Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1562

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
200.111.276-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.111.276/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 403087/HA ZA 11-2411

Arrest van 22 april 2014

In de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.A.J. Hendriks te ’s-Gravenzande, gemeente Westland,

tegen

1.

de publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,

gevestigd te Utrecht,

2.

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst landelijk gebied),

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerden,

hierna te noemen: BBL en DLG, gezamenlijk: BBL c.s. (in enkelvoud),

advocaat: mr. J.M.L. van Duin te ’s-Gravenhage.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 17 juli 2012, hersteld op 27 juli 2012, is [appellant] in hoger beroep

gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van 14 december 2011 (het

tussenvonnis) en van 18 april 2012 (het eindvonnis). Bij memorie van grieven (MvG) heeft

[appellant] negen grieven tegen het eindvonnis aangevoerd die door BBL c.s. zijn bestreden bij memorie van antwoord (MvA).

Partijen hebben hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 27 februari 2014. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel), die tot de gedingstukken behoren.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Het gaat in dit geding om het volgende. Eind 1998/begin 1999 heeft [betrokkene 1] – een neef van [appellant] – grond met opstallen en woning (hierna: het Perceel) aan BBL verkocht voor f. 850.000,- (= € 385.713,18). [appellant] wenste het Perceel destijds eveneens te verwerven en is daartoe in 2000 bij de rechtbank ‘s-Gravenhage bodemprocedures tegen (onder meer ) BBL en DLG begonnen (hierna gezamenlijk te noemen: Procedure I). Stellende dat BBL en DLG onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld althans jegens hem zijn tekortgeschoten door het perceel van [betrokkene 1] te kopen, heeft [appellant] daarbij gevorderd een verklaring voor recht met deze strekking en schadevergoeding, onder meer in de vorm van een bevel tot verkoop en levering van het Perceel aan hem tegen betaling van een bedrag van f. 850.000,- verminderd met f. 61.880,-. Hangende deze procedure heeft BBL – bij koopovereenkomst van 21 februari 2002 en leveringsakte van 1 juli 2002 – het Perceel (grotendeels) aan [appellant] verkocht en geleverd. De koopprijs bedroeg in totaal € 249.561,88. In artikel 6 van de in de koopovereenkomst en de leveringsakte opgenomen ‘Bijzondere Voorwaarden’ (hierna: BV) is het volgende bepaald:

Eveneens als onderdeel van voornoemde afspraken zal bij aktepassering een gedeelte van de koopsom ter grootte van € 74.343,27 (…) (…) in depot worden gehouden. Dit geld zal vrijvallen aan koper of verkoper na overeenstemming hierover in minnelijk overleg, dan wel door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. (…).

Hiervóór, maar nadat het Perceel door BBL aan hem was aangeboden tegen de marktwaarde, had [appellant] in Procedure I bij conclusie van repliek (CvR) van 29 mei 2001 zijn eis gewijzigd en schadevergoeding gevorderd voor zover BBL een hogere koopsom zou vragen dan het bedrag dat aan [betrokkene 1] was betaald. In zijn vonnis van 18 september 2002 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen. In zijn hoger beroep tegen dit vonnis heeft [appellant] zijn eis andermaal gewijzigd en bij de op 24 april 2003 genomen memorie van grieven onder meer gevorderd:

het verschil in koopprijs en wel tussen de koopsom die BBL heeft betaald voor (een gedeelte van) de grond en opstanden van [betrokkene 1] en de prijs die [appellant] in een later stadium hiervoor heeft moeten betalen in het kader van de getroffen regeling (…) ad € 74. 343,27 (f. 163.831,00) zoals notaris (…) dit thans nog onder zich houdt’.

Bij arrest van 2 december 2004 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2006 verworpen, zodat het arrest van het hof/het vonnis van de rechtbank in Procedure I in kracht van gewijsde is/zijn gegaan. BBL c.s. hebben in de onderhavige procedure (hierna ook: Procedure II) in conventie gevorderd, voor zover nog van belang, een verklaring voor recht dat het depotbedrag van € 74.343,27 en de daarover eventueel gekweekte rente aan hen toekomt. [appellant] heeft in reconventie in procedure II gevorderd:

a) een verklaring voor recht dat het in depot gestelde bedrag hem toekomt;

b) veroordeling van BBL c.s. om – op grond van onverschuldigde betaling althans ongerechtvaardigde verrijking – aan hem te betalen het bedrag van

€ 181.539,45, zijnde (met inbegrip van het in depot gestelde bedrag van

€ 74.343,27) het bedrag waarmee BBL de koopprijs onrechtmatig heeft verhoogd.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 april 2012 de vordering van BBL c.s. in conventie toegewezen en de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen.

2.

Tegen deze beslissingen en de daartoe gebezigde motiveringen richten zich de grieven van [appellant].

3.

De tegen de toewijzing van de vordering van BBL c.s. gerichte grieven van [appellant] – dat zijn de grieven 2 t/m 6 in verbinding met grief 1 – zijn gebaseerd op de stelling dat artikel 6 BV van de koopovereenkomst van 21 februari 2002 zo moet worden uitgelegd dat het depot pas aan BBL c.s. toekomt wanneer niet alleen in Procedure I maar ook in de reconventie in Procedure II onherroepelijk in het voordeel van BBL c.s. is beslist, en dat aan deze tweede voorwaarde niet is voldaan. Het in reconventie in Procedure II gevorderde bedrag van € 181.539,45 bestaat, zo is namens [appellant] toegelicht in onder meer punt 2.9 MvG en bij pleidooi in hoger beroep, uit:

(i) het bedrag van € 107.196,18, dat is het bedrag dat in de visie van [appellant] door BBL in 1998/1999 teveel is betaald voor de verkrijging van het Perceel; BBL heeft daarvoor betaald f. 850.000,- (= € 385.713,18), terwijl het volgens [appellant] had kunnen worden aangekocht voor

f. 613.771,- (= € 278.517,-);

(ii) het depotbedrag van € 74.343,74, dat is naar stelling van [appellant] de winst die BBL heeft gemaakt bij de verkoop van het Perceel aan hem/de opslag op het feitelijk door BBL betaalde aankoopbedrag.

Het standpunt van [appellant] komt er dus op neer dat artikel 6 BV inhoudt dat BBL c.s. pas aanspraak heeft op het in depot gestelde bedrag wanneer tevens bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak in Procedure II is vastgesteld dat BBL bij de aankoop van het Perceel in 1998/1999 niet teveel heeft betaald (zie ook punt 17 PA). BBL c.s. betwist dat artikel 6 BV in deze zin moet worden uitgelegd.

4.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen onder 4.2 van haar vonnis, komt het bij de uitleg van artikel 6 BV aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten, en is daarvoor – nu de tekst van artikel 6 BV geen uitsluitsel biedt – met name relevant de correspondentie tussen partijen die aan de totstandkoming van de koopovereenkomst op 21 februari 2002 is vooraf gegaan.

5.

Op 27 juli 2001, aan het begin van de onderhandelingen over de verkoop van het Perceel aan [appellant], heeft zijn toenmalige raadsman, mr Everts, aan de toenmalige raadsvrouwe van BBL c.s. het volgende geschreven:

In dit kader bespeur ik twee standpunten voor wat betreft de prijs:

a. het uitgangspunt van mijn cliënt; hetgeen betaald is aan [betrokkene 1];

b. de door uw cliënte enige tijd geleden verlangde agrarische marktwaarde welke door mijn cliënt wordt bestreden, (voorzover die hoger zou zijn dan onder a. genoemd).

Ik kan mij, geheel vrijblijvend dezerzijds, voorstellen (…) dat het verstandig

is het betreffende gedeelte van het terrein ter beschikking te stellen aan mijn

cliënt in het kader van een te sluiten koopovereenkomst, waarbij het verschil

tussen genoemde waarden op een rentedragende rekening gezet zal worden

bij Stichting Derdengelden (…) en welke gelden, afhankelijk van een

uitspra(a)k(en) van de rechter die in kracht van gewijsde zijn/is gegaan in de

tussen partijen lopende za(a)k)en) dan wel een te treffen definitieve

regeling, al dan niet aangewend kunnen worden voor de betaling van de

koopprijs indien mijn cliënt terzake van zijn standpunt onverhoopt ongelijk

mocht krijgen.

Hieruit blijkt dat in juli 2001 [appellant] de hoogte van het door BBL aan [betrokkene 1] betaalde bedrag niet ter discussie stelde en zelfs tot uitgangspunt nam, zoals hij ook kort daarvoor had gedaan in de CvR in Procedure I (zie rov. 1). In de brieven van mr. Everts (namens [appellant]) van 21 september 2001 (‘Een en ander impliceert dat u f. 386.131,00 zult moeten verlangen van cliënt’) en 21 december 2001 is dit bevestigd. Ook daarin is namelijk het door BBL aan [betrokkene 1] betaalde bedrag van f. 850.000,- tot uitgangspunt genomen voor de prijsberekening door [appellant]. In de op 24 april 2003 – en dus geruime tijd na de koopovereenkomst/leveringsakte genomen – memorie van grieven in Procedure I is de aan [betrokkene 1] betaalde koopprijs als grondslag voor de berekening van de schadepost ‘verschil in koopprijs’ genomen (zie punt 4.2 onder a van deze memorie). Bij de in de eerste aanleg in de onderhavige procedure (procedure II) op 8 maart 2012 gehouden comparitie is naar aanleiding hiervan van de zijde van [appellant] het volgende verklaard:

De memorie van grieven moet in het licht van de kennis van dat moment worden gezien. Pas veel later is [appellant] gebleken dat de koopprijs van

f. 850.000,- geen marktconforme prijs was voor de grond die DLG van [betrokkene 1] kocht.

6.

Naar aanleiding van het beroep dat door [appellant] in dit verband (zie MvG punt 5.3.4) is gedaan op het voorstel van DLG in haar schrijven van 22 januari 2002 om desgewenst een taxatiecommissie in te stellen die de depotgelden op basis van het principe ‘verschil marktwaarde met historische kostprijs’ bindend zal vaststellen, merkt het hof op dat blijkens hetgeen verder in dat schrijven is gesteld, DLG hierbij niet het oog heeft op de waarde van het Perceel in 1998/1999 maar op het probleem van de waardecorrectie van het ‘reeds vervreemde en te vervreemden’ (kleine) deel van het Perceel dat niet aan [appellant] was verkocht en dat in de optiek van DLG bij de berekening van de depotgelden buiten beschouwing moest blijven.

7.

In dit verband heeft [appellant] verder (o.m. punt 5.3.5 MvG en de punten 38 en 39 PA) een beroep gedaan op de volgende passage uit het faxbericht van mr. Evertse aan DLG van 6 februari 2002 (onderstreping van [appellant]):

Partijen zijn het erover eens dat de levering van deze restantgrond zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden, doch de berekening terzake van de koopsom houdt partijen in deze nog verdeeld, waarbij eveneens zij opgemerkt dat indien levering zou plaatsvinden dit (gelijk de eerdere levering aan mijn cliënt) vanzelfsprekend altijd nog onder voorbehoud van rechten en weren plaatsvindt in het bijzondere eventuele schadeclaims (o.a. voortvloeiende uit de van uw zijde verlangde te hoge koopprijs, bedrijfsschades achterstallig onderhoud etc). Hierover lopen nog verschillende procedures en er kunnen eventueel ook nog nieuwe procedures worden opgestart’.

Ook hieruit is evenwel geen aanwijzing te putten dat het de bedoeling was om de hoogte van de aankoopprijs van het Perceel in 1998 ter discussie te stellen. Er was wel een discussie gaande over de hoogte van de door BBL c.s. van [appellant] verlangde koopprijs, maar die had te maken met de door BBL c.s. in 2001/2002 op de aankoopprijs gestelde ‘opslag’ – daarvoor was het depot bedoeld – en niet met de aankoopprijs van BBL zelf.

8.

Gelet op het onder 5 t/m 7 overwogene is er geen andere conclusie mogelijk dan dat [appellant] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst/leveringakte in 2002 nog niet op de gedachte was gekomen dat het Perceel in 1998/1999 voor een te hoge prijs van [betrokkene 1] zou kunnen zijn gekocht. Het in rov. 3 genoemde standpunt van [appellant] mist dan ook een deugdelijke onderbouwing.

9.

Aangezien de stelling van BBL c.s., dat was overeengekomen dat het depot aan hen toekwam reeds wanneer Procedure I onherroepelijk in hun voordeel is beslist, door [appellant] dus onvoldoende gemotiveerd is betwist, moet die stelling van BBL c.s. als vaststaand worden beschouwd (artikel 149 lid 1, 2e volzin, Rv). Dit betekent dat het aanbod van [appellant] op blz. 17 MvG, om het (tegen-)bewijs te leveren dat ‘het vrijvallen van het depotbedrag afhankelijk was van nadere procedure(s) betreffende de totstandkoming van de koopprijs’ niet ter zake dienend is en deswege zal worden gepasseerd. Procedure I is onherroepelijk in het voordeel van BBL c.s. beslist. Het gedeelte ter grootte van € 74.343,27 van de afgesproken koopsom komt daarom aan BBL c.s. toe.

10.

Reeds op grond van het onder 4 t/m 9 overwogene moet worden geconcludeerd dat de in rov. 3 vermelde grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie kunnen leiden. Die grieven behoeven daarom geen nadere bespreking.

11.

Gezien het onder 9 overwogene moet ook in reconventie als vaststaand worden beschouwd dat de koopovereenkomst van 21 februari 2002 met zich brengt dat het in depot gestelde bedrag van € 74.343,27 aan BBL c.s. toekomt. Bij die koopovereenkomst heeft [appellant] tevens de ‘doorberekening’ van de in zijn ogen (tot een bedrag van € 107.196,18, zie rov. 1) te hoge aankooprijs in de door BBL van hem gevraagde koopprijs geaccepteerd. Hij heeft niet de nietigheid of vernietiging van deze overeenkomst ingeroepen. Nu in Procedure I onherroepelijk is geoordeeld dat BBL niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld of wanprestatie jegens hem heeft gepleegd door in 1998/1999 het Perceel van[betrokkene 1] te kopen, valt bovendien niet in te zien dat BBL ten opzichte van [appellant] een norm zou kunnen hebben geschonden door met [betrokkene 1] een in de ogen van [appellant] te hoge kooprijs overeen te komen. Bij deze stand van zaken was de betaling door [appellant] van het gedeelte van de koopprijs van € 181.539,45 niet onverschuldigd, levert die geen ongerechtvaardigde verrijking van BBL c.s. op, en kan [appellant] evenmin op enige andere grond aanspraak maken op het in dat deel van de koopprijs begrepen depotbedrag van

€ 74.343,27. Dit is niet anders wanneer het zo zou zijn dat, zoals [appellant] stelt, BBL in 1998/1999 het Perceel voor een hogere dan de marktwaarde heeft gekocht, zodat zijn aanbod onder 2.10 MvG om dat te bewijzen, relevantie mist en reeds om die reden wordt gepasseerd. Daarnaast wordt aan dit aanbod voorbijgegaan op de grond dat het niet strekt tot het leveren van getuigenbewijs maar tot het leveren van bewijs door middel van een taxatie. Dergelijk schriftelijk bewijs had door [appellant] al uit eigen beweging – zonder toestemming en medewerking van het hof – kunnen worden bijgebracht. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie dus terecht afgewezen. De daartegen gerichte grieven 7 en 8 falen.

12.

Veeggrief 9 van [appellant] deelt het lot van zijn andere grieven. Het bestreden

vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij

zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 april 2012;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van BBL c.s. begroot op het bedrag van € 9.711,-, waarvan € 1.815,- voor verschotten en € 7.896,- voor salaris, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y Bonneur, R. Kalden en C.T.C Welters; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.