Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1617

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
200.108.128-01T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schenking kunstcollectie aan gemeente Papendrecht; ontbinding schenkingsovereenkomst wegens toerekenbare tekortkoming gemeente; uitleg schenkingsovereenkomst; wijziging schenkingsvoorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.108.128/01

Zaaknummer rechtbank : 86005

Arrest van 20 mei 2014

inzake

[appellante],

wonende te Zeewolde,

principaal appellante,

verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. H.J. Breeman te Rotterdam,

tegen

DE GEMEENTE PAPENDRECHT,

zetelend te Papendrecht,

geïntimeerde in het principaal appel,

incidenteel appellante,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 1 juni 2012 is [appellante] in hoger beroep gekomen van drie door de rechtbank Dordrecht tussen partijen gewezen vonnissen van 9 juni 2010, 18 mei 2011 en 7 maart 2012. Bij memorie van grieven heeft [appellante] zestien grieven tegen de vonnissen aangevoerd, die door de Gemeente bij memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) zijn bestreden. Daarbij heeft de Gemeente één grief aangevoerd tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 18 mei 2011. [appellante] heeft daarop bij memorie van antwoord in incidenteel appel gereageerd. Vervolgens hebben partijen op 3 februari 2014 de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. A.H. Vermeulen, advocaat te Rotterdam, en de Gemeente door mr. F. van Westrhenen, advocaat te Rotterdam, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

De heer [kunstverzamelaar] heeft gedurende zijn leven een kunstverzameling bijeengebracht in zijn woning genaamd “de Rietgors” aan de [adres] te Papendrecht (verder: de woning). Hij heeft bij notariële akten van 16 mei 1972, 22 januari 1973 en 25 februari 1977 de kunstverzameling, in die akten genaamd kunstverzameling “DE RIETGORS” (verder: de collectie) geschonken aan de Gemeente. In de eerste en de derde akte zijn de volgende bedingen opgenomen.

a. De kunstverzameling dient in de bungalow [adres] alhier bijeen te blijven (…). Met inachtneming van het hierna onder c. bepaalde mag zij in haar geheel worden overgebracht naar een ander passend gebouw in de gemeente Papendrecht, zoals een cultureel centrum en mag zij met andere kunstvoorwerpen worden uitgebreid, met dien verstande echter, dat, voorzover een goed beheer en het op peil houden van de verzameling met zich brengt, bepaalde kunstvoorwerpen kunnen worden verkocht, mits met de opbrengst daarvan andere kunstvoorwerpen worden aangekocht.

b. Het is toegestaan bepaalde voorwerpen uit de verzameling voor korte duur voor tentoonstellingen uit te lenen, mits voldoende waarborgen worden gegeven voor veilige opstelling en verzending der uitgeleende voorwerpen en alle risico wordt verzekerd.

c. De verzameling blijft in elk geval in de bungalow [adres] tot aan het overlijden van de schenker, tenzij deze eerder anders bepaalt.

De tweede akte strekt uitsluitend tot vaststelling van een lijst van geschonken kunstvoorwerpen.

1.2

[kunstverzamelaar] is in 1977 overleden. Tot zijn overlijden heeft hij als conservator van de collectie gefungeerd. Na zijn overlijden is hij als conservator opgevolgd door de heer [kunstenaar], een goede persoonlijke vriend van hem en een door hem geliefde kunstenaar (verder: [kunstenaar]). In 1983 is de collectie uit de woning overgebracht naar museum De Rietgors in de Gemeente. Dit museum is in 2001 gesloten. Daarna is de collectie opgeslagen in de depotruimte van dat museum. De collectie is voor verzekeringsdoeleinden getaxeerd in 2005 en 2009. In het taxatierapport van 2005 wordt gewag gemaakt van aantasting van een deel van de kunstwerken door vocht, zilvervisjes en schimmel. In het taxatierapport van 2009 is vermeld dat de huidige staat van de collectie goed is.

1.3

[appellante] is erfgenaam van [kunstverzamelaar]. Zij heeft bij brief van 17 november 2009 de Gemeente gesommeerd de schenkingsvoorwaarden na te komen. Op 25 februari 2010 heeft [appellante] met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Dordrecht conservatoir beslag gelegd op de collectie. Bij brief van 1 maart 2010 heeft zij de in rechtsoverweging 1.1 vermelde schenkingsovereenkomsten ontbonden en de Gemeente gesommeerd de eigendom van de collectie aan haar over te dragen.

2.

[appellante] heeft bij de rechtbank (kort samengevat) gevorderd dat deze voor recht zal verklaren dat de schenkingsovereenkomsten zijn ontbonden, althans deze zal ontbinden, de Gemeente zal veroordelen de collectie aan haar terug te leveren op straffe van een dwangsom en de Gemeente zal veroordelen tot betaling van de waardevermindering van de collectie sinds de schenking, met kostenveroordeling. Zij heeft aan haar vordering kort samengevat ten grondslag gelegd dat de Gemeente de schenkingsvoorwaarden niet heeft nageleefd door de collectie niet onder de juiste klimatologische omstandigheden binnen de Gemeente te bewaren, door de collectie ondeugdelijk te beheren en door de collectie niet in haar geheel in Papendrecht ten toon te stellen.

3.

De Gemeente heeft in reconventie gevorderd (zakelijk weergegeven) dat de rechtbank het in rechtsoverweging 1.1 bedoelde beding onder a aldus zal wijzigen dat de collectie ook mag worden overgebracht naar een passend gebouw in de gemeente Dordrecht, alsmede [appellante] zal veroordelen tot teruggave van een viertal kunstwerken. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zich na het overlijden omstandigheden hebben voorgedaan die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de last om de collectie in de Gemeente te houden in redelijkheid niet van de Gemeente verwacht mag worden, nu het mogelijk is geworden de collectie in de gemeente Dordrecht op te slaan onder veel betere omstandigheden dan ten tijde van de schenking mogelijk was.

4.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Zij heeft de schenkingsaktes gewijzigd overeenkomstig de vordering van de Gemeente, doch heeft de vordering van de Gemeente tot teruggave van een viertal kunstwerken afgewezen.

5.

De eerste dertien grieven van [appellante] zijn gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen en de daaraan door de rechtbank gewijde overwegingen. [appellante] klaagt erover dat de rechtbank heeft overwogen dat het geen tekortkoming oplevert dat de Gemeente niet permanent de hele collectie tentoonstelt en dat de schenkingsbepalingen de Gemeente daartoe niet verplichten. Zij verzet zich ook tegen het oordeel van de rechtbank dat de schenkingsovereenkomsten niet verplichten tot een wijze van beheer van de collectie die aan de hoogste standaarden voldoet. Zij valt voorts het oordeel van de rechtbank aan dat de door de Gemeente verstrekte samenvatting een goed overzicht geeft van de gedane aan- en verkopen en ruilingen, dat de Gemeente steeds voor een groter bedrag kunst heeft aangekocht dan verkocht en dat de Gemeente geen reden had om een aan- en verkoopadministratie aan te houden. Zij brengt bovendien naar voren dat de Gemeente de collectie niet deugdelijk heeft beheerd doordat zij een grijs gebied heeft doen ontstaan tussen de collectie en de overige in het bezit van de Gemeente zijnde kunst. [appellante] meent verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gemeente zich door deskundigen heeft laten adviseren; [appellante] betwist verder dat zij onvoldoende heeft onderbouwd waarom het besluit tot verkoop van delen van de collectie onjuist is. Daarnaast betwist [appellante] het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente voldoende duidelijk is ingegaan op stellingen van [appellante] met betrekking tot beweerdelijk ontbrekende kunstvoorwerpen en dat de Gemeente voldoende heeft onderbouwd dat zij na het intreden van schade aan de collectie in 2005 adequate maatregelen heeft genomen en ter zake niet tekortgeschoten is, zo min als met betrekking tot de opslag van de collectie. [appellante] betwist ook het oordeel van de rechtbank dat de collectie reeds in de woning niet in perfecte staat verkeerde, dat de Gemeente de collectie na 2005 voor een relatief bescheiden bedrag heeft laten herstellen en dat de collectie in 2009 door een taxateur overwegend in goede staat is geacht. Met haar veertiende grief keert [appellante] zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de vordering van de Gemeente tot wijziging van de schenkingsvoorwaarden. De vijftiende grief is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank met inbegrip van de proceskostenveroordelingen, de zestiende grief tegen het passeren van het door [appellante] gedane bewijsaanbod.

6.

De Gemeente klaagt met haar incidentele grief over het oordeel van de rechtbank dat de schenkingsovereenkomsten op grond van de artikelen 6:261, tweede lid, jo 6:265 BW ontbonden zouden kunnen worden.

7.

[appellante] heeft geen grief gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 9 juni 2010. Het hof zal haar daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep tegen dat tussenvonnis.

8.

Het hof gaat er voorshands van uit dat de litigieuze schenkingsovereenkomsten onderdeel uitmaken van wederkerige overeenkomsten, zodat de bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten in beginsel van toepassing zijn, waaronder die inzake de ontbinding in geval van toerekenbare tekortkoming in de nakoming. Met de rechtbank (rechtsoverweging 7.3 van het tussenvonnis van 18 mei 2011) neemt het hof als uitgangspunt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt, en dat beoordeeld moet worden of sprake is van een tekortkoming en, zo ja, of deze de ontbinding rechtvaardigt, alsmede dat de aard van de overeenkomst van invloed kan zijn op de beantwoording van de vraag of de tekortkoming voldoende ernstig is om ontbinding te rechtvaardigen.

9.

Bij de bovenbedoelde beoordeling is de uit de schenkingsaktes blijkende bedoeling van partijen richtinggevend. Daarbij hecht het hof waarde aan het kennelijk door [kunstverzamelaar] ter voorbereiding van de overeenkomsten opgestelde en door hem ondertekende concept (productie 21 bij de dagvaarding in eerste aanleg; verder: het concept). Andere stukken waaruit de bedoeling van partijen blijkt, heeft het hof in het procesdossier niet aangetroffen.

10.

Het hof stelt vast dat de bedingen die in de schenkingsaktes zijn opgenomen, voor zover thans nog van belang, summier zijn en een beperkte inhoud hebben. Uit de schenkingsaktes blijft niet méér dan

- dat de collectie als geheel mag worden overgebracht naar een ander passend gebouw in de Gemeente, zoals een cultureel centrum,

- dat de collectie met andere kunstvoorwerpen mag worden uitgebreid,

- dat de collectie goed beheerd en op peil gehouden moet worden,

- dat in verband daarmee bepaalde kunstvoorwerpen kunnen worden verkocht, mits met de opbrengst daarvan andere kunstvoorwerpen worden aangekocht, en

- dat de Gemeente bepaalde voorwerpen uit de collectie onder voorwaarden mag uitlenen voor tentoonstellingen.

Uit het concept kan daarnaast worden afgeleid

- dat de schenking ten doel had een culturele bijdrage te leveren aan de Papendrechtse gemeenschap,

- dat het met het oog daarop aanbeveling verdiende de collectie door deskundigen te laten beoordelen,

- dat de collectie hoofdzakelijk uit de hoofdgroepen schilderijen, sculpturen en antiek chinees (Aziatisch) aardewerk bestaat en

- dat van al het andere (dat is te zien als bestemd voor huishoudelijk gebruik) een lijst word opgesteld van objecten die in verband met hun artistieke aspecten als kunstvoorwerpen in aanmerking worden genomen.

Noch de schenkingsaktes, noch het concept bevatten nadere indicaties over wat partijen of [kunstverzamelaar] hebben, onderscheidenlijk heeft aangemerkt als goed beheer of op welke wijze de collectie een culturele bijdrage diende te leveren aan de Papendrechtse gemeenschap.

11.

Het hof leidt daaruit af dat de schenkingsovereenkomst op die punten (wijze van beheer en wijze waarop met de collectie een culturele bijdrage aan Papendrecht wordt geleverd) aan de Gemeente grote vrijheid laat. Gelet op de stellingen van [appellante] is van belang dat nergens uit blijkt dat de Gemeente gehouden is de collectie permanent en in haar geheel ten toon te stellen. Hoewel uiteraard de aanvankelijk gemaakte keuze de collectie in een afzonderlijk museum ten toon te stellen binnen de grenzen van de aan de Gemeente gelaten vrijheid viel, geldt dat ook voor de thans door de Gemeente gekozen optie van wisseltentoonstellingen van gedeelten van de collectie in het gemeentehuis. D Het hof neemt in dat verband ook in aanmerking dat de collectie op initiatief van de Gemeente is gedigitaliseerd en aldus voor ieder is te bezichtigen op internet op de website www.museumderietgors.nl. [appellante] heeft dus terecht niet gesteld dat het voor de bevolking van de Gemeente onmogelijk is om van de collectie kennis te nemen. Voor zover de grieven betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank over het tentoonstellen van de collectie, falen zij.

12.

Voorts valt nergens in de genoemde stukken te lezen dat de Gemeente gehouden is de collectie afgescheiden van andere in het bezit van de Gemeente zijnde of komende kunstvoorwerpen te administreren. Genoemde documenten bevatten evenmin verdere uitwerkingen ter zake van het goede beheer van de collectie of het op peil houden daarvan, behoudens dat met het oog daarop kunstvoorwerpen mogen worden toegevoegd, gekocht en verkocht en dat de collectie als geheel in een ander passend gebouw mag worden ondergebracht. Het hof leidt uit deze documenten af dat [kunstverzamelaar] de bedoeling heeft gehad zijn collectie als basis te laten dienen voor een door de Gemeente in stand te houden en uit te bouwen collectie. Het bovenstaande brengt met zich dat de Gemeente weliswaar inzicht dient te kunnen geven welke voorwerpen uit het door [kunstverzamelaar] geschonken deel van de totale gemeentelijke collectie zijn vervreemd en wat die hebben opgebracht, maar dat zij met de opbrengst daarvan aangeschafte kunstvoorwerpen niet afzonderlijk behoefde te administreren. Anders dan [appellante] stelt, is in de schenkingsaktes niet bepaald dat met de opbrengst van verkochte kunstvoorwerpen uit de collectie andere kunstvoorwerpen voor de collectie moeten worden aangekocht. De grieven treffen ook in zoverre geen doel.

13.

Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente gedurende de procedure voldoende duidelijk gespecificeerd welke voorwerpen uit de collectie zijn vervreemd en wat deze hebben opgebracht. Ook als deze specificatie niet voor honderd procent zou “sluiten”, is deze tekortkoming, gelet op het grote aantal (kunst)voorwerpen in de collectie en de soms onduidelijke omschrijving van objecten in de aan de schenkingsaktes verbonden lijsten, van zo geringe betekenis dat deze de ontbinding van de overeenkomsten niet rechtvaardigt. Weliswaar heeft [appellante] betwist dat de Gemeente een goed overzicht heeft gegeven, maar zij heeft die betwisting onvoldoende onderbouwd. De door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheid dat niet valt na te gaan welke objecten voor de vervreemde objecten in de plaats zijn gekomen en dat de collectie daardoor in waarde is verminderd, maakt niet dat de Gemeente is tekortgeschoten, nu uit de schenkingsaktes, ook in het licht van het concept, niet volgt dat de Gemeente gehouden was met het oog daarop een administratie te voeren. Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat de Gemeente is tekort geschoten in het op peil houden van de collectie doordat deze minder waard is geworden, volgt het hof dat betoog niet. Met name voor de hoofdgroepen schilderijen en sculpturen geldt dat de verzameling van [kunstverzamelaar] betrekking had op een specifieke periode en dat het een feit van algemene bekendheid is dat de waardering van kunst uit een bepaalde periode en daarmee de marktwaarde van de door [kunstverzamelaar] verzamelde kunstvoorwerpen kan variëren. Het op peil houden van de collectie kan dus niet aan de marktwaarde daarvan worden afgemeten. [appellante] heeft niet onderbouwd gesteld dat de Gemeente de opbrengst van door [kunstverzamelaar] geschonken en door haar verkochte voorwerpen voor een ander doel dan voor de aankoop van kunstvoorwerpen heeft besteed. Zij heeft weliswaar de juistheid van de door de Gemeente overgelegde samenvatting betwist, maar die betwisting is slechts gebaseerd op de omstandigheid dat zij de juistheid van de samenvatting niet kan nagaan. Een dergelijke betwisting vormt tegenover de in hoger beroep zeer omvangrijke en gespecificeerde opgave van de Gemeente een onvoldoende onderbouwing. In zoverre leiden de grieven evenmin tot resultaat.

14.

Met betrekking tot de stelling van [appellante] dat de Gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten door, in weerwil van het beding dat bepaalde kunstvoorwerpen kunnen worden verkocht, onderdelen van de collectie (keramiek, porselein en de etnische kunst) af te stoten, overweegt het hof als volgt. In de eerste plaats geldt dat de Gemeente deze stelling gemotiveerd heeft betwist en heeft aangegeven welke voorwerpen uit die delen van de collectie zijn behouden. [appellante] heeft dat verder niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. [appellante] heeft voorts niet betwist dat uit de jaarverslagen van de voor het beheer van de collectie opgerichte stichting “De Rietgors” blijkt welke werken de Gemeente uit de collectie heeft verkocht. Daarmee staat vast dat individueel bepaalde voorwerpen zijn verkocht of geruild. Het hof acht de omstandigheid dat de genoemde onderdelen grotendeels zijn afgestoten, geen toerekenbare tekortkoming van de Gemeente om de volgende reden. [kunstverzamelaar] heeft in het concept aangegeven dat de hoofdgroepen van de collectie schilderijen, sculpturen en antiek chinees (Aziatisch) aardewerk zijn en dat van het overige (gekwalificeerd als bestemd voor huishoudelijk gebruik) op een lijst moest worden weergegeven wat artistieke waarde had. Hij heeft ook aanbevolen de collectie door deskundigen te laten waarderen. Overeenkomstig de aanbeveling van [kunstverzamelaar] heeft de Gemeente samen met de na diens overlijden aangestelde conservator [kunstenaar], het porselein en aardewerk en de etnische kunst door deskundigen laten waarderen. In het licht van deze adviezen en gelet op het doel van de schenking (de Papendrechtse gemeenschap laten kennisnemen van uit kunstzinnig oogpunt waardevolle kunstvoorwerpen) is de Gemeente niet tekortgeschoten door grote delen van het porselein en aardewerk, alsmede van de etnische kunst af te stoten. De omstandigheid dat de Gemeente zich bij de keuze van de te verkopen werken niet volledig aan de adviezen heeft gehouden, maakt op zichzelf evenmin dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Criterium is immers of het afstoten uit oogpunt van goed beheer en op peil houden van de collectie in redelijkheid aanvaardbaar is. Daarbij mocht de Gemeente bovendien afgaan op de adviezen van [kunstenaar], waarvan zij mocht aannemen dat hij als vriend van de overleden schenker bij uitstek op de hoogte was van diens opvattingen. [appellante] heeft niets naar voren gebracht waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. De grieven van [appellante] slagen ook in zoverre niet.

15.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente niet in het blijkens de schenkingsaktes vereiste goede beheer van de collectie is tekortgeschoten door deze niet onder de best mogelijke omstandigheden op te slaan. Het hof wijst er in verband daarmee op dat de woning van [kunstverzamelaar] als primair voor bewoning bestemd reeds geen maximale bescherming aan de zich daar bevindende collectie bood. Daarnaast geldt dat [kunstverzamelaar] blijkens de schenkingsaktes geen overbrenging naar een museum heeft verlangd, waarbij museale omstandigheden zouden mogen worden verwacht, maar overbrenging naar een gebouw als een cultureel centrum, dat verschillende doelen pleegt te dienen, waarbij ook de toegankelijkheid voor de Papendrechtse gemeenschap en het gebruiksgemak van belang zijn. Het concept vermeldt niets dat tot een andere oordeel leidt. De Gemeente mocht in het licht van de schenkingsaktes volstaan met de overbrenging van de collectie naar het tot museum bestemde en daartoe ingerichte gebouw, hoewel dat op lange termijn niet maximaal geschikt was voor de conservering van de collectie. Ook in zoverre leiden de grieven niet tot vernietiging van het vonnis.

16.

[appellante] brengt ten slotte naar voren dat de Gemeente is tekortgeschoten doordat schade aan de collectie is ontstaan. Dat schade aan de collectie is ontstaan, is tussen partijen niet betwist. Wel heeft de Gemeente betwist dat de schade in zijn geheel na de effectuering van de schenkingen is ontstaan en dat de schade zodanig is, dat zulks de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Zij heeft voorts naar voren gebracht dat zij onmiddellijk nadat de schade haar in 2005 bekend is geworden, deze heeft laten herstellen en dat bij een latere taxatie in 2009 de taxateur heeft aangegeven dat de toenmalige staat van de collectie “goed” is. [appellante] heeft bij die conclusie weliswaar vraagtekens geplaatst, maar zij heeft die vraagtekens niet anders onderbouwd dan met de stelling dat de taxateur de collectie niet als zodanig heeft getaxeerd, los van de overige aan de Gemeente toebehorende kunstvoorwerpen, en dat haar niet is toegestaan de collectie met een deskundige te bekijken. Tot een afzonderlijk beheer van de collectie was de Gemeente, zoals het hof in rechtsoverweging 12 heeft overwogen, niet gehouden. [appellante] stelt met betrekking tot de weigering van de toegang tot de collectie niet méér dan dat zij eenmaal een telefonisch verzoek daartoe aan een ambtenaar van de Gemeente heeft gedaan en dat die negatief heeft geantwoord. Zij heeft in de procedure meermalen aangeboden om ter zake van de beweerde slechte staat van de collectie een deskundigenrapport over te leggen, maar dat heeft zij niet gedaan. Zij stelt niet dat zij zich na dat telefoontje nog op enigerlei wijze tot de Gemeente heeft gericht met het verzoek haar in staat te stellen de collectie door een deskundige te laten onderzoeken, en uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat ook niet. Het hof acht een eenmalige weigering door een gemeenteambtenaar onvoldoende om aan te nemen dat [appellante] serieuze pogingen heeft ondernomen de Gemeente te bewegen haar medewerking te verlenen aan het door haar gewenste onderzoek van de collectie door een deskundige. Het hof merkt daarnaast op dat het [appellante] bovendien vrij stond zowel voorafgaand aan als gedurende de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep aan de rechtbank, onderscheidenlijk het hof om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken. Dat heeft zij evenmin gedaan. Onder deze omstandigheden ziet het hof voorshands geen aanleiding [appellante] alsnog in staat te stellen een deskundigenrapport te doen opmaken. [appellante] heeft daarnaast van haar stellingen over de slechte staat van de collectie getuigenbewijs aan geboden. Het hof zal [appellante] daarom in de gelegenheid stellen door het doen horen van getuigen te bewijzen dat de collectie zich thans door nalatigheid van de Gemeente in een beduidend slechtere staat bevindt dan ten tijde van het overlijden van [kunstverzamelaar] (het tijdstip waarop de Gemeente feitelijk de zeggenschap over de collectie kreeg).

17.

Het hof houdt elke verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellante] toe door het doen horen van getuigen te bewijzen dat de collectie zich thans door nalatigheid van de Gemeente in een beduidend slechtere staat bevindt dan ten tijde van het overlijden van [kunstverzamelaar];

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.V. van den Berg, op 29 augustus 2014 om 9:30;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden september tot en met november van 2014, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J.E.H.M. Pinckaers en D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.