Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1585

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
BK-13-00058 t-m 13-00070
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY9420, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:961, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bank Zonder Naam. In geschil is of de inspecteur de aanslagen en navorderingsaanslagen, de verhogingen, de boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente terecht heeft opgelegd c.q. genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1693

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/00058 tot en met BK-13/00070

Uitspraak d.d. 30 april 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 29 november 2012, nummers AWB 11/2637 IB/PVV tot en met AWB 11/2640, AWB 11/2642 tot en met AWB 11/2649 en AWB 11/4835, betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

Navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen, beschikkingen heffingsrente, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft op 25 september 2009 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 1997 en een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting over het jaar 1998 opgelegd. Beide navorderingsaanslagen zijn verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Voorts heeft de Inspecteur op die datum aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 2002 opgelegd en bij gelijktijdig genomen beschikking een vergrijpboete van 100 percent van de nagevorderde belasting opgelegd. Tevens is bij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Op 23 januari 2010 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 1998 tot en met 2001 en over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (VB) opgelegd. Bij deze navorderingsaanslagen zijn vergrijpboetes van 100 percent van de nagevorderde belasting opgelegd. Voorts zijn op deze datum navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2006 opgelegd met bij gelijktijdig genomen beschikkingen opgelegde vergrijpboetes. Tevens is bij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. De Inspecteur heeft op 10 december 2010 aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2008 opgelegd. Bij gelijktijdig met de aanslag genomen beschikking is een vergrijpboete van 100 percent opgelegd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente bezwaar gemaakt.

1.5. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 17 februari 2011 de over de jaren 1997 tot en met 2005 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV, de over de jaren 1998 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen VB, de daarbij berekende heffingsrenten alsmede de daarbij opgelegde verhogingen en de vergrijpboetes gehandhaafd. Bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2011 heeft de Inspecteur de over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV, de daarbij berekende heffingsrente en de daarbij opgelegde vergrijpboete gehandhaafd. Bij uitspraak op bezwaar van 27 april 2011 heeft de Inspecteur de over het jaar 2008 opgelegde aanslag IB/PVV, de daarbij berekende heffingsrente en de daarbij opgelegde vergrijpboete gehandhaafd.

1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden - in één geschrift vervatte - uitspraken het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid:

“- verklaart de beroepen ongegrond, voor zover die zijn gericht tegen de belastingaanslagen over de jaren 1997 tot en met 2006 en 2008 en de heffingsrentebeschikkingen over die jaren;

- verklaart de beroepen ongegrond voor zover die zijn gericht tegen de bij de belastingaanslagen over de jaren 1997 tot en met 2002 en 2008 opgelegde verhogingen en vergrijpboetes;

- verklaart de beroepen gegrond voor zover ze die zijn gericht tegen de boetebeschikkingen over de jaren 2003 tot en met 2006;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de bij de belastingaanslagen over de jaren 2003 tot en met 2006 opgelegde vergrijpboetes;

- vermindert de boetebeschikkingen over de jaren 2003 tot en met 2006 tot bedragen van respectievelijk € 2.485 (2003), € 2.954 (2004), € 3.573 (2005) en € 4.146 (2006);

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.638, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het voor de gegrond verklaarde beroepen betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 118 voor de behandeling van zaken BK-13/00058 tot en met BK-13/00070. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 januari 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal gemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak onder 1 tot en met 20 vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid.

“1. Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen fotokopieën verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal, welke bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het project Bank Zonder Naam. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Van Lanschot Bankiers (Luxemburg) SA te Luxemburg (hierna: VLB), waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde fotokopieën (hierna: de renseignementen). Het project Bank Zonder Naam is in maart 2007 van start gegaan.

2.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende de rekeningen bij de VLB. De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi van bankrekeningen en effectenportefeuilles per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 zijn in Nederlandse guldens. De renseignementen van 5 september 1996 en 28 november 1996 luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Bijlage B.1:

“[VLB] Date: 9/05/96 (…)

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS * BONDS *

[nummer 1] [X]-[Y] NLG 1,063.44 .00 290,650.00

SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL

.00 16,680.04 308,393.48 P”;

Bijlage B.2:

“[VLB] Date: 11/28/96 (…)

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS * BONDS *

[nummer 2] [X] NLG 1,232.36 . 00 354,385.00

SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL

.00 6,459.30 362,076.66 P”.

3.

Eiser, geboren op [dag en maand] 1946, was tot 16 april 1996 gehuwd met [Y]. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV en VB geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de VLB.

4.

Verweerder heeft eiser bij brief van 18 november 2008 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekening(en). Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief zijn een tweetal formulieren gevoegd, te weten een formulier “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en een formulier “Opgaaf In het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. In die formulieren wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

5.

Op 22 november 2008 heeft eiser de onder 4 genoemde Verklaring geretourneerd. Daarbij heeft eiser aangegeven na 31 december 1994 geen buitenlandse bankrekeningen aan te (hebben ge)houden.

6.

Op 27 november 2008 heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen eiser en verweerder. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 27 november 2008 een brief aan eiser verzonden waarbij hij in de gelegenheid is gesteld om nadere informatie/gegevens te verstrekken.

7.

Op 6 januari 2009 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 27 november 2008, een herinneringsbrief aan eiser gestuurd. Hierbij is nogmaals een formulier “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” meegezonden. De Verklaring is op 26 januari 2009 retour ontvangen. Eiser heeft hierop aangegeven geen buitenlandse bankrekening te hebben aangehouden.

8.

Op 26 januari 2009 heeft verweerder eiser een verzoek om informatie gestuurd betreffende zijn buitenlandse bankrekening. Hierop is door de toenmalige gemachtigde van eiser bij brief van 26 januari 2009 gereageerd.

9.

Op 11 februari 2009 heeft verweerder eiser nogmaals een verzoek om informatie gestuurd betreffende zijn buitenlandse bankrekening. Een reactie van de zijde van eiser is vervolgens uitgebleven.

10.

Bij brief van 8 april 2009 heeft verweerder eiser geïnformeerd over het verdere verloop van de aanslagoplegging in verband met de buitenlandse bankrekening(en).

11.

Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2009 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om in verband met een door eiser aangehouden bankrekening bij de VLB navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 en 2002 en VB over het jaar 1998 op te leggen, met verhogingen dan wel een vergrijpboete van 100%.

12.

De toenmalige gemachtigde van eiser heeft op de onder 11 genoemde brief telefonisch gereageerd en daarbij aangegeven dat hij naar Luxemburg zou gaan met een volledige machtiging van eiser om gegevens bij de VLB op te vragen. In een telefonisch onderhoud op 28 augustus 2009 heeft de toenmalige gemachtigde meegedeeld dat hij de gegevens niet heeft gekregen.

13.

Op 4 september 2009 heeft verweerder contact opgenomen met eiser. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij niet beschikt over een buitenlandse bankrekening en dat verder contact kan worden opgenomen met zijn nieuwe (huidige) gemachtigde.

14.

Bij brief van 15 september 2009 heeft verweerder eiser een aangepaste kennisgeving van de onder 11 genoemde aangezegde navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1997 gestuurd.

15.

Met dagtekening 25 september 2009 zijn de onder 11 en 14 genoemde aangezegde navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboete opgelegd.

16.

Bij brief van 14 oktober 2009 heeft eiser een pro-forma bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 en 2002 en VB over het jaar 1998 en de daarbij opgelegde verhogingen en vergrijpboete.

17.

Verweerder heeft bij brief van 23 november 2009 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om in verband met een door eiser aangehouden bankrekening bij de VLB over de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2006 navorderingsaanslagen IB/PVV en/of VB op te leggen, met verhogingen dan wel vergrijpboetes van 100%. Een reactie van eiser hierop is uitgebleven. Met dagtekening 23 januari 2010 zijn deze aangezegde navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboetes opgelegd.

18.

Bij brief van 23 juni 2010 heeft verweerder eiser in verband met de door hem ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 onder verwijzing naar de eerdere correspondentie over de buitenlandse rekening(en) om informatie over het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen verzocht. Nadat eiser hier bij brief van 8 juli 2010 op heeft gereageerd, heeft verweerder eiser bij brief van 16 juli 2010 nogmaals een verzoek om informatie gestuurd.

19.

Bij brief van 23 augustus 2010 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om bij de aanslagregeling voor het jaar 2008 in verband met een door eiser aangehouden bankrekening bij de VLB op de aangifte IB/PVV een correctie toe te passen, met oplegging van een vergrijpboete van 100%. Met dagtekening 10 december 2010 zijn deze aanslag en vergrijpboete opgelegd.

20.

De verhogingen dan wel vergrijpboetes zijn op de voet van respectievelijk artikel 18, eerste lid, van de Awr (tekst tot en met 1997), artikel 67e van de Awr (tekst vanaf 1998) en artikel 67d van de Awr opgelegd.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslagen en navorderingsaanslagen, de verhogingen, de boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente terecht heeft opgelegd c.q. genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt zakelijk weergegeven aangevoerd.

Identificatie

Het is niet uit te sluiten dat de rekening wordt gehouden door een naar het buitenland ge-emigreerde Nederlander van wie de naam met die van belanghebbende overeenkomt en met wie de Belastingdienst geen relatie onderhoudt. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de stelling van belanghebbende verworpen dat de Inspecteur het BVR-register had moeten raadplegen, waarin Nederlanders die woonachtig zijn in het buitenland zijn opgenomen, teneinde te onderzoeken of daarin geen personen vermeld staan met dezelfde namen die op de rekeningstandenlijsten voorkomen.

Betrouwbaarheid en authenticiteit van de rekeningstandenlijsten

De rechtbank had de Inspecteur moeten gelasten de integrale rekeningstandenlijsten over te leggen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen in voldoende mate de betrouwbaarheid en de authenticiteit te kunnen beoordelen.

Het fair play beginsel

De Inspecteur heeft niet voldaan aan de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer van 15 juni 2010, waarbij de Inspecteur gelast wordt om de door belanghebbende verzochte stukken in het geding te brengen. De namen van individuele belastingambtenaren en het niet geanonimiseerde memo inzake de zogeheten meewerkers hadden moeten worden verstrekt. De Inspecteur is te kwader trouw, doordat hij bewust dit memo niet verstrekt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat deze stukken niet nodig zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil.

Uit eerder voor de rechtbank Leeuwarden gevoerde procedures betreffende hetzelfde onderwerp blijkt uit ambtsedige verklaringen van bij het project BZN betrokken belastingambtenaren dat er stukken zijn waar belanghebbende het bestaan niet van heeft vermoed en die de Inspecteur niet aan belanghebbende heeft verstrekt.

Deze stukken wil belanghebbende ook overgelegd zien. Het gaat om onder meer een e-mail van 20 november 2006, waarin wordt verzocht om de verzending van de vragenbrief aan belanghebbenden op te schorten, verslagen van kick-off bijeenkomsten, en het verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie (geheten memo identificatie) en verslagen van de positieve nadere identificatie en stukken over vermeende afpersing. Belanghebbende wil met die stukken aantonen dat er geen rekening is aangehouden dan wel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Voortvarendheid

De Inspecteur heeft voor de opgelegde aanslagen IB/PVV en VB waarbij gebruik is gemaakt van de verlengde navorderingstermijn niet met de voortvarendheid gehandeld die ingevolge het arrest Passenheim van der Schoot van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad van 26 februari 2010, LJN:BJ9092 en LJN BJ9120 van de Inspecteur wordt gevergd.

Belanghebbende stelt zich nader op het standpunt dat de heer [A] namens de Belastingdienst op een zitting van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 27 september 2013 heeft verklaard dat de navorderingsaanslagen in de BZN-zaken die in 2009 zijn opgelegd niet voortvarend zouden zijn vastgesteld. Belanghebbende is met de groep waarvan de aanslagen en beschikkingen door de Belastingdienst zijn vernietigd vergelijkbaar en dient gelijk te worden behandeld.

De gemachtigde verwijst ook naar hetgeen het Hof heeft beslist in de BZN-zaken van naar hij stelt vergelijkbare belastingplichtigen voor wie hij eveneens als gemachtigde heeft opgetreden: [B], [C], [D] en [E] en de arresten van de Hoge Raad van 7 juni 2013 en 27 september 2013 waaruit blijkt dat in het geval de Inspecteur meer dan zes maanden heeft stilgezeten geen sprake meer is van voortvarend handelen.

De navorderingsaanslagen die in 2009 zijn opgelegd zijn in ieder geval niet voortvarend opgelegd. Bij belanghebbende heeft geen her-check plaatsgevonden. Verder heeft het Hof zich nog niet uitgesproken over de vraag of in de onderzoeksfase de periode die het onderzoek door de FIOD in beslag heeft genomen te lang heeft geduurd omdat door de FIOD niet voortvarend is gehandeld. Het handelen van de FIOD is toe te rekenen aan het handelen van de Belastingdienst. De gemachtigde verwijst naar uitspraken van cliënten van hem van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, kenmerken 11/00670 en 11/00671. De zorgvuldigheid is in de eerste tranche geschonden, mitsdien ontbreekt deze ook in de tweede tranche van het onderzoek. De Inspecteur heeft een jaar laten verstrijken zonder iets te doen. Er is geen enkel contact geweest met de Inspecteur. Als belanghebbende al ontkend heeft over een rekening te beschikken dan heeft een nadere brief van de Inspecteur waarbij verzocht wordt om bankafschriften geen zin.

Het gaat om een rekening waaraan niet een dubbele naam is verbonden. Daarom had belang- hebbende al begin 2006 geïdentificeerd kunnen zijn. De navorderingsaanslagen hadden in de eerste tranche kunnen worden opgelegd.

Bewijs

Gesteld al dat belanghebbende terecht geïdentificeerd zou zijn als houder van de rekening, dan heeft de Inspecteur daarmee niet bewezen dat belanghebbende in de in het geding zijnde jaren houder van de rekening is geweest. De omstandigheid dat het vermogen niet is toegenomen staat er niet aan in de weg dat het vermogen zoals dat er volgens de rekening-standen was in 1996 tot nihil kan zijn afgenomen in de thans in het geding zijnde belastingjaren. De Inspecteur is er niet in geslaagd te bewijzen dat belanghebbende en niemand anders de rechthebbende op het bij de VLB-bank aangehouden vermogen was en inkomsten daaruit genoot.

Hoogte aanslagen

De schatting van de inkomsten respectievelijk vermogens is niet redelijk en in strijd met het zorgvuldigheids-, het voorzichtigheids- en willekeurbeginsel geschied. De door de Inspecteur gehanteerde berekening van de navorderingsaanslagen is willekeurig en onbetrouwbaar en de (uitkomst van de) schatting is onredelijk. Belanghebbende heeft geen inzage gekregen in de uitkomsten van het onderzoek van andere rekeninghouders. De vermogenstoename van 23,5 en 23,66 percent van 1994 tot 1996 is zeer grof en onbetrouwbaar. Niet duidelijk is hoe met stortingen rekening is gehouden. De Inspecteur had een percentage van 13,45 en 12,90 dienen te berekenen door 12/21e gedeelte en 12/22e gedeelte te nemen van de eerstgenoemde percentages. Het is onduidelijk op welke percentagegegevens van het CBS de Inspecteur zijn berekening heeft gebaseerd. Vanuit zijn praktijk is het de gemachtigde van belanghebbende bekend dat het tegoed in het buitenland wordt aangehouden voor de oude dag. Daarom is het beleggingsprofiel defensief en wordt maximaal zes percent rendement behaald.

Actualisering redelijke schatting

Van de 325 personen van wie de Inspecteur de gegevens heeft gebruikt voor zijn schatting zijn er veel die alsnog hebben bekend en bij wie de vermogensgroei naar beneden is bijgesteld. De Inspecteur beschikt over meer gegevens en had zijn schatting moeten bijstellen.

Boete

De Inspecteur heeft niet bewezen dat het beboetbare feit is begaan. Op de Inspecteur rust de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat een boete c.q. verhoging van 100 percent moet worden opgelegd. Voor ieder afzonderlijk belastingjaar dient aangetoond te worden dat belanghebbende rekeninghouder is. Er zijn geen vaststaande, aanvullende gegevens of voldoende sterke aanwijzingen dat er in andere jaren een buitenlandse rekening op na werd gehouden. De omkering van de bewijslast is ten onrechte toegepast. Alleen al daarom is een matiging van de verhogingen en boeten vereist met 20 percent. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat sprake is van omkering van de bewijslast en de ernst van de gedraging. Voorts is ten aanzien van de verhogingen en de boetes de voor berechting geldende redelijke termijn van artikel 6 EVRM overschreden. Voor de aanvang van de redelijke termijn is het tijdstip van belang waarop de Inspecteur de eerste vragenbrief heeft verzonden.

De door de rechtbank toegepaste vermindering is onvoldoende en er is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden. Geen rekening is gehouden met de proportionaliteit. De verhogingen en de boetes dienen met meer dan 50 percent te worden verminderd.

Bronheffing

De Inspecteur heeft ten onrechte geen rekening gehouden met een bronheffing die op rente-inkomsten in het buitenland wordt genoten.

4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de (navorderings)aanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikking heffingsrenten na de uitspraak van de rechtbank rechtens juist zijn onder aanvoering van het volgende.

Belanghebbende is terecht als bankrekeninghouder geïdentificeerd.

De gegevens op de rekeningstandenlijsten zijn betrouwbaar en authentiek.

Alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

De aanslagen zijn met voldoende voortvarendheid opgelegd.

Belanghebbende kan er niet op vertrouwen dat hij hetzelfde wordt behandeld als het ter zitting genoemde geval dat bij de rechtbank Zeeland-West Brabant is behandeld. Waar de gemachtigde op doelt betreft een specifiek geval waarbij een aantal navorderingsaanslagen in het jaar 2009 zijn opgelegd terwijl in het jaar 2007 het heffingsonderzoek is opgestart bij de regio-inspecteurs en het de bedoeling was dat in de tweede helft van 2008 nadat de belastingplichtigen in de bezwaarfase met betrekking tot de eerste set navorderingsaanslagen kenbaar hadden kunnen maken of zij een rekening hadden en opening van zaken konden geven, de andere set navorderingsaanslagen zou worden opgelegd. Aan de eerste helft van die groep zijn de navorderingsaanslagen in de tweede helft van 2008 opgelegd. Aan de andere helft van die groep zijn door omstandigheden pas in 2009 navorderingsaanslagen opgelegd. Daarbij is in een aantal gevallen een termijn van meer dan zes maanden verstreken waarin sprake was van stilzitten aan de kant van de Belastingdienst. Belanghebbende behoort in het geheel niet tot een van deze groepen omdat hij in het jaar 2008 is geïdentificeerd.

Inmiddels heeft het gerechtshof Den Haag overigens beslist dat mede gelet op de projectmatige aanpak in de voorbereidende fase bij de BZN-zaken voortvarend is gehandeld.

De bankrekening is ook in de jaren na 1996 aangehouden en de (opbrengsten uit) de bankrekening is (zijn) opzettelijk niet in de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelastingverantwoord.

Het gebruikte percentage voor de vermogensaangroei is redelijk en voldoende onderbouwd.

Het gebruikte percentage voor het bepalen van de belaste inkomsten uit de bankrekening is redelijk en voldoende onderbouwd.

Het aanvangsmoment van de redelijke termijn begint volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op het moment van de aankondiging van de boete. De verhogingen en de boete zoals verminderd door de rechtbank zijn passend en geboden.

Met bronheffing kan rekening worden gehouden indien belanghebbende kan aantonen dat er bij hem bronheffing is ingehouden. Dit laatste is niet geschied.

4.4. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de aanslag, navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrenten en subsidiair tot vermindering van de aanslag, navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrenten overeenkomstig de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen standpunten.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid:

“De op de zaak betrekking hebbende stukken

25.

De rechtbank stelt voorop dat een enkelvoudige geheimhoudingskamer van deze rechtbank op 15 juni 2010 in een aantal vergelijkbare VLB-zaken op de voet van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een tussenuitspraak heeft gedaan inzake de op de VLB-zaken betrekking hebbende stukken en het beroep van verweerder op geheimhouding daarvan (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BM8231). De in de tussenuitspraak gegeven uitgangspunten en oordelen hebben naar het oordeel van de rechtbank ook voor de onderhavige zaken te gelden.

26.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Meer specifiek voert eiser aan dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de tussenuitspraak van 15 juni 2010, omdat verweerder in afwijking van die uitspraak niet de namen van individuele belastingambtenaren heeft verstrekt en niet het geanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten heeft ingebracht.

27.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de tussenuitspraak van 15 juni 2010. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet er in dit geval van af om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank thans beschikt, heeft de rechtbank de betreffende namen voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in zijn procesbelangen is geschaad.

28.

Verweerder heeft wel het geanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten -bijlage E in de tussenuitspraak- ingebracht. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat dit memo ten onrechte in geanonimiseerde vorm is ingebracht aangezien hierop al is beslist door de hiervoor genoemde geheimhoudingskamer van deze rechtbank. In de tussenuitspraak van 15 juni 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de in dat stuk genoemde namen en sofinummers en de in het stuk genoemde rekeningnummers mogen worden geanonimiseerd.

29.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met de bij het verweerschrift gevoegde bijlagen alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting ingebracht. Hetzelfde heeft te gelden voor de gegevens met betrekking tot de identificatie.

30.

Voor zover eiser betoogt dat de rechtbank voor wat betreft de overlegging en geheimhouding van de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 in afwijking van de tussenuitspraak van 15 juni 2010 moet uitgaan van de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Haarlem van 23 september 2011, verwerpt de rechtbank dat betoog. De rechtbank ziet geen aanleiding om met betrekking tot deze stukken nu anders te beslissen dan in de tussenuitspraak van 15 juni 2010 is gedaan. Overigens heeft de Belastingdienst, naar verweerder ter zitting heeft verklaard, tegen de bedoelde geheimhoudingsuitspraak van de rechtbank Haarlem hoger beroep ingesteld.

31.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hem door een schrijven van de Belastingdienst/[Q] is gebleken dat er nog andere relevante stukken in het bezit van de Belastingdienst zijn welke op directe wijze betrekking hebben op het project BZN. Deze stukken dienen ook als op de zaak betrekking hebbende stukken te worden aangemerkt en in het geding te worden gebracht. Het gaat daarbij om:

1.

Agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam.

2.

Agendapunten en bijbehorende verslagen betrekking hebbende op de kick-off bijeenkomsten gehouden op 16 en 17 november 2006.

3.

De e-mail van 20 november 2006 waarin verzocht wordt de verzending van de vragenbrief aan belanghebbende op te schorten.

4.

Het verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie.

5.

De brief van 5 december 2006 waarin de belastingregio’s worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende.

6.

Agendapunten en bijbehorende verslagen van alle bijeenkomsten gehouden door de betrokken belastingregio’s in het kader van de afpersingskwestie.

7.

Verslag van de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck en chi-kwadraattoets.

8.

Stukken inzake de vermeende afpersing van de onderhavige bankinstelling.

32.

Ter zake van de hiervoor door eiser opgesomde stukken stelt de rechtbank vast dat zijn gemachtigde een aantal van die stukken al in zijn bezit heeft. Hij heeft bij zijn brief van 10 november 2011 de volgende bijlagen overgelegd:

- een brief van de Belastingdienst/[Q] van 23 september 2011;

- een ambtsedige verklaring van [F], opgemaakt op 20 september 2011;

- een ambtsedige verklaring van [G], opgemaakt op 20 september 2011;

- een ambtsedige verklaring van [H], opgemaakt op 20 juni 2011.

33.

In reactie op voormelde brief heeft verweerder bij brief van 8 augustus 2012 gereageerd. Deze brief luidt -voor zover van belang- als volgt.

“Voorts verzoekt eiser onder verwijzing naar een schrijven van de Belastingdienst [Q] van 23 september 2011 een aantal andere stukken in het geding te brengen. In antwoord op dit verzoek merk ik het volgende op..

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (25 april 2008, nr. 43.448) dient in beginsel slechts tegemoet te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende, indien dit verzoek strekt tot overlegging van een bepaald stuk én indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Mocht belanghebbende menen dat een bepaald stuk een rol kan hebben gespeeld bij de besluitvorming en de inspecteur meent dat het stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, kan de inspecteur, gelet op genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, zich niet verweren met de enkele stelling dat het stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. In dat geval zal uw rechtbank dienen te bepalen of het betreffende stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is. In dat licht kom ik tot de volgende reactie (…).

- agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het project BZN;

Dit verzoek van eiser strekt niet tot overlegging van een bepaald stuk. Mijns inziens is het verzoek is op dit punt te algemeen gesteld.

- agendapunten en bijbehorende verslagen met betrekking tot de kick-off bijeenkomsten van 16 en 17 november 2006:

De gehouden kick-off bijeenkomsten zien niet op besluitvorming in individuele gevallen. Deze bijeenkomsten zijn algemeen van aard geweest. Een agenda of verslag is, voor zover ik weet, niet opgemaakt.

- de e-mail van 20 november 2006 waarin wordt verzocht de verzending van de vragenbrief aan belanghebbende op te schorten;

De betreffende e-mail is bewaard gebleven. Een afschrift is bijgevoegd. De namen van individuele belastingambtenaren zijn geanonimiseerd.

- verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie;

Van het in de ambtsedige verklaring van [H] genoemde bezoek op 21 november 2006 is door haar een verslag opgesteld d.d. 24 november 2006. Dit “memo identificatieproces” is in de onderhavige procedures reeds onder algehele geheimhouding ingebracht.

- brief van 5 december 2006 waarin regio’s worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende;

Er is geen sprake van een brief. Voor zover eiser doelt op een e-mail met deze datum heeft het volgende te gelden. De betreffende e-mail is bewaard gebleven. Een afschrift is bijgevoegd. De namen van individuele belastingambtenaren zijn geanonimiseerd.

- agendapunten en bijbehorende verslagen van alle bijeenkomsten gehouden door de betrokken belastingregio’s in het kader van de afpersingskwestie;

Dit verzoek van eiser strekt niet tot overlegging van een bepaald stuk. Mijns inziens is het verzoek is op dit punt te algemeen gesteld. Er zijn bij mijn weten betreffende dit punt geen bijeenkomsten door belastingregio’s geweest; er zijn derhalve ook geen stukken van opgemaakt.

- verslag van de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck en chi-kwadraattoets.

Er is geen verslag van “de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck”. Voor het overige zijn de stukken met betrekking tot de identificatie en de chi-kwadraattoets reeds meegezonden bij mijn verweerschrift.”

34.

In een andere BZN-zaak die gelijktijdig ter zitting is behandeld waarin de gemachtigde van eiser optreedt (met procedurenummers AWB 11/2692 en AWB 11/2693), heeft verweerder nog de volgende stukken overgelegd:

- een e-mail van 20 november 2006 van [H] (de namen van individuele belastingambtenaren zijn geanonimiseerd);

- een e-mail van 5 december 2006 van [H] (de namen van individuele belastingambtenaren zijn geanonimiseerd).

Partijen hebben ter zitting verklaard dat ervan uit moet worden gegaan dat stukken die in één van die zaken zijn ingediend, moeten worden geacht tevens te zijn ingediend in de overige zaken die op 18 september 2012 ter zitting behandeld zijn. Dit betekent dat de hier beschreven in de zaken met procedurenummers AWB 11/2692 en AWB 11/2693 overgelegde stukken geacht worden eveneens te zijn overgelegd in de onderhavige zaken.

35.

Gelet op de onder 33 opgenomen reactie van verweerder en de door hem in het geding gebrachte e-mails is de rechtbank van oordeel dat verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen in de e-mails in te brengen gevolgen te verbinden. Deze heeft de rechtbank voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk geworden dat eiser door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in zijn procesbelang is geschaad.

36.

Ter zitting heeft eiser voorts nog aangevoerd dat verweerder alle aangiftebiljetten over de onderhavige jaren dient in te brengen en dat de rechtbank hem daar ambtshalve om had moeten verzoeken. De rechtbank verwerpt ook deze stelling, omdat de aangiftegegevens met de door verweerder in het geding gebrachte schermprintjes zijn overgelegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen, temeer daar door eiser niets is aangevoerd of overgelegd op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat de zogenoemde schermprintjes niet de gegevens bevatten die bij de indiening van de aangiftebiljetten zijn verstrekt.

Renseignementen

37.

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser houder is van een bankrekening bij de VLB gebaseerd op de in de renseignementen opgenomen gegevens, zijnde de gegevens die waren begrepen in de gestolen fotokopieën, zoals die door de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 aan de FIOD-ECD Team Internationaal zijn verstrekt.

38.

De stelling van eiser dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat zowel de Belgische- als de Nederlandse autoriteiten de onder 1 genoemde Richtlijn hebben geschonden doordat zij de Luxemburgse autoriteiten niet hebben verzocht of de gegevens opgenomen in de gestolen fotokopieën voor fiscale doeleinden mochten worden gebruikt, faalt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten en dat belastingplichtigen, zoals eiser, daaraan geen rechten kunnen ontlenen (vgl. Hof van Justitie 27 september 2007, C-184/05, BNB 2008/13 (Twoh International BV)). Bovendien is de Richtlijn niet van toepassing op door een lidstaat (België) aan een derde lidstaat (Nederland) doorgegeven inlichtingen die weliswaar afkomstig zijn uit een andere lidstaat (Luxemburg), maar niet aan de doorgevende staat zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (vgl. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN: BM0137). Nu vaststaat dat België de aan Nederland doorgegeven inlichtingen niet op basis van de Richtlijn van Luxemburg maar op andere wijze heeft ontvangen, is de Richtlijn in het onderhavige geval niet van toepassing. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank gezien het vorenstaande geen aanleiding.

39.

Voorts mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gegevens in de gestolen fotokopieën als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Nederlandse fiscus in het bezit van de gestolen fotokopieën is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de fotokopieën op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de VLB en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN: BA8179).

40.

De rechtbank ziet voorts, gelet op de toelichting die is ontvangen van de Belgische autoriteiten bij de brief van 18 februari 2005 en hetgeen verweerder daartoe overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding om aan de aard en herkomst van de in de renseignementen opgenomen gegevens, als ook de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan, te twijfelen. Bovendien valt ook uit de informatie die van de meewerkende VLB- spaarders is verkregen niet af te leiden dat er sprake zou zijn van onjuiste of onbetrouwbare informatie. Derhalve dient naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de in de renseignementen opgenomen gegevens te worden uitgegaan. Hetgeen eiser overigens op dit punt heeft aangevoerd, kan evenmin aan voormeld oordeel afdoen.

Identificatie

41.

De rechtbank stelt voorop, gelet op de ontkenning daarvan door eiser, dat op verweerder de bewijslast rust dat eiser houder is (geweest) van een bankrekening bij de VLB. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties van de belastingdienst (hierna: het BVR-systeem). Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Uit de door verweerder ingebrachte schermprints van de in het BVR-systeem opgenomen personen blijkt dat er slechts één persoon voorkomt met de achternaam [Achternaam X] en de voorletters [Voorletters X]. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomst te twijfelen. Gelet op de combinatie van de achternaam tezamen met de voorletters van eiser en op de omstandigheid dat in het BVR-systeem maar één persoon voorkomt met dezelfde achternaam en voorletters als die van eiser, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekening met nummer [nummer 2]. Voorts acht de rechtbank gelet daarop, in samenhang bezien met het feit dat eiser tot medio april 1996 gehuwd is geweest met [Y], aannemelijk dat eiser rekeninghouder is geweest van de in de renseignementen vermelde rekening met nummer [nummer 1].

Nieuw feit

42.

Eiser heeft ter zitting met betrekking tot de opgelegde navorderingsaanslagen gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit op grond waarvan verweerder kan navorderen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de aangiftegegevens blijkt immers dat eiser geen aangifte heeft gedaan van de tegoeden bij de VLB. Nu nadien aannemelijk is geworden dat eiser in de onderhavige jaren rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekeningen met nummers [nummer 1] en [nummer 2] en hij de inkomens- en vermogensbestanddelen hieruit niet in zijn aangiften heeft opgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nieuw feit op grond waarvan verweerder mag navorderen.

Toepassing verlengde navorderingstermijn

43.

Eiser heeft gesteld dat verweerder niet met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld. Deze stelling leidt ertoe dat het onderzoek zich in het onderhavige geval dient te richten op de navorderingaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2003 en VB 1998 en 2000 die zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awr.

44.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, LJN: BI8987 heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

45.

Tussen het moment waarop de informatie via België bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment waarop aan eiser de 1e vragenbrief werd toegezonden, is ongeveer drie en een half jaar verstreken. Vaststaat dat in die periode voor de verwerking van die gegevens het project Bank Zonder Naam is opgestart en dat in die periode ook de identificatie van mogelijke belastingplichtigen heeft plaatsgevonden. Om dit zorgvuldig en betrouwbaar te kunnen doen, alsmede om in deze periode een berekeningswijze voor de tegoeden op andere momenten te kunnen bepalen, heeft de Belastingdienst kennelijk voor een projectmatige aanpak gekozen. Voor het onderhavige geval geldt daarbij dat eiser niet automatisch kon worden geïdentificeerd, maar pas door een handmatige identificatie die eerst in de tweede helft van 2008 heeft plaatsgevonden, kon worden geïdentificeerd. De met dit project gemoeide tijd van in totaal ongeveer drie en een half jaar voordat verweerder tot identificatie van eiser is gekomen en hem vervolgens op 18 november 2008 heeft aangeschreven, acht de rechtbank gezien de massaliteit van de gegevens, de massaliteit van de vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid om tot een eenduidige identificatie te komen, waarbij in voorkomende gevallen overgegaan moest worden op een handmatige identificatie, niet onredelijk lang.

46.

Het verkrijgen van informatie van eiser en het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslagen heeft plaatsgevonden zoals hiervoor weergegeven onder 4 tot en met 17. Daarbij geldt dat eiser tegen de eerste opgelegde navorderingsaanslagen, te weten de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 en 2002 en VB over het jaar 1998, welke zijn opgelegd met dagtekening 25 september 2009, op 14 oktober 2009 pro-forma bezwaar heeft gemaakt. Dit bezwaar heeft eiser op 16 december 2010 gemotiveerd.

47.

De rechtbank stelt voorop dat zij de termijn tussen het aanschrijven van eiser ter verkrijging van informatie en het opleggen van de eerste navorderingsaanslagen op 25 september 2009 niet onredelijk lang acht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er in deze periode diverse contactmomenten tussen eiser en verweerder over de rekening zijn geweest.

48.

De overige navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001 en 2003 en VB 2000 zijn bijna vier maanden later opgelegd, namelijk op 23 januari 2010. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook bij het opleggen van deze navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder bij het opleggen van navorderingsaanslagen de benodigde zorgvuldigheid dient te betrachten, waarbij hij zoveel als mogelijk is dient aan te sluiten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht het in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid dan ook niet onredelijk dat verweerder er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om in eerste instantie de uitkomsten van het heffingsonderzoek over 1997 en 2002 (IB/PVV) en 1998 (VB) af te wachten, alvorens de onderhavige overige navorderingsaanslagen op te leggen, daar verweerder zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook mogen afwachten of eiser in de bezwaarfase alsnog de benodigde gegevens en informatie zou verstrekken.

49.

Alle genoemde feiten en omstandigheden, bezien in het kader van de zorgvuldigheid die verweerder bij het opleggen van navorderingsaanslagen dient te betrachten, leiden de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2003 en de navorderingaanslagen VB 1998 en 2000 met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld. Derhalve mocht verweerder deze navorderingsaanslagen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn opleggen.

50.

De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2006 zijn eveneens opgelegd op 23 januari 2010. Daarbij is van belang dat voor het jaar 2004 uitstel was verleend voor indiening van de aangifte. Voor die jaren is door verweerder geen gebruik gemaakt van verlenging van de reguliere termijn voor navordering van 5 jaar. Voor zover eiser stelt dat de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van 5 jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en deze aanslagen, naar eiser stelt, om die reden niet in stand kunnen blijven, verwerpt de rechtbank die stelling, reeds omdat de hiervoor in 44 genoemde arresten niet inhouden dat het beginsel van evenredigheid ook geldt in het geval artikel 16, vierde lid, van de Awr geen toepassing vindt. De rechtbank zal derhalve de toets van voortvarendheid bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2004 tot en met 2006 niet aanleggen (vgl. HR 18 februari 2011, nr. 09/05204, LJN: BP4779).

51.

De stelling van eiser dat een eventueel gebrek aan voortvarend handelen in laatstgenoemde situaties heeft te leiden tot een extra tegemoetkoming in de boetesfeer, verwerpt de rechtbank eveneens. Eisers standpunt vindt geen steun in de geldende regelgeving en/of jurisprudentie.

Omkering bewijslast

52.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr en dat eiser evenmin de vereiste aangiften heeft gedaan.

53.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 41 is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat eiser houder was van de in de renseignementen vermelde VLB-rekeningen met nummers [nummer 1] en [nummer 2]. Niet in geschil is dat de saldi en inkomsten van de rekening [nummer 1] die in de loop van 1996 van naam en rekeningnummer is gewijzigd in nr. [nummer 3] ten name van [X] niet in de aangiften van eiser zijn aangegeven. Gelet op de hoogte van de saldi van de VLB-rekening van eiser, zoals vermeld in de renseignementen, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiser dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiser niet de vereiste aangiften gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de Awr de bewijslast dient te worden omgekeerd.

54.

Nu de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangiften reeds is omgekeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiser niet aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan.

55.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank gehouden de beroepen, ingevolge artikel 27e van de Awr, ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, waarbij het op de weg van eiser ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De enkele, blote stelling van eiser dat hij geen rekeninghouder bij de VLB bank is (geweest), is daarvoor onvoldoende.

Redelijke schatting

56.

Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomensbestanddelen. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem gecorrigeerde inkomensbestanddelen een berekening overgelegd, welke nader is toegelicht in het verweerschrift onder punt 6.4.2. Hieruit komt naar voren dat verweerder zijn schatting heeft gebaseerd op de gemiddelde vermogenstoename van de saldi van alle rekeninghouders bij de VLB die op alle drie de data waarover de belastingdienst informatie uit België heeft ontvangen (21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996), één of meerdere rekeningen in Nederlandse valuta hadden. Het gaat daarbij om de saldi van in totaal 325 geïdentificeerde personen. Uit de vergelijking van het totaal van die saldi kwam een vermogenstoename naar voren van respectievelijk 23,55% (21 december 1994 tot 5 september 1996) en 23,66% (21 december 1994 tot 28 november 1996) op jaarbasis. Verweerder is in zijn schatting uitgegaan van het saldo van eisers VLB rekening per 28 november 1996 (ƒ 362.076,66) en heeft daarop een jaarlijkse vermogenstoename van 23,5% toegepast, die is berekend vanuit het laatst bekende saldo. Ten aanzien van de te belasten inkomensbestanddelen uit vermogen is verweerder, rekening houdende met de wettelijke rentepercentages, de marktrente en de rendementen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek, uitgegaan van een jaarlijks rendement van 6% over het door hem berekende vermogen.

57.

Alhoewel aan de berekeningswijze van verweerder een zekere grofheid niet kan worden ontzegd, is die berekeningswijze op zichzelf bezien niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortvloeiende schatting als onredelijk ter zijde moet worden geschoven. Bovendien heeft eiser, als houder van de VLB-rekening in de positie verkerend om over gegevens daarvan te beschikken dan wel beschikking te krijgen, niets aangevoerd om de onredelijkheid van de schatting met argumenten te bestrijden. De rechtbank verwerpt eisers stelling dat de schatting van verweerder niet controleerbaar zou zijn, nu verweerder, zoals ook onder 29 is overwogen, alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting heeft ingebracht.

58.

Nu de rechtbank de voornoemde schattingen van verweerder redelijk acht en gesteld noch gebleken is dat de belastingaanslagen anderszins tot te hoge bedragen zijn vastgesteld, zijn de beroepen voor zover zij zijn gericht tegen de (navorderings)aanslag(en) IB/PVV en VB ongegrond.

Vergrijpboetes

59.

Met betrekking tot de hoogte van de vergrijpboetes stelt de rechtbank voorop dat verweerder heeft geconcludeerd dat de voor de jaren 2003, 2004, 2005 en 2006 opgelegde vergrijpboetes te hoog zijn vastgesteld en dienen te worden verminderd tot op respectievelijk € 2.485 (2003), € 2.954 (2004), € 3.573 (2005) en € 4.146 (2006). In zoverre is het beroep gegrond.

60.

Voorts stelt de rechtbank voorop dat op verweerder de bewijslast rust dat het aan opzet van eiser is te wijten dat over het saldo op de VLB rekening in de onderhavige jaren te weinig inkomstenbelasting is geheven.

61.

De rechtbank heeft, zoals hiervoor onder 40 is overwogen, geen aanleiding om aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de renseignementen te twijfelen. Daarnaast moet het naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 41 is overwogen, er voor worden gehouden dat eiser houder was van de in de renseignementen vermelde VLB rekeningen met nummers [nummer 1] en [nummer 2]. Uit de renseignementen valt naar het oordeel van de rechtbank voorts op te maken dat op die rekeningen op 5 september 1996 en op 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen, te weten in totaal (afgerond) ƒ 308.393 (per 5 september 1996 op rekeningnummer [nummer 1]) respectievelijk ƒ 362.076 (per 28 november 1996 op rekeningnummer [nummer 2]) stond.

62.

Het is inmiddels van algemene bekendheid dat zogenoemde zwartspaarders met een bankrekening in een land met een bankgeheim gedurende een lange periode deze rekening hebben aangehouden met als doel aanzienlijke vermogens buiten het zicht van de fiscus te houden. Voormelde ervaringsregel vindt ook steun in de door de zogenoemde VLB-meewerkers verstrekte gegevens. In aanmerking nemende dat het er voor moet worden gehouden dat eiser in 1996 houder was van voormelde VLB-rekeningen en er op 5 september 1996 en 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen stond op die rekeningen, is het, gelet op eerdergenoemde ervaringsregel, meer dan waarschijnlijk dat de rekening (met nummer [nummer 2]) ook ná 1996 gedurende een reeks van jaren heeft bestaan. Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat eiser tot op heden geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en hij op geen enkele wijze heeft meegewerkt om tot een juiste belastingheffing met betrekking tot die rekening te komen, acht de rechtbank aannemelijk dat het in 1996 bestaande saldo op eisers VLB-rekening, zoals dat uit de renseignementen naar voren komt, in de daarop volgende jaren (1997 t/m 2008), in stand is gebleven, rentedragend is gebleven en/of dividendinkomsten bevat. Dit geldt temeer daar, naar verweerder overtuigend heeft aangevoerd, er in de jaren vanaf 1996 geen sprake is geweest van een -bijzondere- toename van eisers zichtbare vermogen. Nu eiser het saldo van diens VLB-rekening niet in zijn aangiften IB/PVV over de onderhavige jaren heeft opgenomen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het aan opzet van eiser is te wijten dat van hem in deze jaren te weinig belasting is geheven dan wel dat hij voor het jaar 2008 de aangifte IB/PVV onjuist, dan wel onvolledig, heeft gedaan (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350).

63.

Daar het voorts van algemene bekendheid is dat banktegoeden moeten worden aangegeven voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, en Nederlandse banken verplicht zijn opgave te doen aan de fiscus van de bij hen aangehouden rekeningen, heeft eiser door omvangrijke bedragen te storten op een rekening in een land met een bankgeheim dit geld en de daaruit ontvangen inkomsten gedurende een lange reeks van jaren bewust aan het zicht van de fiscus onttrokken. Vorengenoemde omstandigheden maken dat sprake is van omstandigheden die in beginsel een verhoging dan wel een vergrijpboete van 100% van het verschuldigde belastingbedrag rechtvaardigen.

64.

Met betrekking tot de vraag of een boete passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN: BC1962 en Hoge Raad 24 oktober 2008, nr. 07/12139, LJN: BG1239). In het onderhavige geval is de hoogte van het verschuldigde belastingbedragen komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft verweerder het saldo van eisers VLB rekening en de daaruit genoten inkomsten geschat. De rechtbank heeft, naar hiervoor onder 57 en 58 is overwogen, geoordeeld dat deze schatting redelijk is. Het schatten van het saldo brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat het in werkelijkheid aanwezige tegoed lager is. Eiser verkeerde echter als rekeninghouder als enige in de positie om duidelijkheid te verschaffen omtrent het daadwerkelijk aanwezige saldo. Als gevolg van eisers keuze om die informatie niet te verstrekken, was verweerder genoodzaakt om een schatting van het saldo te maken. De rechtbank acht de door verweerder opgelegde vergrijpboetes -zoals die luiden na de door hem voorgestane verminderingen (zie onder 59)- onder die omstandigheden, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden.

65.

De door eiser gestelde schending van de motiveringsplicht door verweerder kan evenmin tot een matiging van de vergrijpboetes leiden. Van een schending van die plicht is de rechtbank overigens niet gebleken.

Redelijke termijn

66.

Met betrekking tot de vraag of aanleiding bestaat om de vergrijpboetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn te matigen, overweegt de rechtbank het volgende. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006). Voor de onderhavige zaken betekent dit naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

67.

De verhogingen en vergrijpboete voor de jaren 1997 en 2002 (IB/PVV) en 1998 (VB) zijn voor het eerst bij brief van 8 juli 2009 aangekondigd, terwijl de verhogingen en vergrijpboetes voor de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2006 (IB/PVV en/of VB) voor het eerst bij brief van 23 november 2009 zijn aangekondigd. De vergrijpboete voor het jaar 2008 (IB/PVV) is voor het eerst bij brief van 23 augustus 2010 aangekondigd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat voor de eerste kennisgeving van de vergrijpboetes van de datum van verzending van de eerste vragenbrief betreffende zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen moet worden uitgegaan. Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat voor alle verhogingen en vergrijpboetes moet worden uitgegaan van de eerste aankondiging van 8 juli 2009. Pas bij de voornoemde brieven is door verweerder jegens eiser een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem (ook) voor de bewuste jaren een verhoging dan wel een vergrijpboete zou worden opgelegd.

68.

Het vorenstaande brengt mee dat op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet met betrekking tot de voor de jaren 1997 en 2002 (IB/PVV) en 1998 (VB) opgelegde verhogingen en vergrijpboete bijna één jaar en vijf maanden, met betrekking tot de voor de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2006 (IB/PVV en/of VB) opgelegde vergrijpboetes iets meer dan één jaar en met betrekking tot de voor het jaar 2008 opgelegde vergrijpboete iets meer dan drie maanden zijn verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn. Op grond van voormeld arrest levert dit voor alle jaren in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn op. De rechtbank overweegt hierbij echter tevens het volgende.

69.

Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 1997 en 2002 (IB/PVV) en 1998 (VB) en de daarbij opgelegde verhogingen en vergrijpboete op 14 oktober 2009 een pro-forma bezwaarschrift ingediend. Tegen de navorderingsaanslagen voor de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2006 (IB/PVV en/of VB) en de daarbij opgelegde verhogingen en vergrijpboetes heeft eiser op 16 februari 2010 een pro-forma bezwaarschrift ingediend. Op 16 december 2010 heeft eiser deze bezwaarschriften gemotiveerd. Tussen de indiening van de pro-forma bezwaarschriften en de motivering daarvan is een aanzienlijke termijn gelegen, namelijk één jaar en twee maanden respectievelijk tien maanden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze vertraging voor rekening van eiser heeft te komen. Zolang de gronden van de bezwaren niet waren aangevoerd, heeft verweerder immers ook niet aan kunnen vangen met de inhoudelijke behandeling van de bezwaren tegen de verhogingen en de boetes. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het extra tijdsverloop van vier maanden (te weten het tijdsverloop tussen de oorspronkelijk geplande zittingsdatum van 15 mei 2012 en de uiteindelijke zittingsdatum van 18 september 2012) dat het gevolg is van het wrakingsverzoek door eiser aan hem dient te worden toegerekend. In casu betekent dit, gelet op de onder 68 geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn, dat op het moment dat de rechtbank uitspraak doet voor geen van de jaren sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet mitsdien geen aanleiding tot vermindering van de verhogingen en vergrijpboetes op die grond over te gaan.

Heffingsrente

70.

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat hij de in rekening gebrachte heffingsrenten conform de wettelijke bepalingen en niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder op grond van het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel voor de onderhavige (navorderings)aanslag(en) over een kortere periode heffingsrente moet berekenen dan hij heeft gedaan. De jurisprudentie waarnaar eiser verwijst (HR 28 maart 2001, nr. 35968, LJN: AB0764 en HR 25 september 2009, nr. 07/13362, LJN: BJ8524), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze jurisprudentie ziet op gevallen waarbij aangifte wordt gedaan en waarbij de aanslag conform de aangifte kan worden opgelegd, middels een voorlopige aanslag dan wel een reguliere (primitieve) aanslag, en juist niet op gevallen als de onderhavige waarbij correcties op de aangifte(n) aan de orde zijn.

71.

Het onder 70 overwogene brengt met zich dat de beroepen ongegrond zijn voor zover zij zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente.

Immateriële schadevergoeding

72.

Eiser maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die hij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Naar het oordeel van de rechtbank staat geen rechtsregel er aan in de weg dat een dergelijk verzoek eerst ter zitting wordt gedaan. Het andersluidende standpunt van verweerder, verwerpt de rechtbank dan ook. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, door het late verzoek niet in zijn procesbelangen is geschaad. Verweerder is ter zitting in de gelegenheid gesteld om op het verzoek te reageren.

73.

Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arresten van 10 juni 2011 heeft beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

74.

In het hiervoor vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

75.

Het bezwaarschrift voor de jaren 1997 en 2002 (IB/PVV) en 1998 (VB) is bij verweerder binnengekomen op 15 oktober 2009, dat voor de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2006 (IB/PVV en/of VB) op 16 februari 2010 en dat voor het jaar 2008 (IB/PVV) op 14 januari 2011. De bezwaarschriften voor de jaren 1997 tot en met 2006 zijn door de gemachtigde van eiser gemotiveerd op 16 december 2010. Verweerder heeft met dagtekening 17 februari 2011 voor de jaren 1997 tot en met 2005, met dagtekening 18 februari 2011 voor het jaar 2006 en met dagtekening 27 april 2011 voor het jaar 2008 uitspraak op bezwaar gedaan. Het (pro-forma) beroepschrift betreffende de jaren 1997 tot en met 2006 is op 25 maart 2011 bij de rechtbank ingekomen, dat betreffende het jaar 2008 op 1 juni 2011. In deze uitspraak, gedagtekend 29 november 2012, wordt voor alle onderhavige jaren uitspraak gedaan door de rechtbank.

76.

De rechtbank zal gelet op de overwegend gezamenlijke behandeling in bezwaar en beroep, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift. Tussen de indiening van het pro-forma bezwaarschrift en de motivering daarvan zit een periode van één jaar en twee maanden. Deze termijn komt, naar het oordeel van de rechtbank, voor rekening van eiser. Dit brengt mee dat voor de aanvang van de redelijke termijn in dit geval moet worden uitgegaan van de datum waarop het eerste bezwaar is gemotiveerd, te weten 16 december 2010.

77.

Vanaf de motivering van de bezwaarschriften op 16 december 2010 tot de uitspraak van de rechtbank op 29 november 2012 is nog geen twee jaar verstreken. Derhalve is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

78.

Nu de beroepen ten aanzien van de boetebeschikkingen over de jaren 2003 tot en met 2006 gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat tussen de onderhavige zaken sprake is van samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.638 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang). Voor een hogere vergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. ). Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld of aannemelijk gemaakt op grond waarvan een hogere proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.

79.

Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hieronder vermeld.”

Beoordeling van het hoger beroep

De op de zaak betrekking hebbende stukken

7.1.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 25 tot en met 32 omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken en maakt dat oordeel en de overwegingen tot het zijne.

7.1.2. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de namen, telefoon- en faxnummers en de adressen van belastingambtenaren een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de Inspecteur om de onderhavige aanslagen op te leggen, noch bij de onderbouwing van die aanslagen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer) heeft in de tussenuitspraak van 15 juni 2010, nummers AWB 08/8451, 08/8453, 08/8454, 09/6650, 09/6651, 09/6653 t/m 09/6657, 09/6660 t/m 09/6665 IB/PVV ECLI:NL:RBSGR: 2010:BM8231 inzake de op de VLB-zaken betrekking hebbende stukken en het beroep van de Inspecteur op artikel 8:29 van de Awb beslist dat het belang van de privacy van deze gegevens van groter belang is dan het belang van een belanghebbende bij de kennisneming van deze gegevens. De rechtbank heeft deze beslissing in de uitspraak van 29 november 2012 terecht gevolgd.

7.1.3. De geheimhoudingskamer heeft in de eerder genoemde uitspraak geoordeeld dat bijlage E bij de brief van de Inspecteur van 24 augustus 2009 - bevattende de gegevens van meewerkers in eerdere rekeningprojecten en het onderhavige rekeningproject - een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat geanonimiseerd van naam, sofinummer en rekeningnummer aan belanghebbende dient te worden verstrekt. De Inspecteur heeft gesteld dat in plaats van dit stuk, door partijen omschreven als memo, in bijlage bij de onderhavige verweerschriften alle gegevens uit het memo zijn opgenomen behalve de hiervoor genoemde te anonimiseren gegevens. Het Hof acht de afweging die de rechtbank heeft gemaakt, gelet op het privacy-aspect van bekendmaking van namen, sofinummers en rekeningnummers en het belang van belanghebbende, redelijk. De rechtbank heeft derhalve terecht afgezien van het verbinden van gevolgen aan het niet overleggen van het memo.

7.1.4. Omtrent de bijlagen B1, B2 en B6 bij de Nota: de rekeningstandenlijsten.

De Inspecteur heeft als bijlage bij het verweerschrift voor de rechtbank in geanonimiseerde vorm de rekeningstandenlijsten verstrekt, alsmede de pagina van het renseignement waarop de naam van belanghebbende is vermeld. Ter zake van de namen van de rekeninghouders en de rekeningnummers die in de overgelegde bijlagen zijn geanonimiseerd, doet de Inspecteur een beroep op artikel 8:29 Awb. Als gewichtige redenen voor de geheimhouding heeft de Inspecteur genoemd de bescherming van persoonsgegevens van derden en controlestrategische overwegingen.

De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de privacy van de betreffende rekeninghouders en controlestrategische overwegingen zich verzetten tegen openbaarmaking van de namen van de rekeninghouders en van de rekeningnummers. Zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd, zouden potentiële belastingplichtigen die nog niet zijn geïdentificeerd aan de hand van deze gegevens kunnen nagaan of zij voorkomen op de lijsten en aan de hand daarvan kunnen afwegen of zij moeten of willen inkeren. Het door belanghebbende gestelde belang bij kennisneming van de ongeanonimiseerde gegevens weegt naar het oordeel van de rechtbank hier niet tegen op. Wat betreft de namen van de rekeninghouders en rekeningnummers doet de Inspecteur terecht een beroep op artikel 8:29 van de Awb.

Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij kort inzage wenst in deze gegevens om de authenticiteit en betrouwbaarheid te kunnen beoordelen. De gegevens zijn in geanonimiseerde vorm verstrekt en belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de authenticiteit en/of betrouwbaarheid. Het Hof volgt de door de geheimhoudingskamer gemaakte afweging.

7.1.5. Met betrekking tot de door belanghebbende overigens vermelde stukken oordeelt het Hof als volgt.

Agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam zijn zonder nadere aanduiding te algemeen van aard omschreven om te kunnen worden aangemerkt als een of meerdere stukken die op de zaak van belanghebbende betrekking hebben.

Ten aanzien van agendapunten en verslagen van kick-off bijeenkomsten is het Hof van oordeel dat deze in een te ver verwijderd verband staan met de beslissing om aanslagen op te leggen om relevant te kunnen zijn voor de zaak van belanghebbende.

De Inspecteur heeft verklaard dat geen stukken aanwezig zijn betreffende de vermeende afpersing van de bankinstelling. De gedingstukken wijzen niet in de richting van de aanwezigheid van dergelijke stukken.

Het memo van 24 november 2006 inzake de identificatie met gegevens van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven, is door de geheimhoudingskamer onder de geheimhouding geplaatst. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft daarvoor redengevend geoordeeld dat de Belastingdienst een gerechtvaardigd belang heeft bij een effectieve controle en controlestrategie. Het algemene publieke belang van een adequaat functionerende Belastingdienst heeft de rechtbank van groter gewicht geacht dan het individuele belang van belanghebbende bij het verkrijgen van de in het memo opgenomen aanvullende informatie. Het Hof is van oordeel dat dit terecht is gebeurd. De identificatie van belanghebbende is uitvoerig omschreven in het verweerschrift en in de bijlagen bij het verweerschrift voor de rechtbank. Niet blijkt dat identificatie afhankelijk was van de identificatie van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven.

De Inspecteur heeft gesteld dat geen verslag is gemaakt van een extra identificatiecheck en/of chikwadraattoets op de renseignementen naar aanleiding van een verzoek van de projectleider van 20 december 2006; die is uitgevoerd op de eenheden zelf. Op de betreffende belastingeenheden is nog eens de juistheid van de gegevens van de belanghebbenden met nummer, sofinummer, rekeningnummer en adres nagegaan. Het Hof ziet geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

7.1.6. De Inspecteur heeft in beroep in een andere BZN-zaak die gelijktijdig is behandeld waarin de gemachtigde van belanghebbende optreedt, AWB 11/2692 en AWB 11/2693, alsnog de e-mailberichten van 20 november 2006 en 5 december 2006 overgelegd. Partijen hebben ter zitting voor de rechtbank verklaard dat ervan uit moet worden gegaan dat de stukken die in één van die zaken zijn ingediend in de overige zaken die op 18 september 2012 ter zitting behandeld, derhalve ook de zaken van belanghebbende, worden geacht te zijn ingediend. Deze stukken behoren dan ook tot de gedingstukken van de onderhavige zaken. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep tegen deze gang van zaken geen bezwaar gemaakt.

7.1.7. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat kopieën van originele aangiftebiljetten hadden moeten worden overgelegd. De aangiftegegevens zijn vermeld op de overgelegde schermuitdraaien onder de noemer aangeleverde gegevens. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende zelf niet op eenvoudige wijze een kopie van de destijds ingeleverde biljetten kon overleggen.

(Verlengde) navorderingstermijn

7.2.1. Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van der Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43.050bis en 43.670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd, die in verband met de eerbiediging van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde evenredigheidsbeginsel ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die artikel 16, vierde lid, van de Awr inhoudt, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

7.2.2. Voor zover het standpunt van belanghebbende erop neerkomt dat uit de in 7.2.1 genoemde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar voor navordering niet geldt voor de tijd die nodig is voor het verkrijgen van inlichtingen bij de belastingplichtige zelf of derden binnen Nederland is het Hof van oordeel dat voor dit standpunt geen steun is te vinden in evenvermelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie noch in de arresten van de Hoge Raad die daarna zijn gewezen.

7.2.3. Voor elke navorderingsaanslag die is opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de VLB-rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslag heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

7.2.4. Het onderzoek dient zich in het onderhavige geval te richten op de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1997 tot en met 2003 en de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1998 en 2000 die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn.

7.2.5. De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2004, 2005 en 2006 zijn opgelegd op 23 januari 2010. Voor het belastingjaar 2004 is uitstel verleend voor het indienen van de aangifte. Voor genoemde jaren is door de Inspecteur derhalve geen gebruik gemaakt van verlenging van de termijn voor navordering van vijf jaar tot twaalf jaar.

Voor zover belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en deze aanslagen, naar belanghebbende stelt, om die reden niet in stand kunnen blijven, verwerpt het Hof die stelling, reeds omdat de in 7.2.1 genoemde arresten niet inhouden dat het beginsel van evenredigheid ook geldt in het geval de verlengde navorderingstermijn neergelegd in artikel 16, vierde lid, van de Awr geen toepassing vindt. Het Hof zal derhalve de hiervoor in 7.2.1 geformuleerde toets van voortvarendheid bij de hier vermelde navorderingsaanslagen niet aanleggen. Hetzelfde geldt voor de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2008.

7.2.6. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie en het overige fiscale onderzoek, dient aanvaardbaar te zijn. Daarbij neemt het Hof in aanmerking de massaliteit van het aantal gegevens, de grote hoeveelheid van de vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid om tot een eenduidige identificatie te komen.

7.2.7. Tussen het moment dat in februari 2005 de informatie via de Belgische belastingautoriteit bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief, is ongeveer drie en een half jaar verstreken. De Inspecteur heeft verklaard dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden.

7.2.8. De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in februari 2005 gestart met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie. Gelet op de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is ervoor gekozen de gegevens op een projectmatige wijze te verwerken. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden hebben onafgebroken plaatsgevonden. De projectwerkzaamheden hebben niet allemaal tegelijk plaatsgevonden, doch steeds hebben volgtijdelijk ten minste één van onderstaande typen projectwerkzaamheden plaatsgevonden. Ruwweg kunnen de projectmatige werkzaamheden in drie verschillende periodes worden onderscheiden.

7.2.9. De eerste fase was de onderzoeksfase. Gedurende deze fase is onderzocht en beoordeeld of de ontvangen gegevens bruikbaar waren voor fiscale behandeling. Deze fase heeft geduurd vanaf het moment dat de gegevens zijn ontvangen tot ruwweg maart 2006. De werkzaamheden binnen deze periode hebben bij de FIOD/ECD en Belastingdienst Centrum voor Product en Procesontwikkeling (B/CPP) plaatsgevonden.

In deze periode hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:

(1) opstarten van behandeling: de interne Organisatie informeren over het verkrijgen van de gegevens en capaciteit vrijmaken om met de gegevens aan de slag te gaan;

(2) analyseren en veredelen van de ontvangen gegevens: het digitaliseren, rubriceren en ordenen van de gegevens. Hiervoor zijn geautomatiseerd verschillende bestanden gemaakt, gekoppeld en met elkaar vergeleken;

(3) identificeren van rekeninghouders; het ontwerpen van geautomatiseerde zoekvragen ter identificatie; het via interne en externe systemen koppelen van de ontvangen gegevens aan inwoners van Nederland. Enerzijds hebben geautomatiseerde zoekslagen plaatsgevonden die grotendeels zijn uitgevoerd door een EDP-auditor van B/CPP (zie het Proces-verbaal Geautomatiseerde identificatie van 13 maart 2008). Anderzijds zijn diverse handmatige zoekslagen gemaakt. Door deze onderzoeken zijn bijvoorbeeld eigenaren van postbussen achterhaald, telefoonnummers gekoppeld aan belastingplichtigen en codenamen gekraakt. Bij twijfel werden steeds weer nieuwe zoekslagen gemaakt, zodat de juist geïdentificeerde personen aangeschreven konden worden; en

(4) sofiëren van de gegevens. Het zodanig bewerken van de ontvangen gegevens tot voor de behandeling van individuele belastingplichtigen noodzakelijke informatie.

De activiteiten onder 2, 3, en 4 hebben het grootste gedeelte van de voorperiode doorlopend plaatsgevonden.

7.2.10. De tweede fase was de besluit- en inrichtingsfase. Gedurende deze fase heeft:

(1) in het voorjaar 2006 overleg plaatsgevonden tussen de Kennisgroep Landelijke Acties, het ministerie van Financiën en de FIOD-ECD. Besloten is tot een landelijk gecoördineerde aanpak in een project. Voorts hebben besprekingen over risico’s, rechtsvragen, mogelijk- en onmogelijkheden in het project bij de Belastingdienst plaatsgevonden. Daarnaast is een projectleider aangezocht die op 24 augustus 2006 van start is gegaan; en

(2) continue afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën (afstemmen en informeren over ontwikkelingen en voortgang).

7.2.11. De derde fase was de projectfase. In het algemeen kunnen de werkzaamheden in deze periode als volgt worden samengevat:

(1) samenstellen van een landelijk projectteam;

(2) opzetten van een projectorganisatie: plannen maken en uitwerken, het landelijke en regionale management van de Belastingdienst informeren, formeren van een groep collegae die het landelijke project regionaal uitzet en bewaakt (= de regiotrekkers), capaciteit vrij doen maken in de regio’s voor het behandelen van de renseignementen, regelen van administratieve ondersteuning op landelijk en regionaal niveau;

(3) opzetten van een projectapplicatie: bouwen van een computerprogramma specifiek toegesneden voor de fiscale behandeling met betrekking tot de ontvangen gegevens. Deze applicatie verschaft behandelaren en projectleiding steeds op individueel niveau inzage in de behandeling;

(4) afstemmen en schrijven van een draaiboek: raadplegen deskundigen heffing, inning en opsporing. Afstemmen met deskundiger successierecht en het Openbaar Ministerie;

(5) informeren, organiseren en houden van startbijeenkomsten voor de regiotrekkers;

(6) het schrijven van standaardbrieven die bij de aanvang van het project verstuurd moeten worden;

(7) verifiëren van de ontvangen gegevens: op verschillende manieren beoordelen of de ontvangen gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn (vergelijken met gegevens die reeds in eerdere projecten verstrekt waren en chi-kwadraattoets);

(8) selecteren van posten in verband met mogelijk strafrechtelijk onderzoek; (9) voorbereiding starten van civiele kortgedingprocedures, en overleg met de Landsadvocaat.

Het analyseren en veredelen van de gegevens en het identificeren van rekeninghouders heeft hierbij de meeste tijd gevergd. Deze activiteiten hebben gedurende de periode april 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden en zijn naderhand vervolgd. In maart 2007 is besloten de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde belastingplichtigen vrij te geven voor behandeling op de diverse kantoren van de Belastingdienst.

De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. De Inspecteur is in de tweede helft van 2008 op de hoogte gekomen van het feit dat belanghebbende naar voren is gekomen als rekeninghouder van de VLB na handmatige identificatie. Mede gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd niet onredelijk lang. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokkenen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. Niet is aannemelijk geworden dat de werkzaamheden dusdanig zijn georganiseerd en ingericht dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

7.2.12. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de overwegingen van de rechtbank in 46 tot en met 49 van de uitspraak omtrent het in achtnemen van de vereiste voortvarendheid vanaf het aanschrijven van belanghebbende op 18 november 2008 tot en met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2006 op 23 januari 2010 en neemt deze over.

De verscheidene contactmomenten tussen de voormalige gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur zijn uitgebreid beschreven door de rechtbank onder de feiten 4 tot en met 17. Het Hof heeft hierbij ook gelet op de omstandigheid dat door de toenmalige gemachtigde werd meegedeeld dat in Luxemburg zou worden gezocht naar nadere informatie en dat voor het opleggen van de eerste set navorderingsaanslagen een handmatig proces moest worden uitgevoerd.

Het Hof verwerpt de stelling van de gemachtigde dat geen sprake zou zijn van contactmomenten van de gemachtigde van belanghebbende omdat de toenmalige gemachtigde slechts opgetreden zou hebben als gemachtigde van de voormalige echtgenote. Voor de juistheid van die stelling is in de gedingstukken geen feitelijke grondslag te vinden gelet op de verklaring van [I] van 26 januari 2009 dat hij optreedt namens belanghebbende.

Reeds twee maanden na het opleggen van de eerste set navorderingsaanslagen en een maand na het indienen van bezwaar op de eerste set, is de tweede set navorderingaanslagen aangekondigd. De oplegging daarvan is geschied in januari 2010. De keuze om niet alle navorderingsaanslagen in één keer op te leggen acht het Hof, in het kader van het bieden van een ruime mogelijkheid aan de belanghebbenden om openheid van zaken te geven, in het kader van het in acht nemen van de vereiste zorgvuldigheid met name met betrekking tot de hoogte van de aan te brengen correctie, aanvaardbaar. Het Hof acht niet aannemelijk dat een periode van stilzitten van zes maanden als bedoeld in de door de Hoge Raad in zijn arresten van 27 september 2013, nr. 12.00738, ECLI:NL:HR:2013:717 en 22 november 2013, nr. 12/03376, ECLI:NL:HR:2013:1215 heeft plaatsgevonden. Het Hof komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat de navorderingaanslagen voortvarend zijn opgelegd.

7.2.13. Het Hof verwerpt het door de gemachtigde ter zitting ingenomen nadere standpunt. De Inspecteur heeft gemotiveerd weersproken dat hij bij een zitting van de rechtbank Zeeland-West Brabant dan wel elders het standpunt heeft ingenomen dat in het algemeen de navorderingsaanslagen die in het jaar 2009 zijn opgelegd wegens gebrek aan voortvarendheid handelen moeten worden vernietigd. Het Hof leidt het innemen van dat standpunt door de Inspecteur ook niet af uit de gedingstukken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake is van met belanghebbende vergelijkbare gevallen. De Inspecteur heeft de volgende gang van zaken gesteld en het Hof komt die geloofwaardig voor. Belanghebbende heeft die ook niet voldoende weersproken. Het gaat om een aantal specifieke navorderingsaanslagen die in het jaar 2009 zijn opgelegd terwijl in het jaar 2007 het heffingsonderzoek is opgestart bij de regio-inspecteurs en het de bedoeling was dat in de tweede helft van 2008 nadat de belastingplichtigen in de bezwaarfase met betrekking tot de eerste set navorderingsaanslagen kenbaar hadden kunnen maken of zij een rekening hadden en opening van zaken konden geven, de andere set navorderingsaanslagen zou worden opgelegd. Aan de eerste helft van die groep zijn de navorderingsaanslagen in de tweede helft van 2008 opgelegd. Aan de andere helft van die groep zijn door omstandigheden pas in 2009 navorderingsaanslagen opgelegd. Daarbij is in een aantal gevallen een termijn van meer dan zes maanden verstreken waarin sprake was van stilzitten aan de kant van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het geheel niet tot een van deze groepen behoort omdat hij in het jaar 2008 is geïdentificeerd.

Voorts verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde hercheck. Deze heeft bij belanghebbende in feite niet plaatsgevonden omdat hij in 2008 is geïdentificeerd. Het gaat erom dat belanghebbende eerst in het kader van de hercheck naar voren is gekomen als rekeninghouder. Er zijn geen zodanige omstandigheden gesteld dan wel aannemelijk geworden op grond waarvan op een eerder moment voldoende zeker was dat belanghebbende rekeninghouder was.

Identificatie

7.3.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in overweging 41 van haar uitspraak ten aanzien van de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder van VLB met rekening [nummer 2] en in samenhang met het feit dat belanghebbende tot medio april 1996 gehuwd is geweest met [Y] hij tevens rekeninghouder was van rekening met nummer [nummer 1] welke rekening op naam van belanghebbende is verder gegaan onder nummer [nummer 3] maakt dat oordeel tot de zijne. Het BVR-systeem wordt gevoed met de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie. Ook degenen die in Nederland hebben gewoond en naar het buitenland zijn geëmigreerd, komen daar in voor. Indien er nog een echtpaar zou bestaan met dezelfde achternamen maar dat geëmigreerd zou zijn naar het buitenland dan zou dit echtpaar in het BVR naar voren zijn gekomen en zou geen sprake zijn geweest van een unieke identificatie. Belanghebbende zou dan niet zijn aangeschreven als rekeninghouder. Het Hof verwerpt daarom de stelling van belanghebbende dat het mogelijk is dat een in het buitenland woonachtig persoon met dezelfde naam als belanghebbende de rekening hield. Bovendien zou er dan tevens een echtpaar moeten bestaan met dezelfde achternamen. Die kans is verwaarloosbaar klein. Uit het proces-verbaal van ambtshandeling blijkt dat de identificatie zorgvuldig tot stand is gekomen. De identificatie is tot stand gekomen aan de hand van een renseignement dat behoorde tot de uitgewisselde inlichtingen tussen België en Nederland. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden uit het dossier naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat dit bestand door toedoen van de Belgische overheid is verkregen door middel van onrechtmatig gebruik van bevoegdheden. De omstandigheid dat de gegevens van de privépersoon die ze in handen heeft gekregen en die de overheid bij een huiszoeking heeft verkregen, afkomstig zijn uit diefstal of een ander strafbaar feit als bijvoorbeeld afpersing door die persoon gepleegd, levert geen onrechtmatig handelen door de Inspecteur op.

Er is geen enkele aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de gegevens van Van Lanschot en ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43.050, LJN BA8179).

7.3.2. Voor zover belanghebbende met een beroep op de Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (hierna: Bijstandsrichtlijn) heeft bedoeld te stellen dat de Nederlandse en Belgische overheid de informatie van Van Lanschot heeft verkregen met schending van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg, faalt die stelling eveneens. De Bijstandsrichtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten, en belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan geen rechten ontlenen. In de onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137).

7.3.3. Gelet op deze unieke identificatie is vastgesteld dat slechts belanghebbende als rekeninghouder van de rekening met nummer [nummer 2] in aanmerking komt en samen met zijn echtgenote tot de scheiding in 1996 van rekening [nummer 1]. Tussen partijen is niet in geschil dat in de loop van 1996 de naam en het rekeningnummer van de rekening [nummer 1] zijn gewijzigd in nr. [nummer 3] ten name van [X]. Deze rekeningen bestonden in ieder geval uit een rekening-courant en een beleggingsrekening met bonds en investment funds.

7.3.4. Belanghebbende heeft geen reden aangevoerd waarom hij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Belastingdienst om informatie te verstrekken.

7.3.5. Van consumptieve bestedingen van het aanzienlijke saldo van de rekening in 1996 blijkt niets, en ook niet in de jaren nadien. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere stukken. De Inspecteur heeft gesteld en met de door hem overgelegde aangiftegegevens aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in zijn aangiften geen renten of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur zijn stelling slechts kan bewijzen door de aangiftebiljetten in het geding te brengen, is niet juist. Ook de door de Inspecteur in het onderhavige geding overgelegde gegevens kunnen daartoe dienen en geven naar het oordeel van het Hof voldoende onderbouwing voor de juistheid van zijn stelling. Voorts is het van algemene bekendheid dat de biljetten over de jaren steeds een vraag hadden of er buitenlandse rekeningen waren en/of vermogensbestanddelen. Het lag vervolgens op de weg van belanghebbende om hierover informatie te verstrekken. Het Hof komt tot het oordeel dat aannemelijk is dat het tegoed bij Van Lanschot ook na 1996 in stand is gebleven, hetzij bij Van Lanschot, hetzij op een andere (buitenlandse) bankrekening, en dat dit niet tot het aangegeven rendement voor de inkomstenbelasting is gaan behoren. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen vormen om hierover anders te oordelen.

Bewijslastverdeling

7.4.1. De Inspecteur heeft belanghebbende gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over de door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat hij verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.4.2. Vaststaat dat in het kader van de vaststelling van de aanslagen geen door de Inspecteur verlangde gegevens of inlichtingen over enige op naam van belanghebbende staande in het buitenland aangehouden bankrekeningen zijn verstrekt, terwijl belanghebbende reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd en de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat de bewijslast reeds is omgekeerd omdat in de renseignementen dusdanig hoge tegoeden zijn opgenomen dat het bedrag aan inkomstenbelasting en vermogensbelasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat belanghebbende dat wist en zich daarvan bewust moet zijn geweest met het gevolg dat aldus niet de vereisten aangiften zijn gedaan. Voorts heeft belanghebbende, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3.1 tot en met 7.3.5 is overwogen, niet voldaan aan zijn verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr. Hieruit volgt dat het Hof de beroepen met betrekking tot de geheven belasting over de onderhavige jaren op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, van de Awr ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn. Daarenboven heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan over die jaren hetgeen een zelfstandige grond vormt voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.4.3. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, doch zich beperkt tot zijn ontkenning dat hij in de onderhavige jaren tegoeden heeft gehad die hij niet in zijn aangiften heeft betrokken.

Redelijke schatting

7.5.1. Belanghebbende is - naar het Hof bewezen acht - vanaf 1996 houder van een rekening bij Van Lanschot en ook in latere jaren houder van een rekening in het buitenland. Hiervoor is in overweging 7.4.1 tot en met 7.4.3 uiteengezet dat belanghebbende geen opening van zaken heeft gegeven over zijn rekening in Luxemburg. Dit betekent dat de Inspecteur ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting is aangewezen op een schatting.

7.5.2. Bij het maken van die schatting mag de Inspecteur een aanslag niet naar willekeur vaststellen. De aanslag moet berusten op een redelijke schatting van de te weinig betaalde belasting. Wat betreft de gemaakte schatting volgt het Hof het oordeel van de rechtbank in overwegingen 56 tot en met 58 en maakt deze tot de zijne.

7.5.3. De Inspecteur heeft de hoogte van de correctie voor elk jaar gebaseerd op een vermogenstoename van 23,5 percent. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

7.5.4. Aangenomen moet worden dat de in 7.5.3 genoemde maatstaf in het onderhavige rekeningproject eveneens geldt en dat, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in voormeld arrest, ook geldt dat het model nog aan de hiervoor aangelegde maatstaf voldoet wanneer gegeven het feit dat de Inspecteur door de houding van de rekeninghouder over slechts minimale gegevens beschikt - op redelijke wijze wordt vermeden dat inkomsten uit banksaldi ten onrechte niet in de heffing worden betrokken. Dit brengt, naar de Hoge Raad heeft geoordeeld, onder meer mee dat het model gegevens van de vergelijkingsgroep (waartoe meewerkers behoren) als maatstaf mag nemen zonder uit te gaan van de gemiddelden binnen die groep, en dusdoende, mits onderbouwd, rekening mag houden met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een buitenlands tegoed aanhield, als ook met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een banktegoed aanhield dat hoger is dan het – uit bekende gegevens afgeleid – gemiddelde van de vergelijkingsgroep.

7.5.5. In het onderhavige geval is weliswaar sprake van enige ruwheid, maar steeds is rekening gehouden met bekende saldi en is voor de jaren na 1996 verder gerekend met het eindsaldo uit 1996 van belanghebbende zelf met een vermogenstoename van 23,5 percent per jaar. Dit percentage vloeit voort uit de gemiddelde vermogenstoename inclusief stortingen, afboekingen, rente, dividend en beleggingsresultaat van 325 rekeninghouders die een of meerdere rekeningen hadden bij Van Lanschot op de data in 1996 waarop belanghebbende ook een rekening aanhield. Hierbij heeft de Inspecteur het percentage gerekend over het gehele jaar en niet over een gedeelte groter dan een jaar zoals belanghebbende stelt. De stelling dat de vermogenstoename exclusief stortingen is genomen, is niet in overeenstemming met de feiten aangezien is uitgegaan van saldi en niet van afzonderlijke mutaties op de rekeningen. De gevolgde methode is, vergeleken met het door de Hoge Raad getoetste model, dus toelaatbaar.

7.5.6. Voor het percentage van zes ter berekening van het fictieve rendement tot het jaar 2001, is de Inspecteur uitgegaan van het fictieve rendement dat van toepassing is op het in buitenlandse beleggingsinstellingen aangehouden vermogen (artikel 29a Wet op de inkomstenbelasting 1964). Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de wettelijke rente over de jaren 1995 tot en met 2000 gemiddeld ten minste ook dit percentage bedroeg, terwijl overige rente-indicaties hiervan niet sterk afweken, alsmede met de omstandigheid dat obligaties in het algemeen langere tijd worden aangehouden tegen het oorspronkelijke (hogere) percentage en dat over feitelijke dividendinkomsten geen eenduidige uitspraken kunnen worden gedaan. Het Hof acht dit een redelijk uitgangspunt. De stelling van belanghebbende dat het rentepercentage op 5 zou moeten worden gesteld, omdat het gemiddelde rendement op vermogen dat voor 90 percent bestaat uit spaartegoeden en obligaties voor de jaren 1997 tot en met 2000 onderscheidenlijk 5,33, 4,75, 4,19 en 4,92 percent bedraagt, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft noch voor de stelling dat haar vermogen voor 90 percent uit spaartegoeden en obligaties bestaat, noch voor de gestelde rentepercentages enig bewijs bijgebracht, zodat die stellingen niet aannemelijk zijn geworden.

7.5.7. Belanghebbende heeft tegenover het in 7.5.1 tot en met 7.5.6 overwogene niet doen blijken dat de correcties van de Inspecteur te hoog zijn vastgesteld.

Belanghebbende ziet eraan voorbij dat de omkering van de bewijslast de aanslagen in hun geheel betreft en zij de onjuistheid van de schatting moet doen blijken. De Inspecteur heeft gesteld dat het fysiek onmogelijk is om de gegevens van de meewerkers en ontkenners te verzamelen omdat deze in dossiers over het gehele land verspreid zijn en niet duidelijk is of de vermogensgroei van meewerkers gelijk is aan die van ontkenners. De weigeraars kunnen ook geweigerd hebben informatie te verstrekken omdat zij meer rekeningen in het buitenland bezitten. Het Hof houdt deze redengeving voor juist. Het is aan belanghebbende om te doen blijken dat de schatting van de Inspecteur onjuist is. Zijn stelling dat de schatting geactualiseerd dient te worden aan de hand van nieuwe gegevens die in de loop van de procedures bij de diverse belastingplichtigen bekend zijn geworden, is tegenover de redengeving van de Inspecteur te algemeen van aard. Belanghebbende had gegevens over het concrete verloop van de rekening kunnen overleggen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

7.5.8. Het is eveneens aan belanghebbende gegevens te verstrekken op grond waarvan aangenomen kan worden dat op een door haar in het buitenland aangehouden spaarproduct bronheffing is ingehouden. Belanghebbende heeft zulke gegevens niet verstrekt.

Verhogingen en boetes

7.6.1. Op de Inspecteur rust de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren voor de belastingheffing relevante tegoeden en rentebaten opzettelijk niet heeft verantwoord als gevolg waarvan bij de aanslagregeling te weinig belasting is geheven.

7.6.2. Het Hof heeft hiervoor in de overwegingen 7.3.1 tot en met 7.3.5 geoordeeld dat de Inspecteur is geslaagd in het bewijs dat belanghebbende in de onderwerpelijke jaren houder van een rekening-courant en een beleggingsrekening is geweest. Het saldo betrof in 1996 een aanzienlijk bedrag. Van consumptieve bestedingen van het saldo van de rekening(en) in de loop van 1996 naar begin 1997 blijkt niets. Ook niet in de jaren na 1996. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere gedingstukken. Een tegoed van een dergelijke omvang komt niet zomaar tot stand en pleegt niet uit het vermogen te verdwijnen. Belanghebbende heeft in geen van de door de Inspecteur overgelegde aangifte-uitdraaien rente of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen vermeld. Voorts is de rentevrijstelling voor de betreffende jaren reeds volledig benut met de rente die in de aangiften is vermeld, dan wel is de resterende ruimte van de rentevrijstelling voor die jaren niet toereikend voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen.

Voorts is het door belanghebbende aangegeven vermogen in de loop van de jaren afgenomen in plaats van toegenomen.

Anders dan belanghebbende stelt is het niet nodig dat de Inspecteur voor de juistheid van deze stelling alleen maar de aangiftebiljetten in het geding kan brengen. De aangeleverde gegevens geven al voldoende aanleiding voor de juistheid van zijn stelling en het is van algemene bekendheid dat de biljetten over de (nagevorderde) jaren waarover thans wordt geheven steeds een vraag hadden of er buitenlandse rekeningen waren en/of er rente was genoten. Het lag vervolgens op de weg van belanghebbende om hierover informatie te verstrekken. Het Hof komt, mede gelet op de omvangrijke bedragen tot het vermoeden dat het tegoed bij de VLB reeds geheel 1996 aanwezig is en na 1996 in stand is gebleven, hetzij bij VLB of op een andere (buitenlandse) bankrekening. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren zodat het Hof uitgaat van de juistheid van het vermoeden.

7.6.3. Belanghebbende heeft in de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting voor de jaren 1997 tot en met 2008 in het geheel geen melding gemaakt van een rekening in het buitenland en geen buitenlandse saldi verantwoord. Door deze aangiften stellig en zonder voorbehoud te doen heeft belanghebbende willens en wetens onjuiste aangiften gedaan omdat op deze wijze geen rente tot de aangegeven inkomsten en geen saldi tot de aangegeven vermogen dan wel bezittingen ter berekening van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen zijn gaan behoren. Belanghebbende kon er daarbij van uitgaan dat de rekening buiten het zicht zou blijven van de Nederlandse Belastingdienst omdat de rekening was geopend in een land met een bankgeheim. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gegevens te verschaffen die leiden tot een ander oordeel.

7.6.4. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende over elk van de (nagevorderde) belastingjaren het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en bezittingen niet in de aangiften te verantwoorden, en dat het niet anders kan zijn dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat van hem bij de primitieve aanslagregeling vervolgens te weinig belasting is geheven.

7.6.5. Voor de hoogte van de voor elk van de jaren gepleegd beboetbaar feit opgelegde boete en ter beantwoording van de vraag of deze boete telkenjare passend en geboden is, neemt het Hof naast het in 7.6.2 overwogene tot uitgangspunt dat, naar de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, belanghebbende de bedoeling heeft gehad gedurende die reeks van jaren tegoeden op een bankrekening aan te houden in een land met een bankgeheim en de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, en dat bij de beboeting de omvang van de verzwegen belasting dient te worden bepaald aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld. Bekend is dat een bank in het algemeen over tegoeden op een rekening jaarlijks rente bijschrijft. Het Hof komt, mede gelet op het omvangrijke bedrag in 1996, tot het oordeel dat het tegoed bij de VLB ook na 1996 in stand is gebleven hetzij bij VLB of op een andere (buitenlandse) bankrekening en dat rente aldaar is ontvangen.

7.6.6. Ingeval van opzet bedraagt de boete 50 percent, tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden, in welk geval de boete tot 100 percent kan worden verhoogd. Als strafverzwarende omstandigheden gelden listigheid, valsheid en samenspanning, alsmede het feit dat het ten onrechte niet geheven bedrag (verhoudingsgewijs) omvangrijk is geweest.

7.6.7. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende er bewust voor gekozen heeft een rekening-courant en een beleggingsrekening aan te houden in een land met een bankgeheim teneinde het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden. Dit rechtvaardigt een boete van 100 percent van de nagevorderde belasting.

7.6.8. Het in 7.6.7 overwogene neemt niet weg dat bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, acht dient te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. Bij de beoordeling van die ernst dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (HR 18 januari 2008, nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008: BC1962, BNB 2008/165).Voor gevallen als de onderhavige verdient daarbij opmerking dat de berekening van de verschuldigde belasting is gebaseerd op de gemiddelde stijging van het vermogen binnen een vergelijkingsgroep. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze grondslag is in aanmerking genomen dat de Inspecteur door toedoen van de rekeninghouder over minimale gegevens beschikt. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de boete kan aan het gebrek aan medewerking van de rekeninghouder echter niet een zodanige betekenis worden toegekend als bij toepassing van de omkering van de bewijslast voor de materiële belasting (vergelijk HR 15 april 2011, nrs. 09/03075 en 09/05192, ECLI:NL:HR:2011: BN6324 en BN6350).

7.6.9. In de onderhavige gevallen is de hoogte van de verschuldigde belasting komen vast te staan met toepassing van die zogenoemde omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de Inspecteur de tegoeden van belanghebbende bij de VLB en de daaruit genoten inkomsten geschat aan de hand van een vermogenstoename van 23,5 percent per jaar. Dit percentage vloeit voort uit de gemiddelde vermogenstoename inclusief stortingen, afboekingen, rente, dividend en beleggingsresultaat van 325 geïdentificeerde rekeninghouders die een of meerdere rekeningen hadden bij VLB op de data in 1994 en 1996 waarop belanghebbende ook een rekening aanhield. Het schatten van de tegoeden en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de door belanghebbende in werkelijkheid aanwezige tegoeden en daaruit genoten inkomsten lager zijn. In dit verband acht het Hof van belang dat de schatting van de hoogte van de correcties is gebaseerd op de gemiddelde stijging van het vermogen binnen een vergelijkingsgroep en daarmee een zekere mate van ruwheid vertoont. Om die redenen acht het Hof in het onderhavige geval een boete van 50 percent van de nagevorderde belasting passend en geboden, behoudens de gevolgen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Overschrijding redelijke termijn bij verhogingen en boetes

7.7.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in 67 van zijn uitspraak omtrent de aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR (vergelijk Hoge Raad, 22-04-2005, 37.984, ECLI:NL:HR:2005: AO9006). De kennisgevingen zijn in het onderhavige geval van 8 juli 2009 en 23 november 2009. Het lag nog in de macht van belanghebbende om na ontvangst van de verzoeken om informatie en vragenbrieven in de periode daarvoor het opleggen van verhogingen en boetes (ten dele) te voorkomen door het geven van openheid van zaken omtrent zijn buitenlandse rekening(en). De handeling waaraan belanghebbende redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat de Inspecteur verhogingen en boetes zal opleggen volgt pas uit de hiervoor vermelde kennisgevingen.

7.7.2. Het Hof neemt ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn bij de eerste set navorderingsaanslagen met bijna een jaar en vijf maanden en de tweede set met iets meer dan een jaar en de voor het jaar 2008 opgelegde boete met iets meer dan drie maanden de door de rechtbank bevonden rechtvaardiging over. Die bestaat daarin dat de motivering van het bezwaar van de eerste set een jaar en twee maanden heeft genomen en de onterechte wraking door belanghebbende bij de rechtbank vier maanden. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden toe te rekenen zijn aan belanghebbende en deze die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. De procedure in hoger beroep - gerekend wordt vanaf de datum waarop het rechtsmiddel is ingesteld op 4 januari 2013 tot de datum van de uitspraak - heeft de termijn van twee jaar niet overschreden. Al met al komt het Hof tot de conclusie dat geen vermindering van verhoging en boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegepast.

Zorgvuldigheidsbeginsel en heffingsrente

7.8.1. De heffingsrente heeft de Inspecteur berekend met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Uit de bewoordingen van deze wet volgt onmiskenbaar dat heffingsrente wordt berekend indien de vaststelling van een navorderingsaanslag na afloop van het belastingtijdvak leidt tot een te betalen bedrag.

Gegevens op grond waarvan de Inspecteur een voorlopige aanslag had kunnen opleggen waren niet voorhanden. Het opleggen van een voorlopige navorderingsaanslag is niet mogelijk. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk VA van de Awr volgt niet dat de Staatssecretaris beleid zal formuleren of heeft geformuleerd voor gevallen als de onderhavige waarin het niet gaat om het opleggen van een voorlopige aanslag maar om een navorderingsaanslag.

7.8.2. Belanghebbende heeft, zie hiervoor onder meer in 7.4.1 in de aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting niet vermeld dat hij inkomsten uit tegoeden in het buitenland heeft genoten en heeft evenmin belaste vermogensbestanddelen in het buitenland aangegeven. Het initiatief daarvoor ligt bij belanghebbende. In de rechtsoverwegingen 7.2.1 tot en met 7.2.12 hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat de navorderingsaanslagen voor de inkomstenbelastingjaren 1996 tot en met 2003 en de vermogensbelastingjaren 1997 tot en met 2000 voldoende voortvarend zijn opgelegd. Alsdan kan niet worden gezegd dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door tot de datum dat hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd heffingsrente te berekenen (vgl. HR 28 maart 2001, nr. 35.968, LJN AB0764, BNB 2001/297). Ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen die binnen de vijfjaarstermijn zijn opgelegd en de aanslag die binnen de driejaarstermijn is opgelegd, kan dat niet worden gezegd.

Slot

7.9. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende voor wat betreft de hoogte van de boetes en verhogingen gegrond is en voor het overige ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, voor de samenhangende zaken BK-13/00058 tot en met BK-13/00070, vast op € 2.191,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 487 x 1,5 (gewicht van de zaak) x 1,5 factor samenhang. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 118 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde verhogingen en de boetes,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen met verhoging en de boetebeschikkingen,

  • -

    vermindert de opgelegde verhogingen en vergrijpboetes tot vijftig percent van de nagevorderde belasting,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.191,50, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 118 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 30 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.