidentele hoger beroep, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als na te melden.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen in de hoofdzaak in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel, van 11 april 2012,

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat MeeGaa toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellant] uit hoofde van de potgrondleveranties van 20 mei 2008 en 2 juli 2008;

- veroordeelt MeeGaa tot vergoeding van de schade voortkomend uit voornoemde tekortkoming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt MeeGaa in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie, aan de zijde van [appellant] tot op 11 april 2012 begroot op € 76,31 aan explootkosten, € 1.156,-- aan griffierecht, € 2.394,32 aan beslagkosten, € 6.422,-- aan salaris advocaat in conventie en € 226,-- aan salaris advocaat in reconventie, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt MeeGaa in de kosten van het geding in zowel het principaal als incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 76,17 aan explootkosten, € 4.836,-- aan griffierecht en € 20.610,-- aan salaris advocaat in het principaal hoger beroep en € 1.341,00 aan salaris advocaat in het incidenteel hoger beroep, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, aan de zijde van MeeGaa tot op heden begroot op nihil;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, M.J. van der Ven en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.