Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1559

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
200.140.669/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; overheidsaansprakelijkheid; vordering van gedetineerde tot opschorting detentie in verband met zijn gezondheidstoestand en de mogelijkheid om hem in detentie de benodigde medische zorg te verschaffen. Het hof komt tot het voorlopig oordeel dat gedetineerde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat onrechtmatig handelt door hem in detentie te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.140.669/01

Rolnummer rechtbank : KG ZA 13-1287

arrest van 13 mei 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.M.S. Cremers te ’s-Hertogenbosch,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Het geding

Bij dagvaardingsexploot (met producties) van 16 januari 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 december 2013. In het dagvaardingsexploot heeft [appellant] zes grieven opgeworpen tegen het vonnis waarvan hoger beroep. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen ter zitting van 3 april 2014 hun zaak doen bepleiten door hun advocaten, aan de hand van overgelegde pleitnotities. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de feiten waarvan de voorzieningenrechter onder 1.1 tot en met 1.20 van het bestreden vonnis is uitgegaan, zodat ook het hof dat zal doen. Het gaat in deze zaak om de volgende, deels in hoger beroep gestelde en niet of onvoldoende gemotiveerd betwiste, feiten.

1.1 [appellant] is onder behandeling van longarts [longarts 1] te [plaats] (hierna: '[longarts 1]'), wegens een ernstig obstructief slaapapneusyndroom bij morbide obesitas. Daarnaast is hij bekend met astma bronchiale, atopie voor huisstofmijt en diabetes mellitus.

1.2 Bij - onherroepelijk - arrest van 9 mei 2008 is [appellant] door het gerechtshof Den Bosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zeven maanden en een geldboete van € 250.000,--. Daarnaast is [appellant] op 4 oktober 2011 - onherroepelijk - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden en 24 dagen.

1.3 In een brief van 23 september 2011 heeft de medisch adviseur van de Staat verklaard dat hij [appellant] alleen plaatsbaar acht in het Justitieel Medisch Centrum te Den Haag, thans geheten het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (hierna: 'JCvSZ').

1.4 De tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraffen is aangevangen op 10 oktober 2012 door zijn plaatsing in het JCvSZ.

1.5 Bij brief van 8 november 2012 heeft de medisch adviseur van de Staat aangegeven dat hij, op basis van gegevens van het JCvSZ en de longarts van Bronovo, van oordeel is dat [appellant] voorlopig detentieongeschikt is vanwege het ontbreken van de vereiste voorziening met betrekking tot luchtzuivering in het JCvSZ. Hij adviseert te onderzoeken of die luchtzuiveringsinstallatie ergens kan worden geplaatst.

1.6 Op 3 december 2012 heeft [arts], eerste geneeskundige van het JCvSZ, onder meer het navolgende geschreven aan (de toenmalige advocaat van) [appellant]:

"Wel is het advies van de longarts dat hij (hof: [appellant]) luchtzuiveringsapparatuur nodig heeft. Dit hebben we aan de directie laten weten. De directie heeft opdracht gegeven aan Rijksgebouwendienst om dit te installeren. Recent heb ik de directie de overweging gegeven patiënt te schorsen, omdat het leveren van deze apparatuur blijkbaar langer duurt. De directie heeft schorsing aangevraagd. Dit is de situatie waar we op dit moment bevinden. Zolang deze apparatuur niet beschikbaar is achten wij als artsen van het Justitieel Medisch Centrum, als ook de medische adviseurs van Bureau BIMA hem niet detentiegeschikt. Dit is bekend bij de directie."

1.7 Op 10 december 2012 is aan [appellant] op grond van de "Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting" een strafonderbreking van 90 dagen toegestaan. [appellant] heeft in de periode daarna met een zogenaamde 'enkelband' thuis verbleven.

1.8 Op 11 maart 2013 is een verzoek van [appellant] om andermaal in aanmerking te komen voor een strafonderbreking afgewezen. Aan die beslissing is ten grondslag gelegd dat de benodigde apparatuur ten behoeve van [appellant] inmiddels is aangeschaft en geïnstalleerd.

1.9 Toen [appellant] na afloop van zijn strafonderbreking - op 13 maart 2013 - weer zou worden gedetineerd, heeft hij zich ontdaan van de enkelband en zich onttrokken aan detentie.

1.10 [appellant] is op 6 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard door de beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming in zijn beroep tegen de onder 1.8 vermelde beslissing, omdat hij zich aan de detentie had onttrokken.

1.11 Op 25 juni 2013 is [appellant] aangehouden, waarna hij op 26 juni 2013 is overgebracht naar het JCvSZ.

1.12 Op 11 juli 2013 heeft [appellant] de Staat in kort geding gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag. Daarbij vorderde hij dat de Staat wordt bevolen hem met onmiddellijke ingang strafonderbreking toe te kennen uit hoofde van het bepaalde in artikel 570b van het Wetboek van Strafvordering ('Sv'), totdat in de procedure van het gratieverzoek, dan wel in enige andere procedure definitief over zijn detentieongeschiktheid is beslist. Daarnaast vorderde hij de Staat - bij wijze van voorschot op een schadevergoeding - te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 95,- per dag vanaf 26 juni 2013 tot aan de dag waarop zijn strafonderbreking daadwerkelijk ingaat. Na een tussenvonnis van 17 juli 2013, heeft de voorzieningenrechter die vorderingen - bij vonnis van 29 juli 2013 - afgewezen, omdat [appellant] zijn aan de vorderingen ten grondslag gelegde stelling dat zijn detentieongeschiktheid niet door de in zijn kamer in het JCvSZ geplaatste apparatuur is ondervangen, onvoldoende heeft onderbouwd.

1.13 Nadien is [appellant] onderzocht door dr. [longarts 2], longarts in het Bronovo-ziekenhuis te Den Haag (hierna '[longarts 2]'). Naar aanleiding daarvan rapporteert [longarts 2] op 2 oktober 2013 onder meer:

"Conclusie

⌂ Conclusie: Verslechtering in de pulmonale situatie, waarbij de huidige leefomstandigheden (onvoldoende aangepaste airco, onvoldoende mogelijkheid tot voldoende beweging om daarmee het gewicht omlaag te krijgen) een oorzakelijke rol spelen.

De huidige negatieve spiraal van toename klachten, extra medicatie en verdere gewichtstoename (met alle negatieve consequenties hiervan) zal doorbroken moeten worden. Hierbij is een gezondere leefomgeving en ruime lichaamsbeweging essentieel.

Verder beleid en therapie

⌂ Beleid: Medisch gezien is er een sterke aanbeveling om patiënt in de thuissituatie, met aangepaste airco, te behandelen. Voortzetten van de huidige situatie zal aanleiding geven tot verdere uitbreiding van de medicatie, hoge doseringen prednisolon, met alle negatieve bijwerkingen hiervan."

1.14 Bij brief van 8 oktober 2013 heeft [appellant] de Staat gesommeerd om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen.

1.15 Op 10 oktober 2013 heeft de Staat aan [longarts 2] een aantal vragen gesteld naar aanleiding van diens rapport van 2 oktober 2013. De reactie van [longarts 2] daarop van 11 oktober 2013 houdt - onder meer - het volgende in:

"vraag 2: Dat de airco onvoldoende aangepast is en dat er onvoldoende mogelijkheden tot beweging zijn anamenestische (hof: anamnestische) gegevens, geleverd door de patiënt. (…)

In deze situatie kan ik (hof: niet) anders dan afgaan op de informatie van de patiënt. Dat verblijf van een patiënt met een forse allergie en adipositas, in een penitentiaire inrichting zoals te Scheveningen, problemen met zich meebrengt, is zeer wel mogelijk (rooklucht, stof). Gezien het ernstige overgewicht moet alles er op gericht zijn (hogere) doseringen prednisolon (hof: prednison) te voorkomen. Gewichtsafname is essentieel, naast sanerende maatregelen en ondersteunende medicatie. Dit is m.i. beter te regelen in de thuissituatie, onder begeleiding van zijn eigen longarts. Of dit juridisch te regelen/toelaatbaar is weet ik niet"

1.16 Bij e-mailbericht van 17 oktober 2013 heeft de Staat aan [appellant] medegedeeld dat aan de sommatie van 8 oktober 2013 niet zal worden tegemoetgekomen.

1.17 Voor zover hier van belang heeft [longarts 1] op 18 oktober 2013 het volgende geschreven aan (de advocaat van) [appellant]:

"Alles bij elkaar genomen is het duidelijk dat de medische conditie van de heer [appellant] verre van optimaal is en er zeker niet op vooruit gaat.

Met betrekking tot de door u gestelde vragen.

Patiënt verblijft in een kamer met een airconditioner unit met anti-allergeen plasma enzymfilter en plasma antigeurfilter. De president van de rechtbank was van oordeel dat deze apparatuur voldoet. Mij ontbreekt expertise om een oordeel uit te spreken over deze airconditioner. Bovendien lijkt mij niet de relevante vraag wat de kwaliteit is van de airconditioner maar of het microklimaat op de kamer van patiënt wat betreft temperatuur, vochtigheid en stof optimaal is. Overigens is de airconditioner van patiënt thuis niet door mij voorgeschreven omdat patiënt primair onder behandeling was wegens ernstig OSAS en de astmatische klachten destijds niet op de voorgrond stonden en onder controle waren met het bestaand beleid.

Concluderend lijkt het erop dat de huidige leefomstandigheden ertoe geleidt (hof: geleid) hebben dat patiënt in een verdere negatieve spiraal terechtgekomen is met ondanks zijn morbide overgewicht onvoldoende spiermassa, bloedarmoede en toenemende astmatische klachten.

Er is een duidelijk verhoogd risico op verdere complicaties. Deze negatieve spiraal is alleen te doorbreken door een gezond microklimaat, adequate voeding en voldoende ruimte en gelegenheid voor lichaamsbeweging en dagelijks trainen."

1.18 Op 12 november 2013 heeft de medisch adviseur van de DJI onder andere het volgende bericht aan de advocaat van de Staat:

"In vervolg op mijn advies inzake de detentiegeschiktheid van [appellant], geb. [geboortedatum] heb ik aanvullend onderzoek verricht, nadat bleek dat de door mij voorgestelde in mijn advies van 16 oktober jl. voorgestelde longrevalidatie geen doorgang kon vinden in verband met het extreme overgewicht van patiënt.

(…)

Longrevalidatie is daardoor ook geen optie als patiënt met ontslag uit detentie gaat: eerst zal zijn overgewicht behandeld moeten worden. (…)

Deze behandeling van zijn overgewicht moet, mits patiënt daaraan meewerkt, ook in het JMC gegeven kunnen worden.

(…)

Ik geef vervolgens aan welke mogelijkheden zich binnen de detentiesituatie voordoen om de vicieuze cirkel bewegingsarmoede, overgewicht en benauwdheid te doorbreken. Dit na een gesprek met de behandelend arts, [arts].

Mijn voorstel aan de behandelend arts, [arts], luidt :

1. Intensieve wandeltraining, aanvankelijk onder begeleiding van een fysiotherapeut, geleidelijk ophogen tot 1 uur per dag buiten (voordeel: geen huisstofmijt en momenteel geen voorjaarsboompollen);

2. Intensieve begeleiding door diëtist, plus controle en afspraken zodat eventuele extra voedingsmiddelen die op initiatief van patiënt worden genuttigd, kunnen worden gedocumenteerd en met hem worden besproken (zo nodig met behulp van psychologische interventie);

3. Zo nodig overleg met multidisciplinair longrevalidatieteam;

4. Controle longarts.

Thuis zal hij voor wat betreft zijn extreme overgewicht (we spreken in dit verband van morbide adipositas) namelijk dezelfde problemen tegenkomen en is longrevalidatie evenmin mogelijk als hij niet eerst afvalt.

De longartsen ([longarts 2] en [longarts 1]) geven beiden aan dat beweging en gezonde voeding van groot belang zijn.

(…)

Als aan de eerder genoemde voorwaarden (1, 2, 3 en 4) kan worden voldaan, is naar mijn mening patiënt nog steeds detentiegeschikt en dan is er geen reden deze behandeling niet in het JMC te laten plaatsvinden.

Het is wel van groot belang dat patiënt meewerkt aan alle aspecten/onderdelen van de behandeling."

1.19 Op 14 november 2013 heeft [appellant] een gratieverzoek ingediend, waarbij hij zich beroept op zijn slechte gezondheidstoestand.

1.20 Op 6 december 2013 heeft de Staat een verzoek van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, in afwachting van de beslissing op het gratieverzoek, afgewezen.

1.21 Vanaf 24 december 2013 is [appellant] gestopt met het nuttigen van de door het JCvSZ verstrekte dieetmaaltijden. Daarover is in een door [appellant] en zijn diëtiste ondertekend gespreksverslag van 13 januari 2014 vermeld, voor zover hier relevant:

“In de praktijk van de afgelopen 4 maanden is gebleken dat het niet geheel haalbaar is om aan het dieet advies en de wensen/ voorkeur van dhr. [appellant] te voldoen . De maaltijden blijken eenzijdig en wij kunnen alleen aangeven wat er niet verstrekt moet worden. De aanvulling op het dieet, welke wij verstrekken, verloopt over het algemeen goed. Nadelig was/is dat dhr. [appellant] niet van alle extra verstrekkingen gebruik maakt.

Dhr. [appellant] heeft aangegeven de maaltijden niet meer te willen gebruiken en er is in goed overleg besloten dat dhr. gewone maaltijden van ons verstrekt krijgt. Er was onduidelijkheid of de dieetmaaltijden, afkomstig van de firma Langehuize, Halal maaltijden waren. Dhr [appellant] heeft aangegeven dit principieel niet te eten. Er zijn duidelijke afspraken met de keuken over wat dhr. wel/niet mag eten en wel/niet lust. De verstrekking van extra vleeswaren en cup a soup, crackers en cruesli, rauwkost blijven wij handhaven.”

1.22 Bij beslissing van 5 februari 2014 is het gratieverzoek van [appellant] afgewezen.

1.23 Bij brief van 5 februari 2014 heeft de medisch adviseur van de Dienst Justitiële Instellingen (DJI) aan de advocaat van de Staat geschreven dat zij meent dat de voortzetting van de detentie van [appellant] verantwoord kan plaatsvinden volgens het in de brief van 12 november 2013 (zie rov. 1.18) uiteengezette behandelplan dat uit 4 elementen bestaat, te weten, kort samengevat, (i) intensieve wandeltraining, (ii) intensieve begeleiding door een diëtist, (iii) zo nodig overleg met multidisciplinair longrevalidatieteam en (iv) controle door een longarts. Verder schrijft de medisch adviseur:

“Inmiddels is een tweetal zaken met betrekking tot de behandeling van dhr. [appellant] veranderd:

Ad 1. Door de zachte winter zijn er momenteel al boompollen in de lucht. Mocht dhr. [appellant] hierdoor structureel worden beperkt in de looptherapie, dan adviseer ik looptraining elders (in het JCvSZ). Tot op heden wandelt hij buiten als het weer het toelaat.

Ad 2. Dhr. [appellant] heeft moeite de dieetadviezen op te volgen. Inmiddels heeft hij vanwege verschillende redenen zelf verzocht het dieet te beëindigen. In mijn vorige advies schreef ik dat zo nodig psychologische interventie/begeleiding kan plaatsvinden. Naar mijn mening is dat stadium nu bereikt en zal het dhr. [appellant] helpen als hij meer inzicht krijgt in zijn eetgedrag.

(…)

Uit de voortgangsrapportage en de beantwoording van de vragen die ik aan de behandelend arts heb gesteld, blijkt dat dhr. [appellant] sinds het advies van november 2013 geen exacerbatie van zijn astma heeft gehad, waarvoor hij een stootkuur prednison nodig had, tot op heden heeft hij dus tijdens zijn verblijf in het JCvSZ geen astma-exacerbatie gehad. Wel geeft hij aan dat hij regelmatig inhalaties gebruikt.”

2.1 [appellant] heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank, kort samengevat, gevorderd:

I. de Staat te bevelen de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf onmiddellijk te schorsen totdat op het gratieverzoek van [appellant], dan wel in enige andere procedure waarin diens detentieongeschiktheid onderwerp van geschil is, is beslist;

II. de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 95,-- per dag vanaf 26 juni 2013 tot aan de dag dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf daadwerkelijk ingaat;

III. de Staat te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2 Samengevat heeft [appellant] daartoe het volgende aangevoerd. Na het wijzen van het kortgedingvonnis op 29 juli 2013 is de gezondheidssituatie van [appellant] in ernstige mate verslechterd; zijn longfunctie is aanzienlijk verminderd. Daar komt bij dat onlangs is gebleken dat de zorgverlening binnen het JCvSZ structureel faalt. Het JCvSZ is niet in staat tot de vereiste zorg. Het uit vier onderdelen bestaande voorstel van de medisch adviseur van de Staat, zoals geformuleerd in haar brief van 12 november 2013 (r.o. 1.18), is niet uitvoerbaar binnen het JCvSZ. Zolang hij daar gedetineerd blijft, zal zijn medische situatie achteruitgaan. Een en ander volgt ook uit de adviezen/rapportages van [longarts 1] en [longarts 2]. Gelet op het voorgaande en nu vaststaat dat [appellant] niet kan worden geplaatst in een reguliere gevangenis, rest geen andere conclusie dan dat [appellant] detentieongeschikt is, zodat hij onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld, al dan niet met een enkelband. De Staat handelt onrechtmatig door [appellant] in strijd met de mening van de (long)specialisten in het JCvSZ te laten, mede waar daarmee artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ('EVRM') wordt geschonden. De onrechtmatige vrijheidsbeneming brengt mee dat de Staat gehouden is tot schadevergoeding. Bij wijze van voorschot daarop maakt [appellant] aanspraak op een bedrag van €. 95,-- per dag vanaf 26 juni 2013, zijnde de dag waarop [appellant] tegen alle medische adviezen in is geplaatst in het JMC.

2.3 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen, samengevat, dat [appellant] niet gemotiveerd heeft weersproken dat het door de medisch adviseur van de DJI opgestelde behandelplan van 13 november 2013 (zie rov. 1.18) zal leiden tot verbetering van de medische toestand van [appellant]. Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat het behandelplan in het JCvSZ niet adequaat kan worden uitgevoerd. Op grond van de brieven van [longarts 2] en [longarts 1] (zie rov. 1.13, 1.15 en 1.17) kan volgens de voorzieningenrechter niet worden vastgesteld dat [appellant] detentieongeschikt is, te minder nu de inhoud van die brieven is gebaseerd op informatie die [appellant] aan die artsen heeft verstrekt. Gelet op het vorenstaande kan niet worden aangenomen dat de Staat het EVRM schendt door [appellant] in het JCvSZ te plaatsen, aldus de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3. Grieven I tot en met III en V (ten onrechte aangemerkt als X) zijn, in onderlinge samenhang gezien, gericht tegen het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat uitvoering van het behandelplan van 13 november 2013 zal leiden tot verbetering van de medische toestand van [appellant] en dat het behandelplan kan en zal worden uitgevoerd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.1 Inmiddels is het verzoek van [appellant] tot gratieverlening bij beslissing van 5 februari 2014 afgewezen, zodat de gevorderde voorlopige voorziening, voor zover daarmee beoogd was de straf te schorsen tot op het gratieverzoek zou zijn beslist, in ieder geval niet langer voor toewijzing in aanmerking komt. Aan de orde is daarom nog slechts de vraag of in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk is geworden dat de rechtbank in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de Staat onrechtmatig handelt door [appellant], in de gezondheidstoestand waarin hij zich nu bevindt, in detentie te houden, en of die detentie daarom bij wijze van voorlopige voorziening moet worden geschorst. Het is daarbij aan [appellant] om voldoende aannemelijk te maken dat de Staat onrechtmatig handelt door [appellant] in detentie te houden terwijl hij [appellant] in het JCvSZ niet de benodigde zorg kan verlenen, als gevolg waarvan diens gezondheidstoestand verslechtert (althans niet verbetert).

3.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de medische behandeling van [appellant] in dit stadium gericht dient te zijn op gewichtsafname, omdat het op dit moment wegens zijn overgewicht niet mogelijk is (niet in een penitentiaire inrichting noch daarbuiten) om longrevalidatie in te zetten die erop is gericht om de (chronische) astmatische klachten van [appellant] te verminderen. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij onbekend is met een behandelplan, maar hij kent wel het door de medisch adviseur van de DJI opgestelde behandelplan (hierna: het behandelplan). [appellant] heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat dat behandelplan, mits goed uitgevoerd, niet daadwerkelijk tot gewichtsverlies zal leiden. Wel meent [appellant] dat het behandelplan niet uitvoerbaar is in het JCvSZ. Daarnaast stelt [appellant] dat de slechte luchtkwaliteit in het JCvSZ aan detentie van [appellant], die immers lijdt aan aandoeningen aan de luchtwegen, in de weg staat.

3.3 Op grond van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht is naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat het behandelplan voor [appellant] niet uitvoerbaar is in het JCvSZ. Het hof overweegt ten aanzien van de vier elementen van het behandelplan als volgt:

(1) wandeltraining

3.3.1 Niet in geschil is dat aan [appellant] een programma wordt geboden waarbij hij driemaal per week onder begeleiding van een fysiotherapeut in de buitenlucht een

wandeltraining doet. Momenteel is dit, vanwege de conditie van [appellant], nog een training van beperkte duur, maar geleidelijk zal dit worden opgehoogd tot 1 uur (of meer indien medisch noodzakelijk) per keer. [appellant] wijst er op dat veel van de wandeltrainingen niet zijn doorgegaan. Hij heeft evenwel niet gemotiveerd weersproken dat de reden dat veel van de trainingen niet zijn doorgegaan, zijn gelegen in omstandigheden die ofwel niet zijn gerelateerd aan zijn verblijf in detentie (zoals de trainingen die niet zijn doorgegaan omdat het regende), ofwel niet voor risico van de Staat komen (bijvoorbeeld omdat [appellant] zelf afzegde om diverse redenen). Uit de brief van de medisch adviseur van 5 februari 2014 blijkt dat de wandeltrainingen in de buitenlucht in het voorjaar, vanwege het aantal boompollen in de lucht, voor [appellant] moeilijk uitvoerbaar zijn, maar dit is buiten detentie niet anders en leidt daarom niet tot zijn detentieongeschiktheid.

Daarnaast heeft [appellant] dagelijks de mogelijkheid om op de gang te mobiliseren en kan hij binnen het JCvSZ aan verschillende activiteiten deelnemen. Het hof wil wel aannemen dat deze bewegingsmogelijkheden in vergelijking met de thuissituatie van [appellant] niet ideaal zijn – [appellant] stelt dat op de cellen door medegedetineerden wordt gerookt en dat die rook tot de gang doordringt – maar acht deze omstandigheden onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij detentieongeschikt is. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat uit het aanhoudingsproces-verbaal van 9 oktober 2012 blijkt dat de betreffende verbalisant constateerde dat door de echtgenote van [appellant] in het huis van [appellant] werd gerookt.

Gelet op het vorenstaande is het hof voorshands van oordeel dat het eerste element van het behandelplan uitvoerbaar is in het JCvSZ.

(2) dieet

3.3.2 [appellant] heeft evenmin voldoende gemotiveerd gesteld dat het tweede element van het behandelplan, dat ziet op zijn dieet, in het JCvSZ niet uitvoerbaar is. Aan [appellant] zijn sinds oktober 2013 dieetmaaltijden verstrekt en hij staat onder behandeling van een diëtist. De dieetmaaltijden worden sinds 24 december 2013 door [appellant] geweigerd, omdat – naar het hof begrijpt uit het door de Staat overgelegde en door [appellant] inhoudelijk niet betwiste gespreksverslag van de diëtist van 13 januari 2014 (zie rov. 1.21) – hij vermoedt dat deze maaltijden in de Halal-keuken van de leverancier worden bereid en [appellant] daar principiële bezwaren tegen heeft. Dit vermoeden van [appellant] wordt echter op geen enkele wijze onderbouwd en blijkt niet uit de stukken. De Staat heeft onbestreden gesteld dat [appellant] in de periode waarin aan hem dieetmaaltijden werden verstrekt, bijna 10 kg is afgevallen, terwijl [appellant] sinds het moment dat hij de dieetmaaltijden weigert, weer 5 kg is aangekomen. Daaruit blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende dat een effectief dieet, gericht op gewichtsafname, binnen het JCvSZ mogelijk is en [appellant] kan om die reden niet detentieongeschikt worden geacht.

(3 en 4) longrevalidatie en controle longarts

3.3.3 Vaststaat dat van longrevalidatie pas sprake kan zijn na een aanzienlijke gewichtsvermindering bij [appellant]. [appellant] betwist niet dat hij onder intensieve controle van longartsen (zowel zijn eigen longarts [longarts 1] als [longarts 2], longarts bij het Bronovo ziekenhuis) staat. Gesteld noch gebleken is dat die begeleiding in de toekomst, indien medisch noodzakelijk, niet zal worden voortgezet. [appellant] meent wel dat de Staat onvoldoende acht slaat op de rapporten en adviezen van de longartsen. Met de voorzieningenrechter is het hof evenwel voorshands van oordeel dat op grond van die rapporten niet kan worden geconcludeerd dat [appellant] detentieongeschikt is. De adviezen en constateringen van de longartsen zijn, zo blijkt uit de brieven zelf, voor wat betreft het luchtklimaat in detentie louter gebaseerd op informatie die door [appellant] zelf is verstrekt. Of een verslechtering van de longfunctie van [appellant] het gevolg is van het microklimaat in het JCvSZ, kan daarom uit die rapporten niet worden afgeleid. Ten aanzien van de door deze artsen gegeven adviezen met betrekking tot lichaamsbeweging en dieet heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat voorshands wordt aangenomen dat hieraan binnen de detentiesituatie in het JCvSZ kan worden voldaan.

microklimaat

3.4 [appellant] stelt dat er nog een vijfde voorwaarde is voor een adequate medische behandeling voor zijn aandoeningen, te weten een goed microklimaat. [appellant] meent dat hieraan in het JCvSZ niet wordt voldaan. [appellant] heeft deze stelling naar het oordeel van het hof niet voldoende onderbouwd. Het staat vast dat speciaal voor [appellant] luchtzuiveringsapparatuur in zijn cel is aangebracht. [appellant] stelt dat de filters van deze installatie niet vaak genoeg (conform de gebruiksinstructies van de installatie) worden vervangen. De Staat heeft dit betwist. De Staat heeft ter pleidooizitting aangegeven dat, indien niettemin mocht blijken dat de filters vaker vervangen dienen te worden, hieraan gevolg zal worden gegeven. Het hof ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. [appellant] heeft verder gewezen op het rapport ‘Audit Verantwoorde zorg, Justitieel Medisch Centrum’ van 8 april 2013, waaraan het radioprogramma Argos op 7 december 2013 een uitzending heeft gewijd. [appellant] heeft evenwel niet voldoende gemotiveerd op grond waarvan uit het auditrapport zou blijken dat aan [appellant] in het JCvSZ niet de medisch noodzakelijke behandeling (conform het behandelplan van 12 november 2013) kan worden geboden. Verder verwijst [appellant] naar een krantenartikel waarin wordt gerefereerd aan een onderzoek van de Rijksgebouwendienst waaruit zou blijken dat de luchtkwaliteit in Nederlandse penitentiaire inrichtingen onder de maat is. Uit dit onderzoek, waarvan door de Staat een rapport is overgelegd dat [appellant] bij pleidooi niet inhoudelijk heeft weersproken, blijkt echter juist dat de luchtkwaliteit in het JCvSZ wel aan de eisen voldoet. Al met al zijn in deze procedure onvoldoende concrete omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het microklimaat in het JCvSZ dermate slecht is dat dit tot detentieongeschiktheid van [appellant] leidt. Dat [appellant] dit zelf wel zo ervaart en dat zijn longartsen dit niet onaannemelijk achten, legt in dat verband onvoldoende gewicht in de schaal.

3.5 De overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden, te weten een bij hem geconstateerde bloedarmoede en perikelen rond de al of niet gedane toezegging vanuit het JCvSZ dat hij zonder aanwezigheid van bewaking een colonoscopie mocht ondergaan, kunnen evenmin de conclusie dragen dat [appellant] detentieongeschikt is. Gesteld noch gebleken is dat de bloedarmoede niet in het JCvSZ kan worden behandeld. Verder acht het hof het beleid van het JCvSZ, dat medische behandeling van gedetineerden op externe locaties in beginsel slechts kan geschieden in aanwezigheid van bewaking (in dezelfde kamer maar wel achter een scherm), op voorhand niet onredelijk. Dat eventuele daarvan afwijkende toezeggingen niet zouden zijn nagekomen (hetgeen door de Staat wordt betwist), doet daaraan niet af, en maakt in ieder geval naar het voorlopig oordeel van het hof niet dat [appellant] als detentieongeschikt moet worden beschouwd.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot het voorlopig oordeel van het hof dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de rechtbank in een bodemprocedure zal oordelen dat de Staat onrechtmatig handelt door [appellant], gezien zijn gezondheidstoestand, in detentie te houden. De in dat verband opgeworpen grieven I tot en met III en V slagen daarom niet. Op voornoemd oordeel stuiten eveneens de door [appellant] op artikel 22 van de Grondwet en artikel 3 EVRM gegronde klachten af, zodat ook de in dat verband opgeworpen grief IV faalt. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] op goede gronden afgewezen, zodat grief VI, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, het lot van de overige grieven deelt. Het hof zal het bestreden vonnis in kort geding bekrachtigen en [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 december 2013;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 704,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, A. Dupain en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.