Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1626

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
22-005603-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een verhoorruimte op het politiebureau schuldig gemaakt aan vernieling van een beeldscherm.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Daarnaast wordt de vordering van de benadeelde partij Politie Rotterdam Rijnmond toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005603-13

Parketnummer: 10-690292-13 en 10-741060-11(TUL)

Datum uitspraak: 8 mei 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2013 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1962,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

24 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

Voorts is met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, alsmede de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 9 mei 2011 onder parketnummer 10-741060-11 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het geding

Het feit dat oorspronkelijk is ten laste gelegd onder 3 is, gelet op de vrijspraak in eerste aanleg, thans niet meer aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door dit beeldscherm om te gooien en/of op de grond te gooien;

2.


hij op of omstreeks 22 augustus 2013 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij die/dat weg te nemen fiets onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, immers heeft hij verdachte het slot van die fiets verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Gelet op het onderzoek van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde poging tot diefstal van een fiets, nu niet is komen vast te staan dat de fiets niet – zoals door de verdachte is gesteld - aan de verdachte is gegeven, maar aan een ander toebehoort.

De verdachte dient derhalve van dit feit vrijgesproken te worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op 23 augustus 2013 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een beeldscherm toebehorende aan een ander heeft vernield door dit beeldscherm om te gooien en op de grond te gooien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een verhoorruimte op het politiebureau schuldig gemaakt aan vernieling van een beeldscherm. Door aldus te handelen heeft de verdachte overlast bezorgd en schade veroorzaakt. Bovendien getuigt deze handelwijze van een gebrek aan respect voor het eigendom van een ander. Wat er verder ook zij van de bejegening van verdachte door de politie voorafgaand aan dit strafbare feit, een rechtvaardiging voor het getoonde gedrag van de verdachte is dit niet.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

In de vijf jaren voorafgaand aan het thans bewezen verklaarde feit is de verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Deze straffen waren reeds ten uitvoer gelegd alvorens het onderhavige feit werd begaan. Aan deze voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan.

Daar tegenover staat dat de verdachte zich de afgelopen drie jaren niet schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten, zodat hierin geen directe grond gelegen is om met het oog op de veiligheid van goederen een ISD-maatregel op te leggen. Ook de onderhavige veroordeling inzake vernieling vraagt gelet op de aard hiervan niet direct om beveiliging van de samenleving tegen de verdachte. Het hof zal dan ook gelet hierop niet overgaan tot oplegging van de maatregel.

Uit de gedingstukken alsmede de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte kennelijk regelmatig moeite heeft met over hem uitgeoefend gezag. Dit heeft al meerdere keren geleid tot een escalatie. Zulks vindt bevestiging in het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2014, waaruit onder andere blijkt dat de verdachte enkele malen is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar. Het hof overweegt hierbij nadrukkelijk dat –zo de verdachte zou volharden in dit verwijtbare gedrag – opname in een inrichting voor stelselmatige daders niettemin in het verschiet kan liggen.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op het voornoemde Uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding Politie Rotterdam Rijnmond

In het onderhavige strafproces heeft de Politie Rotterdam Rijnmond zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 144,38.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Politie Rotterdam Rijnmond

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 144,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Politie Rotterdam Rijnmond.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 9 mei 2011 van de politierechter van de rechtbank Rotterdam is de verdachte ter zake van een eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld voor zover hier van belang – tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 24 mei 2011. Bij uitspraak van de politierechter van 13 september 2011 is de proeftijd verlengd met een jaar zodat deze eindigt op 24 mei 2014.

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf worden gelast.

Het Hof acht hiervoor thans echter, mede gelet op de duur van het voorarrest, geen termen aanwezig. De vordering wordt daarom afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Politie Rotterdam Rijnmond

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Rotterdam Rijnmond ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 144,38 (honderdvierenveertig euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Rotterdam Rijnmond, een bedrag te betalen van € 144,38 (honderdvierenveertig euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee)dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 9 mei 2011 van de politierechter van de rechtbank Rotterdam aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. H. van den Heuvel en mr. P.C. Römer, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 mei 2014.