Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1675

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
22-005402-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, als bestuurder van een personenauto, in korte tijd, tijdens een wilde autorit, meermalen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg, meer in het bijzonder voor de betrokken politiemedewerkers die hebben gepoogd om de verdachte staande te houden. Het wordt de verdachte ten zeerste aangerekend dat zij – ondanks het feit dat het haar werd ontraden – besloten heeft om in verwarde en zeer gestreste toestand een auto te gaan besturen.

De gedragsdeskundige komt tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling die in diagnostische zin te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline trekken.

Het hof volgt de gedragsdeskundige in de conclusie dat het bewezen verklaarde de verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend en heeft daar in het voordeel van de verdachte rekening mee gehouden. Eveneens in haar voordeel heeft het hof er rekening mee gehouden dat de verdachte zich onder behandeling heeft gesteld en zich inzet om herhaling te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-005402-12

parketnummer 11-860297-12

datum uitspraak 15 mei 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 8 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

1 mei 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1

primair impliciet subsidiair en 3 primair impliciet primair, ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis omschreven. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden.

Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis omschreven. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier en een halve maand, met een proeftijd van twee jaren.

Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis omschreven. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier en halve maand, met een proeftijd van twee jaren. Omtrent de vordering van de benadeelde partij

[aangever III] is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


zij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks

12 mei 2012 te Gorinchem, op de rijweg van de Boezem, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

- [ aangever I], hoofdagent van politie Zuid-Holland-Zuid en/of

- [ aangever II], hoofdagent van politie Zuid-Holland-Zuid, (beiden) zich bevindende in een politievoertuig op eerdergenoemde Boezem, (beiden) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening,

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door haar, verdachte bestuurde auto met (zeer) hoge snelheid en/of zonder snelheid te minderen en/of vanaf zeer korte afstand recht op het politievoertuig van genoemde [aangever I] en/of [aangever II] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair: voor zover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks

12 mei 2012 te Gorinchem, op de rijweg van de Boezem, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- [ aangever I], hoofdagent van politie Zuid-Holland-Zuid en/of

- [ aangever II], hoofdagent van politie Zuid-Holland-Zuid, beiden zich bevindende in een politievoertuig op eerdergenoemde Boezem, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door haar, verdachte bestuurde auto met (zeer) hoge snelheid en/of zonder snelheid te minderen en/of vanaf (zeer) korte afstand recht op het politievoertuig van genoemde [aangever I] en/of [aangever II] afgereden;

2.


zij op of omstreeks 12 mei 2012 te Gorinchem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de Boezem, met haar auto met (zeer) hoge snelheid over de genoemde weg is gereden en/of

- terwijl een politievoertuig in tegenovergestelde rijrichting als de richting van de auto van haar, verdachte was opgesteld op het midden van genoemde weg, voerende een zogenaamd "transparant" met (in spiegelbeeld) oplichtend de woorden "stop" "politie"-

met (zeer) hoge snelheid en/of zonder snelheid te minderen recht op het voornoemde politievoertuig is afgereden en/of op voornoemd politievoertuig vanaf korte afstand met (hoge) snelheid is afgereden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks

12 mei 2012 te Werkendam en/of Nieuwendijk, gemeente Werkendam en/of Oosterhout en/of Tilburg, althans op het traject van Werkendam tot aan de grens tussen Nederland en Belgie via de weg(en) A27 en/of A58 en/of N630, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever III], brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid en besturende een motorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, met een door haar, verdachte bestuurde auto met(zeer) hoge snelheid (van ongeveer 170 km/uur en 175 km/uur) (plotseling) naar links heeft gestuurd, terwijl genoemde [aangever III] met (zeer) hoge snelheid op zijn motorfiets aan de linkerzijde en op (ongeveer) gelijke hoogte naast haar reed (waardoor genoemde [aangever III] sterk moest afremmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen) en/of

- met een door haar, verdachte bestuurde auto, terwijl zij met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 175/km uur) reed, plotseling en/of zonder noodzaak hard heeft afgeremd, terwijl genoemde [aangever III] (op zijn motorfiets) met (zeer) hoge snelheid, op korte afstand, achter haar reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair: voor zover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks

12 mei 2012 te Werkendam en/of Nieuwendijk, gemeente Werkendam en/of Oosterhout en/of Tilburg, althans op het traject van Werkendam tot aan de grens tussen Nederland en Belgie via de weg(en) A27 en/of A58 en/of N630, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [aangever III], brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend

- meermalen, althans eenmaal, met een door haar, verdachte bestuurde auto met(zeer) hoge snelheid (van ongeveer 170 km/uur en 175 km/uur) (plotseling) naar links gestuurd, terwijl genoemde [aangever III] met (zeer) hoge snelheid op zijn motorfiets aan de linkerzijde en op (ongeveer) gelijke hoogte naast haar reed (waardoor genoemde [aangever III] sterk moest afremmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen) en/of

- met een door haar, verdachte bestuurde auto, terwijl zij met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 175/km uur) reed, plotseling en/of zonder noodzaak hard afgeremd, terwijl genoemde [aangever III] (op zijn motorfiets) met (zeer) hoge snelheid, op korte afstand, achter haar reed;

4.


zij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks

12 mei 2012 te Werkendam en/of Nieuwendijk, gemeente Werkendam, en/of Oosterhout en/of Breda en/of Tilburg en/of Goirle, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de (rijks)weg(en) A27 en/of A58 en/of N630,

- met (zeer) hoge snelheid (tot ongeveer 175km/uur), althans met aanzienlijke overschrijding van de wettelijke toegestane maximum snelheid, heeft gereden over genoemde weg(en) en/of

- meermalen, althans eenmaal, met haar personenauto met (zeer) hoge snelheid (van ongeveer 170 km/uur en/of 175 km/uur)(plotseling) naar links heeft gestuurd, terwijl [aangever III], brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid, met (zeer) hoge snelheid, besturende een motorfiets aan de linkerzijde en op (ongeveer) gelijke hoogte naast haar reed waardoor [aangever III] met zijn motorfiets sterk moest afremmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen en/of

- met haar personenauto, rijdende met een (zeer) hoge snelheid (ongeveer 175 km/uur) plotseling en/of zonder noodzaak hard heeft afgeremd, terwijl genoemde [aangever III] (op zijn motorfiets) met (zeer) hoge snelheid, op korte afstand, achter haar reed, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde – het kort gezegd met haar personenauto met hoge snelheid inrijden op een dienstvoertuig van de politie met daarin de opsporingsambtenaren [aangever I] en [aangever II] - overweegt het hof als volgt.

Het hof acht – met de advocaat-generaal - niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet had (al dan niet in voorwaardelijke zin) op de dood van de genoemde opsporingsambtenaren noch dat zij zogeheten kaal opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Dit onderdeel van de zaak spitst zich toe op de vraag of er bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Daartoe dient te worden vastgesteld of de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat – als de politieauto niet zou wegsturen – een

(mogelijk frontale) botsing met een ernstige afloop zou volgen.

Ten aanzien van het verloop van de gebeurtenissen gaat het hof uit van de juistheid van de waarnemingen van de betrokken opsporingsambtenaren zoals vastgelegd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2012, PL1820 2012043593-2. Uit dit feitenrelaas blijkt dat de verdachte een personenauto bestuurde en dat zij met hoge snelheid op een zich in het midden van de weg opgesteld opvallend dienstvoertuig van de politie kwam afgereden terwijl op dat moment het zogeheten politietransparant met de teksten “stop” en “politie” afwisselend oplichtten. De verdachte minderde geen snelheid, waarop de verbalisanten het dienstvoertuig snel naar rechts hebben laten uitwijken teneinde een frontale aanrijding te voorkomen. Het voertuig van de verdachte is het politievoertuig zonder snelheid te minderen, rakelings gepasseerd.

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven - verklaard dat zij, overmand door emoties na het verbreken van haar verloving, in paniek, maar aan één ding dacht: zo snel mogelijk naar huis. Zij heeft voorts verklaard dat zij de politieauto niet gezien heeft.

Dat de verdachte het dienstvoertuig niet heeft waargenomen acht het hof – gelet op de positie van de als zodanig herkenbare politieauto met het oplichtende transparant – niet aannemelijk.

Omtrent de psychische gesteldheid van de verdachte op het moment van de gedraging blijkt uit het Pro Justitia rapport d.d. 16 september 2012, het volgende. “In de aanloop naar het tenlastegelegde raakte betrokkene mede op grond van de bij haar vastgestelde persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline trekken bijzonder geëmotioneerd en verloor ze deels haar zelfcontrole. In de toedracht van het tenlastegelegde raakte betrokkene bovendien in paniek waardoor ze nog meer van haar zelfcontrole verloor en ze grotendeels impulsief handelde.

Dat de verdachte bewust, dus willens en wetens de gevolgen van haar rijgedrag heeft aanvaard kan, gelet op haar psychische gesteldheid, niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld nu zij, zoals het hof aannemelijk acht, grotendeels impulsief en in paniek handelde. Reeds om die reden dient vrijspraak te volgen van het onder 1 impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde. Daar komt nog bij dat het naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing zou plaatsvinden, en zij als gevolg van haar gedraging zelf zwaar gewond zou kunnen raken, op de koop toe genomen heeft.

De onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging, wordt niet wettig en overtuigend bewezen geacht nu uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor uiteen is gezet, niet volgt dat de verdachte het opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) daartoe had. De verdachte dient daarom van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde (een meervoudige poging tot doodslag dan wel meervoudige poging tot zware mishandeling) overweegt het hof als volgt.

Uit genoemd proces-verbaal blijkt dat verbalisant [aangever III] met zijn motorfiets de achtervolging had ingezet en heeft geprobeerd om de verdachte met haar personenauto tot stilstand te brengen. Daartoe heeft hij verschillende manoeuvres uitgevoerd:

  1. hij heeft geprobeerd om het voertuig van de verdachte op de autosnelweg A27 in te halen door er links langs te rijden. Hij heeft gezien dat het voertuig van de verdachte, op het moment dat hij met zijn voorwiel ter hoogte van de achterzijde van het voertuig van de verdachte reed, sterk naar links stuurde in zijn richting bij een snelheid van ongeveer 170 kilometer per uur;

  2. een overeenkomstige manoeuvre heeft [aangever III] op die autosnelweg uitgevoerd maar dan met een snelheid van ongeveer 175 kilometer per uur;

  3. op de autosnelweg A58 is [aangever III] met zijn motorfiets achter het voertuig van de verdachte gaan rijden. Toen hij dat voertuig tot een afstand van nog geen 6 meter was genaderd, heeft [aangever III] gezien dat het voertuig van de verdachte dusdanig hard afremde dat de automatische alarmverlichting ging knipperen. [aangever III] reed met een snelheid van ongeveer 170 kilometer per uur.

De verdachte heeft erkend dat zij op een gegeven moment in de gaten had dat zij werd achtervolgd door politie maar heeft ontkend dat zij heeft gezien dat ze werd achtervolgd door een motoragent. Dat zij de door [aangever III] genoemde stuur- en rembewegingen heeft gemaakt stelt zij zich niet te kunnen herinneren.

Het hof stelt voorop dat wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat de verdachte heeft gereden zoals door de verbalisant is gerelateerd.

Uit de hiervoor genoemde manoeuvres – ook in onderling verband en samenhang bezien – blijkt niet zonder meer dat deze bewust zijn uitgevoerd omdat verbalisant [aangever III] zich met zijn motorfiets op korte afstand van de auto van de verdachte bevond. De beschrijvingen van de manoeuvres zijn daartoe te summier en het dossier bevat daaromtrent verder geen aanknopingspunten, zoals

getuigenverklaringen.

Aldus kan uit de bewijsmiddelen niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de verdachte de opzet had (al dan niet in voorwaardelijke zin) op het doden van, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, dan wel het bedreigen van de verbalisant [aangever III].

De verdachte dient bij deze stand van zaken te worden vrijgesproken van het onder 3 primair (impliciet primair en impliciet subsidiair) en subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.


zij op 12 mei 2012 te Gorinchem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de Boezem, met hoge snelheid - terwijl een politievoertuig in tegenovergestelde rijrichting als de richting van de auto van haar, verdachte, was opgesteld op het midden van genoemde weg, voerende een zogenaamd "transparant" met (in spiegelbeeld) oplichtend de woorden "stop" "politie"- zonder snelheid te minderen recht op het voornoemde politievoertuig is afgereden door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

zij op tijdstippen op 12 mei 2012 te Werkendam en/of Nieuwendijk, gemeente Werkendam, en/of Oosterhout en/of Breda en/of Tilburg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de (rijks)weg(en) A27 en/of A58 - met (zeer) hoge snelheid (tot ongeveer 175km/uur), heeft gereden over genoemde wegen en

- meermalen met haar personenauto met (zeer) hoge snelheid (van ongeveer 170 km/uur en/of 175 km/uur)(plotseling) naar links heeft gestuurd, terwijl [aangever III], brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid, met (zeer) hoge snelheid, besturende een motorfiets aan de linkerzijde en op (ongeveer) gelijke hoogte naast haar reed waardoor [aangever III] met zijn motorfiets sterk moest afremmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen en

- eenmaal met haar personenauto, rijdende met een (zeer) hoge snelheid (ongeveer 175 km/uur) plotseling hard heeft afgeremd, terwijl genoemde [aangever III] (op zijn motorfiets) met (zeer) hoge snelheid, op korte afstand, achter haar reed,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2

en 4:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, het onder 2, 3 impliciet primair en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot straffen en bijkomende straffen overeenkomstig het vonnis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen en bijkomende straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, als bestuurder van een personenauto, in korte tijd, tijdens een wilde autorit, meermalen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg, meer in het bijzonder voor de betrokken politiemedewerkers die hebben gepoogd om de verdachte staande te houden. Het wordt de verdachte ten zeerste aangerekend dat zij – ondanks het feit dat het haar werd ontraden – besloten heeft om in verwarde en zeer gestreste toestand een auto te gaan besturen. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven onvoldoende oog te hebben voor de belangen van haar medeweggebruikers en van de verkeersveiligheid.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van een Pro Justitia rapport, opgemaakt op 16 september 2012 door

drs. A. van Dijk, GZ-psycholoog.

De gedragsdeskundige komt tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling die in diagnostische zin te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline trekken.

Volgens de gedragsdeskundige beïnvloedde de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het ten laste gelegde mede daaruit kan worden verklaard. In de visie van de gedragsdeskundige dient de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde dan ook enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te worden geacht.

Het hof volgt de gedragsdeskundige in de conclusie dat het bewezen verklaarde de verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend en heeft daar in het voordeel van de verdachte rekening mee gehouden. Eveneens in haar voordeel heeft het hof er rekening mee gehouden dat de verdachte zich onder behandeling heeft gesteld en zich inzet om herhaling te voorkomen.

Het hof acht het van belang dat de verdachte deze positieve ontwikkeling voortzet en zal behandeling als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijk op te leggen straf aan de verdachte opleggen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het advies betreffende de verdachte d.d. 26 september 2012 van stichting reclassering Nederland, alsmede op de tussenevaluatie van de behandeling van verdachte bij het DOK d.d. 7 april 2014.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 april 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een overtreding van de Wegenverkeerswet. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie voor elk van de bewezenverklaarde feiten vormt.

Daarnaast zal het hof aan de verdachte voor beide feiten elk een geheel voorwaardelijke hechtenis met een proeftijd opleggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden om in herhaling te vallen.

Ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen overweegt het hof dat deze bijkomende straf gelet op de aard en ernst van de overtredingen passend en geboden is.

Het hof zal de ontzegging van de rijbevoegdheid met betrekking tot het bewezenverklaarde feit 2 voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan feiten als het onderhavige schuldig te maken.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangever III] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 en 4 ten laste gelegde tot een bedrag van € 500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het gevorderde en in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Aangezien door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1

en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van

20 (

twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot hechtenis voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Breda, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, zoals opgenomen in het rapport van de reclassering van 26 september 2012.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van

20 (

twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot hechtenis voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Breda, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, zoals opgenomen in het rapport van de reclassering van 26 september 2012.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Verklaart de benadeelde partij [aangever III] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr R.C. Schlingemann en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2014.

Mr. R.C. Schlingemann is buiten staat dit arrest te ondertekenen.