Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1487

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
13-12-2019
Zaaknummer
200.095.527-01T
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2014:2967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarden (CBW) onredelijk bezwarend, ambtshalve toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.095.527/01

Zaaknummer rechtbank : 368299/HA ZA 10-3611

arrest van 6 mei 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.H. Kuiper te Zoetermeer,

tegen

Brugman Keukens & Badkamers B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Brugman,

advocaat: mr. Ph. Ekering te Rotterdam.

Het geding

Voor het eerdere verloop van de procedure verwijst het hof naar zijn arrest van 6 december 2011. De in dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft op 16 februari 2012 plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Bij memorie van grieven tevens vermeerdering van eis heeft [appellant] zes grieven (waarvan twee genummerd IV) aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Brugman de grieven bestreden. [appellant] heeft een akte houdende overleggen producties genomen, waarop Brugman heeft gereageerd bij akte uitlaten producties.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

De door de rechtbank in het vonnis van 29 juni 2011 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

( i) Op 2 september 2007 is tussen partijen een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een badkamer met toebehoren (stoomcabine) voor een bedrag van € 25.764,-- inclusief btw. De stoomcabine zou op afroep worden geleverd.

(ii) Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de algemene voorwaarden van de Centrale Branchevereniging Wonen (hierna: de CBW voorwaarden), die op de achterzijde van de koopovereenkomst zijn afgedrukt. In artikel 12 lid 1 van deze voorwaarden is bepaald dat bij annulering van de overeenkomst door de afnemer deze een schadevergoeding verschuldigd is van 30 % van hetgeen de afnemer bij uitvoering van de koopovereenkomst had moeten betalen.

(iii) Op 12 januari 2008 heeft Brugman een afroepinformatiebrief aan [appellant] gestuurd.

(iv) Bij brief van 5 maart 2010 heeft Brugman aan [appellant] medegedeeld dat, indien hij de goederen niet wil afnemen, of reageert binnen de gevraagde termijn van veertien dagen, Brugman aanneemt dat hij de order niet meer wenst te ontvangen, in welk geval Brugman de annuleringsprocedure zal starten conform de CBW voorwaarden.

( v) Bij brief van 23 maart 2010 heeft Brugman de annuleringskosten van € 7.729,20 aan [appellant] in rekening gebracht.

(vi) [appellant] heeft deze kosten niet betaald.

3.

Brugman heeft, kort gezegd, gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van de hiervoor genoemde annuleringskosten met nevenvorderingen.

4.

De rechtbank heeft de gevorderde annuleringskosten en wettelijke rente toegewezen. [appellant] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.017,37 te vermeerderen met de wettelijke rente en met de proceskosten.

5.

[appellant] is in hoger beroep gekomen tegen deze veroordeling.

6.

Blijkens de toelichting op grief I legt [appellant] aan deze grief ten grondslag dat hij met Brugman heeft afgesproken dat de koopovereenkomst van rechtswege is ontbonden als zijn woning (aan [adres] in [plaatsnaam]) niet uiterlijk op 31 oktober 2007 is verkocht. De woning is volgens [appellant] aan de koper geleverd op 14 december 2007, zoals blijkt uit de notariële akte die is overgelegd bij akte overleggen producties. Voor zover de overeenkomst niet van rechtswege is ontbonden heeft [appellant] een beroep gedaan op de vervulling van de ontbindende voorwaarde. Hij is begin december 2007 met zijn echtgenote nogmaals in de winkel van Brugman is geweest. Hij heeft toen aan de verkoopster ([naam medewerkster]) medegedeeld dat de woning niet was verkocht en de koop dus verder niet doorging. Met deze mededeling heeft hij de tussen partijen overeengekomen ontbindende voorwaarde ingeroepen. De in de koopovereenkomst onder het kopje Speciale afspraken opgenomen handgeschreven tekst is na de ondertekening van de overeenkomst door Brugman toegevoegd en is een onjuiste weergave van hetgeen tussen partijen is afgesproken. Verder wijst [appellant] er op dat in de handgeschreven tekst in de datum is geknoeid. Dit blijkt uit het feit dat het cijfer 2 op een andere wijze staat weergegeven dan het cijfer 1. Volgens [appellant] bestaat de mogelijkheid dat oorspronkelijk sprake is geweest van vermelding van de datum van 1 december 2007 in plaats van 21 december 2007. Gezien de verkoopdatum van 2 september 2007 ligt het voor de hand dat een termijn van ongeveer drie maanden is gekozen door Brugman voor duidelijkheid over de verkoop van de woning.

7.

Brugman heeft betwist dat de door [appellant] gestelde afspraak is gemaakt. De in de koopovereenkomst onder het kopje Speciale afspraken opgenomen tekst is vóór de ondertekening van de overeenkomst toegevoegd. De datum van 21 december 2007 is niet later gewijzigd. Verder heeft Brugman aangevoerd dat uit de overgelegde notariële akte blijkt dat het transport heeft plaatsgevonden op 14 december 2007 maar dat de obligatoire koopovereenkomst (veel) eerder gesloten zal zijn dan de datum waarop [appellant] beweerdelijk een beroep heeft gedaan op de ontbindende voorwaarde.

8.

Naar het hof begrijpt heeft [appellant] bedoeld te betogen dat de ontbindende voorwaarde ziet op de datum van de eigendomsoverdracht van de woning. Dat dit het geval is volgt uit punt 9 van de conclusie van antwoord, waar is aangevoerd dat [appellant] met verkoop bedoelt de levering (en eigendomsoverdracht) aan de koper. Deze uitleg vindt ook steun in het handgeschreven voorbehoud op de koopovereenkomst waarop Brugman zich beroept. Daar staat vermeld passeren akte. Dit betekent dat het hof voor de beoordeling van de vraag of de ontbindende voorwaarde in vervulling is gegaan tot uitgangspunt zal nemen de datum waarop de levering (en eigendomsoverdracht) van de woning heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat het transport op 14 december 2007 heeft plaatsgevonden.

9.

Partijen verschillen van mening over de in de ontbindende voorwaarde overeengekomen uiterste datum van eigendomsoverdracht. Volgens [appellant] is tussen partijen een uiterste datum afgesproken van 31 oktober 2007. Subsidiair geldt volgens hem een uiterste datum van 1 december 2007. Brugman heeft deze stellingen gemotiveerd betwist en stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een datum van 21 december 2007 is afgesproken, zoals is vermeld in de Speciale afspraken. De bewijslast op dit punt rust op [appellant]. Het hof zal [appellant] toelaten tot deze bewijslevering.

10.

Grief II strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant] op verjaring van de vordering heeft afgewezen. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat op de voet van artikel 7:28 BW een verjaringstermijn geldt van twee jaar. Deze verjaringstermijn is volgens [appellant] gaan lopen in september 2007 (gelet op de verwijzing naar nummer 19 in de memorie van grieven gaat het hof er van uit dat begin december 2007 is bedoeld). [appellant] stelt dat hij toen met zijn echtgenote in de winkel is geweest en heeft medegedeeld dat hij de stoomcabine niet meer zou afnemen. Tijdens de begin december 2007 aangevangen verjaringstermijn van twee jaar heeft geen stuitingshandeling in de zin van artikel 3:316 BW plaatsgevonden. Brugman heeft deze grief bestreden. Naar het hof begrijpt stelt Brugman zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf de datum van de brief van 23 maart 2010, waarbij Brugman de annuleringskosten aan [appellant] in rekening heeft gebracht. Uit de stellingen van Brugman leidt het hof af dat Brugman betwist dat zij reeds begin december 2007 op de hoogte was van het feit dat [appellant] de stoomcabine niet zou afnemen. De bewijslast op dit punt rust op [appellant]. Ook op dit punt zal [appellant] worden toegelaten tot bewijslevering.

11.

Grief III strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] een redelijke kans is geboden om van de CBW voorwaarden kennis te nemen, nu [appellant] in de overeenkomst heeft verklaard de tekst van de voorwaarden te hebben ontvangen.

12.

In de toelichting op deze grief voert [appellant] aan dat hij de voorwaarden niet van Brugman heeft ontvangen en dat hij in de showroom geen exemplaar of kopie van de koopovereenkomst heeft meegekregen.

13.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat de opdrachtgever door middel van ondertekening (van de overeenkomst) verklaart de tekst van de voorwaarden te hebben ontvangen en dat die verklaring dwingend bewijs in de zin van artikel 157 lid 2 Rv oplevert. Hiertegen staat op de voet van artikel 151 Rv tegenbewijs open. [appellant] heeft in dit hoger beroep aangeboden te bewijzen dat hij de voorwaarden niet heeft ontvangen. [appellant] zal worden toegelaten tot het leveren van het door hem aangeboden tegenbewijs.

14.

Grief IV richt zich kort gezegd tegen de verwerping van het beroep van [appellant] op artikel 6:237 onder i BW. [appellant] voert ter toelichting aan dat het aan Brugman is om aan te tonen dat het in rekening gebrachte bedrag aan annuleringskosten een redelijke vergoeding is voor geleden verlies of gederfde winst. Volgens [appellant] heeft Brugman dat niet aangetoond. Brugman heeft slechts in het algemeen gesteld dat de annuleringskosten betrekking hebben op personeelskosten, winstderving, huisvestingskosten, advertentie- en reclamekosten, dekkingsbijdrage ect. en heeft niet aangegeven welk verlies of gederfde winst zij in dit concrete geval heeft geleden. [appellant] wijst er daarbij op dat Brugman niet meer werk heeft verricht dan het opstellen van de koopovereenkomst.

15.

De rechtbank heeft geoordeeld dat hoewel Brugman de door haar gestelde schade niet nader in concrete zin heeft gespecificeerd, voldoende aannemelijk moet worden geacht dat Brugman nodeloos kosten heeft gemaakt en winst heeft gederfd door het niet afnemen van de stoomcabine door [appellant]. Dat de schade in artikel 12 van de CBW voorwaarden is gefixeerd op een vast percentage van – in dit geval – 30 % van de koopsom komt de rechtbank niet onredelijk voor, mede in aanmerking genomen dat de algemene voorwaarden in samenwerking met de consumentenbond zijn opgesteld zodat er van mag worden uitgegaan dat de belangen van de Consument voldoende zijn gewaarborgd. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door Brugman ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde algemene toelichting ten aanzien van dit percentage. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. Het hof voegt hier nog aan toe dat uit de door Brugman overgelegde toelichting blijkt dat de bruto marge ter dekking van de vaste kosten 37,5% bedraagt. Deze marge dient ter dekking van de doorlopende vaste kosten die gelijkelijk drukken op alle verkopen. De marge winst en risicodekking bedraagt 3%. Indien de geplaatste order niet doorgaat wordt opbrengst gederfd. Het tijdstip van annuleren is niet relevant omdat de vaste kosten met het verstrijken van de tijd in beginsel niet hoger of lager worden. Volgens deze toelichting is het vorderen van een schadevergoeding van 30% van de koopprijs bij annulering alleszins redelijk en dekt deze slechts een gedeelte van de kosten. Deze gegevens zijn door [appellant] op zich zelf genomen niet weersproken. Anders dan [appellant] betoogt dienen ook de in de toelichting genoemde kosten bij de beoordeling van dit geschilpunt te worden betrokken en zijn niet uitsluitend de werkelijke (variabele) kosten die in verband met de specifieke koopovereenkomst zijn gemaakt relevant. Dit betekent dat grief IV geen doel treft. Het hof overweegt tot slot dat richtlijn conforme uitleg (Richtlijn 1993/13/EEG) van artikel 6:233 onder a BW niet tot een ander oordeel leidt. Naar het oordeel van het hof kan het beding in de gegeven omstandigheden niet worden aangemerkt als onredelijk bezwarend. Het hof neemt met name in aanmerking dat (voor zover hier al sprake is van een boete) deze, gelet op de hiervoor genoemde toelichting van Brugman, niet onevenredig hoog is. Verder geldt ook hier dat de voorwaarde niet (geheel) eenzijdig door Brugman is vastgesteld maar tot stand is gekomen in samenwerking met de Consumentenbond.

16.

Grief IV (2) richt zich tegen artikel 12 lid 2 van de CBW voorwaarden. In dit artikel is bepaald dat de afnemer aannemelijk moet maken dat de schade kleiner is dan de in lid 1 bedoelde percentages. Gelet op het voorgaande behoeft deze grief verder geen bespreking.

17.

Grief V strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant] op artikel 6:248 lid 2 BW heeft afgewezen.

18.

Ook deze grief treft geen doel. Anders dan [appellant] betoogt heeft Brugman haar rechten met betrekking tot de annuleringsregeling niet verwerkt doordat zij bijna drie jaar heeft gewacht met het zenden van de brief van 15 maart 2010. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] hierdoor is geschaad in zijn (verdedigings)belangen. Het hof overweegt voorts dat de stelling dat Brugman geen telefonisch contact heeft proberen op te nemen met [appellant] niet betekent dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Brugman betaling vordert van de overeengekomen schadevergoeding bij annulering van de overeenkomst.

19.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

  • -

    laat [appellant] tot het leveren van het (tegen)bewijs van de in r.o. 9, 10 en 13 weergegeven stellingen;

  • -

    bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.J.M.E. Arpeau op donderdag 19 juni 2014 om 13.30 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juni tot en met oktober van 2014, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, M.M. Olthof en P.M. Verbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.