Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1558

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
200.033.595-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intellectuele Eigendom, databankenrecht; inz. Gaspedaal; Na antwoord op vragen door HvJEU in zijn arrest van 19 december 2014; inbreuk door aanbieden van dedicated zoekmachine; beslissing over kosten ex art. 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2014, afl. 7/8, p. 352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: : 200.033.595/01

Zaak-/Rolnummer rechtbank : 303218/ HA ZA 08-300

arrest van 6 mei 2014

inzake

INNOWEB B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante, incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: Innoweb,

procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

behandelend advocaten: thans mrs. M.H. Elferink en M.J.M. Kortier te Enschede,

tegen

1.

WEGENER ICT MEDIA B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2.

WEGENER MULTIMEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden, incidenteel appellanten,

hierna tezamen te noemen: Wegener in enkelvoud,

procesadvocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te Den Haag,

advocaat: mr. J.C.H. van Manen te Amsterdam.

Het geding

Bij tussenarrest van het hof van 27 maart 2012 zijn aan het Hof van Justitie voor de Europese Unie – hierna: HvJEU – vragen gesteld. Nadat deze door het HvJEU zijn beantwoord in zijn arrest van 19 december 2013, hebben partijen ieder een akte genomen, Wegener ter rolle van 4 maart 2014 en Innoweb ter rolle van 18 maart 2014. Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

Wegener biedt via haar website www.autotrack.nl (hierna ook: AutoTrack) toegang tot een online verzameling van advertenties voor de verkoop van auto’s. Deze verzameling bevat een dagelijks bijgewerkte lijst van 190.00 tot 200.000 tweedehands auto’s. Ongeveer 40.000 daarvan zijn uitsluitend op AutoTrack te vinden. De overige advertenties zijn ook op andere advertentiesites te vinden. Met behulp van de zoekmachine van AutoTrack kan de internetgebruiker gericht naar auto’s zoeken aan de hand van verschillende criteria. Deze verzameling is een databank in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, Databankenwet – hierna: Dw – en de Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB 1996 L 77/20) – hierna: de Richtlijn.

2.

Innoweb biedt via haar website www.gaspedaal.nl (hierna ook: GasPedaal) een zogenaamde dedicated metazoekmachine aan voor de verkoop van auto’s. Een metazoekmachine maakt gebruik van de zoekmachines van andere websites door de zoekopdrachten van haar gebruikers door te voeren naar die andere zoekmachines, waardoor zij zich onderscheidt van algemene zoekmachines zoals Google. De kwalificatie “dedicated” voor een metazoekmachine betekent dat deze gespecialiseerd is, aangezien zij als opzet heeft het mogelijk te maken te zoeken op een of meer bepaalde onderwerpen. De internetgebruiker kan door één enkele zoekopdracht op GasPedaal uit te voeren, tegelijkertijd zoeken in meerdere verzamelingen van advertenties voor de verkoop van auto’s die te vinden zijn op de websites van derden, waaronder AutoTrack.

Met behulp van de dedicated metazoekmachine GasPedaal kunnen op basis van verschillende criteria – waaronder niet alleen het merk, het model, de kilometerstand, het bouwjaar en de prijs maar ook andere kenmerken van een voertuig, zoals de kleur, de vorm van de carrosserie, de gebruikte soort brandstof, het aantal deuren en de transmissie – en „realtime”, dat wil zeggen op het moment dat de gebruiker van GasPedaal een zoekopdracht geeft, zoekopdrachten worden uitgevoerd in de verzameling van onder meer AutoTrack. GasPedaal voert deze zoekopdracht „vertaald” uit, met andere woorden door haar om te zetten in het voor de zoekmachine van AutoTrack vereiste formaat.

De op AutoTrack gevonden resultaten, te weten de auto’s die voldoen aan de door de eindgebruiker geselecteerde criteria, die ook te vinden zijn in de resultaten van andere websites, worden samengevoegd tot één item met koppelingen naar alle bronnen waarin die auto is gevonden. Vervolgens wordt een internetpagina gemaakt met de lijst van de aldus verkregen en samengevoegde resultaten, waarop voor elke auto de essentiële informatie wordt verstrekt, met name het bouwjaar, de prijs, de kilometerstand en een thumbnail foto ervan. Deze internetpagina wordt gedurende ongeveer 30 minuten opgeslagen op de server van GasPedaal en naar de gebruiker gezonden of aan hem getoond op de website van GasPedaal, in de opmaak van die site.

Het totale aantal advertenties op de websites waarin GasPedaal zoekt bedraagt circa 300.000.

Per dag voert GasPedaal ongeveer 100.000 zoekopdrachten uit op AutoTrack. Op die manier wordt circa 80 % van de verschillende combinaties van merk of model in de verzameling van AutoTrack dagelijks opgezocht. Per zoekopdracht geeft GasPedaal evenwel slechts een zeer klein deel van de inhoud van die verzameling weer. De inhoud van deze gegevens wordt per zoekopdracht bepaald door de gebruiker, op basis van de criteria die hij op GasPedaal opgeeft.

3.

Wegener heeft gevorderd Innoweb te bevelen zich te onthouden van inbreuk op haar databankrechten, met nevenvorderingen.

4.

De rechtbank heeft Innoweb bevolen zich te onthouden van iedere inbreuk op de databankrechten van Wegener op grond van haar oordeel dat sprake is van voorbehouden handelingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, Dw, namelijk het ontoelaatbaar herhaald en systematisch hergebruiken van niet-substantiële delen van de inhoud van de databank.

5.

De rechtbank heeft voorts onder meer overwogen dat geen sprake is van opvragen of hergebruiken van een substantieel deel van de inhoud van de databank als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, Dw.

6.

Onder hergebruiken wordt verstaan elke vorm van het aan het publiek ter beschikking stellen van de inhoud van een databank of een deel ervan door verspreiding van kopieën, verhuur, on line transmissie of in een andere vorm en vertoont grote gelijkenis met het (ruime) openbaarmakingsbegrip in het auteursrecht. Onder opvragen wordt verstaan het permanent of tijdelijk overbrengen van de inhoud van een databank of een deel ervan op een andere drager, ongeacht op welke wijze en in welke vorm en heeft ongeveer dezelfde betekenis als verveelvoudigen in het auteursrecht

7.

De principale grieven richten zich, kort gezegd, tegen het in rechtsoverweging 4 vermelde oordeel van de rechtbank dat sprake is van inbreuk als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, Dw op de databankrechten/ het recht sui generis van Wegener.

8.

De (voorwaardelijke) incidentele grief 2 richt zich tegen het hiervoor in rechtsoverweging 5 vermelde oordeel van de rechtbank dat geen sprake is opvragen of hergebruiken van een substantieel deel van de inhoud van de databank als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, Dw;

9.

De Databankenwet is ingevoerd ter implementatie van de Richtlijn. Artikel 2, lid 1, sub a, Dw is gebaseerd op artikel 7 lid 1 van de Richtlijn. Artikel 2, lid 1, sub b, Dw is gebaseerd op artikel 7, lid 5, van de Richtlijn.

10.

Het hof heeft in zijn eerdere tussenarresten aangenomen dat geen sprake is van

  • -

    opvragen van het geheel of een substantieel deel van inhoud van de databank van Wegener in de zin van artikel 7, lid 1, van de Richtlijn;

  • -

    inbreuk als bedoeld in artikel 7, lid 5, van de Richtlijn door het herhaald opvragen van niet-substantiële delen van de inhoud van de databank van Wegener;

11.

Het hof heeft het HvJEU verzocht om een prejudiciële beslissing over onder meer de volgende vragen:

1.

Moet artikel 7, lid 1, van de Richtlijn aldus worden uitgelegd dat sprake is van hergebruik (ter beschikking stelling) van het geheel of een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van een via een website aangeboden (on line) databank door een derde indien die derde aan het publiek de mogelijkheid biedt via een door hem aangeboden dedicated metazoekmachine de volledige inhoud van de databank of een substantieel deel daarvan “realtime” te doorzoeken, door een zoekopdracht van een gebruiker “vertaald” door te voeren naar het zoekmechanisme van de website waarop de databank wordt aangeboden?

2.

Zo nee, is dit anders indien die derde na terugontvangst van de resultaten van de zoekopdracht aan elke gebruiker een zeer klein deel van de inhoud van de databank zendt of toont op en in de opmaak van zijn eigen website?

3.

Is het voor de beantwoording van vragen 1 en 2 van belang dat die derde deze handelingen voortdurend verricht en in totaal dagelijks 100.000 zoekopdrachten van gebruikers via haar zoekmachine “vertaald” doorvoert en de ontvangen resultaten daarvan op een wijze als hiervoor omschreven aan verschillende gebruikers ter beschikking stelt?

12.

Het HvJEU heeft zijn arrest van 19 december 2013 overwogen dat de verwijzende instantie met haar eerste tot en met derde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 7, lid 1, van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat ten aanzien van de exploitant van een dedicated metazoekmachine als die in het hoofdgeding, sprake is van hergebruik van het geheel of een substantieel deel van de inhoud van een databank die is opgenomen in de door hem aangeboden dienst.

13.

Het HvJEU heeft geoordeeld dat op die vragen moet worden geantwoord – en heeft verklaard voor recht – dat artikel 7, lid 1, van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een onderneming die een dedicated metazoekmachine als die in het hoofdgeding online op internet plaatst, sprake is van hergebruik van het geheel of een substantieel deel van de inhoud van een door voormeld artikel 7 beschermde databank wanneer deze dedicated metazoekmachine:

– aan de eindgebruiker een zoekformulier ter beschikking stelt dat in wezen dezelfde functionaliteiten biedt als het formulier van de databank,

– de zoekopdrachten van de eindgebruikers „realtime” vertaalt naar de zoekmachine van de databank, zodat alle gegevens van deze databank worden doorzocht, en

– aan de eindgebruiker de gevonden resultaten toont in de opmaak van haar website, waarbij de doublures tot één item worden samengevoegd, maar in een volgorde die is gebaseerd op criteria die vergelijkbaar zijn met die welke door de zoekmachine van de betrokken databank worden gebruikt om de resultaten weer te geven.

14.

Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat in casu sprake is van hergebruik van het geheel of een substantieel deel van de inhoud van de onderhavige databank van Wegener (AutoTrack) en derhalve van inbreuk (in de zin van artikel 2. Lid 1, sub a, Dw) op de databankrechten van Wegener. Dit brengt mee

  • -

    de (voorwaardelijke) incidentele grief 2 van Wegener – die het hof uit proceseconomische overwegingen eerst behandelt – slaagt (ofwel de in eerste aanleg niet gehonoreerde stelling van Wegener dat sprake is van inbreuk op voormelde grondslag, gelet op de devolutieve werking van het appel, alsnog juist wordt geacht);

  • -

    dat de principale grieven van Innoweb, die zich uitsluitend richten tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van inbreuk op een andere grondslag (ontoelaatbaar herhaald hergebruik van niet-substantiële delen) en niet tegen toewijzing van de nevenvorderingen, niet tot vernietiging kunnen leiden en geen behandeling behoeven;

  • -

    dat de (voorwaardelijke) incidentele grieven 3 en 4, waarmee wordt beoogd het inbreukverbod toe te wijzen op (een) andere grond(en), geen behandeling behoeven.

De verweren van Innoweb dat een verbod strijdig zou zijn met de informatievrijheid en dat handhaving misbruik van machtspositie zou opleveren, falen gelet op het oordeel van het HvJEU, terwijl deze verweren bovendien onvoldoende zijn onderbouwd.

15.

Het bovenstaande brengt mee dat het bevel aan Innoweb om zich te onthouden van inbreuk op de databankrechten van Wegener en de nevenvorderingen door de rechtbank terecht (zij het op andere gronden) zijn toegewezen, met dien verstande dat incidentele grief 1 van Wegener, gericht tegen het bedrag waarop de proceskosten zijn begroot, nog moet worden behandeld.

16.

Incidentele grief 1 richt zich tegen de begroting door de rechtbank van de proceskosten van Wegener op basis van het liquidatietarief. Wegener vordert veroordeling in de volledige proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. De rechtbank heeft de kosten begroot op basis van het liquidatietarief omdat zij van oordeel was dat deze onvoldoende gespecificeerd waren voor toewijzing op een andere basis. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg en de onbestreden stelling van Innoweb in (punten 2 tot en met 5 van) haar memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens voorwaardelijk incidenteel appel, valt af te leiden dat Wegener in eerst aanleg vergoeding van haar proceskosten op basis van het indicatietarief vorderde. In hoger beroep heeft zij haar eis aldus gewijzigd dat zij thans haar volledige proceskosten vordert. Bij haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel en voorwaardelijk incidenteel appel heeft Wegener als productie 45 een declaratie van 27 november 2008 en een daarbij behorende specificatie overgelegd. In de declaratie is een bedrag van € 31.590,30 exclusief BTW vermeld, hetgeen overeenstemt met het bedrag dat Wegener, te vermeerderen met de griffierechten, blijkens haar laatste akte van 4 maart 2014 ter zake vordert. Innoweb verweert zich tegen toewijzing van deze vordering, stellende dat

1.

incidentele grief 1 “gedekt is” en Wegener in eerste aanleg zonder voorbehoud heeft afgezien van het vorderen van vergoeding van de volledige proceskosten en

2.

de vordering nog steeds onvoldoende is gespecificeerd, nu de gehanteerde uurtarieven niet zijn genoemd.

Ad 1) Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat Wegener afstand heeft gedaan van het recht om de volledige proceskosten te vorderen, zodat het hof dit verweer als onvoldoende onderbouwd passeert. Wegener kon haar eis dan ook dienovereenkomstig in hoger beroep vermeerderen.

Ad 2) het hof acht de bij de declaratie van 27 november 2008 gedeclareerde kosten voldoende gespecificeerd. Uitgaande van de in de declaratie genoemde 87,7 uur en het gedeclareerde bedrag van € 29.900,-- voor deze werkzaamheden, is kennelijk uitgegaan van een gemiddeld uurtarief van ongeveer € 340,--. Nu het meeste werk (68 uur) is verricht door mr. Van Maanen (die blijkens latere facturen enige tijd later € 450,-- (en zelfs € 500,--) per uur in rekening heeft gebracht, waartegen geen gemotiveerd bezwaar is gemaakt door Innoweb), acht het hof dit voldoende duidelijk en niet onredelijk. Ook overigens acht het hof het gevorderde bedrag, de omvang en de inhoud van de zaak, alsmede de omstandigheid dat Innoweb een hoger bedrag vordert (€ 45.470,85 voor de eerste aanleg) in aanmerking nemende, redelijk en evenredig. De gemaakte overige kosten ten bedrage van € 1.690,30 zijn gespecificeerd en niet gemotiveerd betwist. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 31.590, 30, te vermeerderen met het griffierecht van € 251,-- (zie punt 14 van de akte van 4 maart 2014), derhalve € 31.841,30 toewijsbaar, zodat incidentele grief 1 slaagt en het bestreden vonnis in zoverre zal worden vernietigd. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

17.

Ter zake van de in hoger beroep gemaakte kosten vordert Wegener een bedrag van € 167.825,38. Een overzicht van in totaal 27 declaraties/kostenspecificaties, is overgelegd bij de akte van 4 maart 2014. Innoweb betwist dat deze kosten voldoende zijn gespecificeerd en redelijke en evenredig zijn. De declaraties/kostenspecificaties en bij de declaraties behorende specificaties, waaruit het gevorderde bedrag is opgebouwd, zijn overgelegd als:

  • -

    productie 53 bij de akte van Wegener van 16 september 2010 (posten 1 tot en met 6 in het overzicht);

  • -

    bijlagen bij de akte van 2 augustus 2011 (posten 7 tot en met 10 in het overzicht);

  • -

    producties bij de akte van 4 maart 2014 (posten 10 tot en met 27 in het overzicht).

Het hof acht de kosten voldoende gespecificeerd. Dat niet in elke specificatie het uurtarief is genoemd doet daar in casu niet aan af nu uit de overige specificaties voldoende duidelijk is hoe hoog de gehanteerde verschillende uurtarieven zijn. De gevorderde kosten acht het hof ook overigens, de omvang en de inhoud van de zaak, alsmede de omstandigheid dat Innoweb een veel hoger bedrag vordert (€ 275.838,60 voor het hoger beroep) in aanmerking nemende, redelijk en evenredig. Het hof acht het gevorderde bedrag, te vermeerderen met het griffierecht van € 313,-- (zie punt 14 van de akte van 4 maart 2014), derhalve € 168.138,88 toewijsbaar.

Beslissing

Het hof:

in incidenteel hoger beroep

vernietigt het tussen partijen door de rechtbank Den Haag gewezen vonnis van 11 februari 2009, voor zover daarbij Innoweb is veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 1.090,80,

en in zoverre opnieuw rechtdoende,

veroordeelt Innoweb in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van Wegener begroot op € 31.841,30;

in principaal en (voorts) incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het tussen partijen door de rechtbank Den Haag gewezen vonnis van 11 februari 2009 voor het overige;

veroordeelt Innoweb in de kosten van de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Wegener begroot op € 168.138,88;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, M.Y Bonneur en E.F. Brinkman; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2014, in aanwezigheid van de griffier.