Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1684

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
BK-13/01771
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen aanwijzingsbesluit betaaldparkerengebied terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1073
Belastingblad 2014/308
FutD 2014-1339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01771

Uitspraak van 9 mei 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, het college,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2013, nummer AWB 13/9589.

Besluit, bezwaar en beroep

1.1. Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college bepaalde gebieden aangewezen als betaaldparkerengebied.

1.2. Het door belanghebbende tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij beslissing van 29 augustus 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de beslissing van het college beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 156 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die rechter heeft zich bij beslissing van 4 december 2013, nummer 201303126/1/A3, onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen en heeft bij brief van 9 december 2013 het hogerberoepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar het Gerechtshof Den Haag ter behandeling van de zaak.

2.2. Het Hof heeft het hoger beroep in behandeling genomen. Een griffierecht van € 118 is geheven.

2.3. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 april 2014 in Den Haag. Belanghebbende is verschenen. Van de zijde van het college is niemand verschenen.

2.5. Het college is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 maart 2014 naar [adres] onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de brief op

26 maart 2014 bezorgd.

Feiten

3.1. Het bezwaar is gericht tegen het besluit van 13 maart 2012. Bij dat besluit heeft het college de Groente- en Fruitmarkt, het puntje van Moerwijk-Noord, de Heesterbuurt en de Vruchtenbuurt in Den Haag aangewezen als gebied waar betaald parkeren wordt ingevoerd.

3.2. Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college een wijziging aangebracht in het aanwijzingsbesluit voor het parkeren van een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter. Aan de Fruitweg mag alleen nog met zo’n voertuig worden geparkeerd aan de zijde van de rijbaan tussen de Televisiestraat en de Troelstrakade.

De rechtbank

4.

De rechtbank overweegt:

"(…)

2 [

Belanghebbende] is van mening dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Met het invoeren van het betaald parkeren vervalt de vrijstelling voor het parkeren van voertuigen die door hun omvang in de gemeente niet op de openbare weg mogen parkeren. Door dat deze parkeerfaciliteit voor deze soort voertuigen komt te vervallen is er sprake van een besluit. Het is volgens [belanghebbende] vreemd dat het betaald parkeren is ingevoerd op tijdstippen buiten de kantooruren. Dit zou ingegeven kunnen zijn door de omstandigheid dat bij het realiseren van twee grote feestzalen voor allochtonen niet voldoende parkeergelegenheid is gecreëerd. De eigenaar van deze feestzalen is daar echter zelf verantwoordelijk voor. [Belanghebbende] heeft voorts aangevoerd dat zo lang er nog geen goede alternatieven gerealiseerd zijn voor de genoemde categorie voertuigen te kunnen stallen, het invoeren van het betaald parkeren opgeschort dient te worden. [Het college] heeft met dit besluit een situatie gecreëerd waarbij de genoemde categorie voertuigen nu parkeren in de omliggende wijken en daarbij overlast in die wijken veroorzaken. Omdat er geen alternatief is voor deze voertuigen wordt er niet gehandhaafd.

3 [

Het college] stelt allereerst dat [belanghebbende] geen gronden in beroep heeft aangevoerd die betrekking hebben op de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012. [Belanghebbende] voert slechts gronden aan die betrekking hebben op het besluit van 28 augustus 2012, dat ziet op aanpassing van het gebied voor het parkeren van een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter. Deze procedure bevindt zich echter nog in de bezwaarfase. [Het college] stelt voorts dat het betaald parkeren een belasting is waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) van toepassing is. Het invoeren van betaald parkeren is op grond van artikel 26 van de Awr uitgezonderd van bezwaar en beroep. Het betreft een algemeen verbindend voorschrift en geen besluit in de zin van de Awb waartegen ontvankelijk bezwaar gemaakt kan worden. Het bezwaar tegen de uitbreiding van het betaald parkeren is derhalve niet-ontvankelijk.

4.1

Ter beoordeling staat of [het college] op goede gronden het bezwaar van [belanghebbende] niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2

De rechtbank volgt [het college] in zijn oordeel dat het besluit van [het college] is gebaseerd op artikel 9 van de Verordening parkeerbelastingen 2008. Ingevolge dit artikel geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd, in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. De bevoegdheid om belasting te heffen ter zake het parkeren van een voertuig vloeit voort uit artikel 225 van de Gemeentewet. Ingevolge artikel 231 van de Gemeentewet geschiedt, voor zover hier van belang, de heffing van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Awr. Ingevolge artikel 26 van de Awr kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

Het besluit betreft echter geen van beide.

5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [het college] het bezwaar van [belanghebbende] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd met betrekking tot het parkeerbeleid van een voertuig dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, kan in deze procedure niet aan de orde komen. [Belanghebbende] heeft een eigen rechtsingang voor de procedure omtrent het parkeerbeleid van deze categorie voertuigen.

6

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

De Raad van State

5.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt:

"(…)

4. (…)

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200800176/1; www.raadvanstate.nl) vindt een verordening, strekkende tot het heffen van parkeerbelasting, haar grondslag in artikel 225 van de Gemeentewet. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van die wet geschieden heffing en invordering van parkeerbelasting met toepassing van de Awr, als ware die belasting een rijksbelasting. Het besluit van 13 maart 2012 dient daarom in zoverre te worden aangemerkt als genomen krachtens de belastingwet, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Awr. Het in artikel 8:105 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 12 van de Bevoegdheidsregeling, neergelegde stelsel brengt mee dat tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit, genomen krachtens artikel 26 van de Awr, hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof.

5.

Dat betekent dat de Afdeling onbevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Het hogerberoepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar het Gerechtshof Den Haag.

(…)"

Geschil en standpunten van partijen

6.1. In hoger beroep is in geschil, net als voor de rechtbank, of het bezwaar ontvankelijk is.

6.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het Hof stelt voorop dat het zich bevoegd acht, de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overnemend, te beslissen over het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

7.2. De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden beslist dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd op grond waarvan een andere conclusie is gerechtvaardigd. Dat tegen een besluit als dat van 13 maart 2012, gelet ook op het karakter van die belastingregeling, geen bezwaar als tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking openstaat belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat ook te beseffen klemt hier te meer, nu de grieven van belanghebbende, zoals hij ter zitting uiteen heeft gezet, zich niet richten op dat besluit maar op de omstandigheid dat daartoe bevoegde (opsporings)ambtenaren niet ingrijpen wanneer vrachtauto's worden geparkeerd, een en ander als gevolg van de belastingregeling, in de buurt waar belanghebbende woont, terwijl voor deze buurt een parkeerverbod voor vrachtauto's geldt. Voor dergelijke grieven staan andere wegen open.

7.3. Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 9 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.