Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1486

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.107.807-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stuiting van verjaring vordering door erkenning? Geen sprake van erkenning als betaling zijn gedaan door inhoudingen op een uitkering na executoriaal derdenbeslag onder UWV-Gak Art. 3:318 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.107.807/01

Zaaknummer rechtbank : 1107026/ 11-28927

arrest d.d. 6 mei 2014

inzake

Laser Nederland B.V.,

voorheen handelende onder de naam PrimeLine Services B.V.,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

appellante,

hierna te noemen: Laser,

advocaat: mr. J.A. Trimbach te De Meern,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Verspaandonk te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot 17 juli 2012 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Ingevolge dat arrest heeft op 18 oktober 2012 een comparitie van partijen plaats gevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin genoemde stukken bevindt zich in afschrift bij de processtukken.

1.2 Bij memorie van grieven heeft Laser onder overlegging van een aantal producties twee grieven aangevoerd en toegelicht, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord onder overlegging van een aantal producties zijn bestreden.

1.3 Vervolgens hebben partijen op 30 september 2013 de zaak doen bepleiten door hun procesadvocaten, aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.4 Daarna heeft [geïntimeerde] bij akte een productie in het geding gebracht, waarop Laser bij akte uitlating heeft gereageerd.

1.5 Ten slotte zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

a. De rechtsvoorgangster van Laser, PrimeLine Services B.V. (hierna: Primeline), heeft op 2 december 1997 met [geïntimeerde] een kredietovereenkomst gesloten met een looptijd van 15 jaar. De overeenkomst bestond uit een lening van fl. 20.000,- (€ 9.075,60), waarvoor hij een kredietvergoeding moest betalen van 0,66% per maand, een Spaar Garant Verzekering ter aflossing van de lening, waarvoor een premie werd betaald van fl. 97,- (€ 44,02) per maand en het ter beschikking krijgen van een creditkaart (de primelinecard). Bij de kredietovereenkomst behoorde het Primeline Protectie Plan (hierna:PPP), waarmee [geïntimeerde] zich verzekerde tegen onder meer het risico van overlijden van hemzelf en zijn toenmalige vrouw. [geïntimeerde] vrouw is op 26 juni 2002 overleden.

b. Met het bij het sluiten van de kredietovereenkomst ter beschikking gestelde bedrag is een aantal oudere leningen van [geïntimeerde] afgelost.

c. Laser heeft [geïntimeerde] in 2004 gedagvaard en betaling van een bedrag van € 5.000,- gevorderd. De vordering had betrekking op de hiervoor genoemde kredietovereenkomst. De vordering is door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton - locatie 's-Gravenhage toegewezen bij verstekvonnis van 13 mei 2004 (hierna: de eerste procedure).

3.

In de onderhavige (tweede) procedure vordert Laser aan hoofdsom een bedrag van

€ 5.113,90, te vermeerderen met € 434,08 aan vertragingsrente. Zij stelt daartoe dat een gedeelte van de kredietovereenkomst niet is afgelost. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat Laser haar vordering onvoldoende had geadstrueerd doordat zij eerst bij de comparitie in eerste aanleg heeft uiteengezet uit welke elementen de kredietovereenkomst is opgebouwd en dat onvoldoende met stukken heeft geadstrueerd.

4.

De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het vonnis en de motivering daarvan. Laser heeft in hoger beroep haar vordering met meer bewijsstukken onderbouwd. Zij stelt nu dat de verstrekking van het krediet van fl. 20.000,- heeft plaatsgevonden door betaling van een bedrag van fl. 4.401,02 aan Finata Bank, een bedrag van fl. 348,25 aan Legio Lease, een bedrag van fl. 1.953,- aan Skala. Het resterende bedrag van fl. 13.297,73 is op 5 januari 1998 overgemaakt aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft volgens Laser diverse aankopen met de primelinekaart gefinancierd en meerdere malen geld opgenomen. [geïntimeerde] is gedurende tenminste twee maanden in gebreke gebleven om de maandtermijnen te voldoen, waardoor het gehele bedrag opeisbaar werd. Op 4 mei 2004 bedroeg het openstaande saldo volgens Laser een bedrag van € 11.041,40. Zij heeft Laser gedagvaard voor de sector kanton van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarbij zij de vordering tot een bedrag van € 5.000,- heeft beperkt. De vordering is bij verstek toegewezen en door [geïntimeerde] voldaan middels executoriaal derdenbeslag onder het UWV Gak. In de onderhavige procedure vordert Laser voldoening van het restant.

5.

[geïntimeerde] voert tegen de vordering een aantal verweren aan. Het meest vergaande verweer is dat de vordering is verjaard. [geïntimeerde] stelt dat er na het uitbrengen van de dagvaarding in april/mei 2004 geen sprake is geweest van een stuitingshandeling. In juni 2010 heeft Laser voor het eerst aanspraak gemaakt op betaling van het nog openstaande bedrag. Toen was de vordering volgens [geïntimeerde] al verjaard.

Laser heeft dit verweer bestreden met een beroep op erkenning in de zin van art. 3:318 BW, doordat [geïntimeerde] vanaf het vonnis in 2004 tot 18 augustus 2010 betalingen heeft verricht.

6.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de vordering tot betaling van € 5.000,- waartoe Laser zich in de eerste procedure heeft beperkt niet los kan worden gezien van de vordering waarvan Laser thans betaling vordert, omdat door een veroordelend vonnis voor een gedeelte van de vordering de materiële rechtsverhouding niet verandert en er dus geen sprake is van twee verschillende vorderingen (aldus HR 23 september 2011, LJN BQ8449). De vraag die resteert is of [geïntimeerde] de vordering heeft erkend door de van 2004 tot 2010 gedane betalingen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een erkenning. Onder erkenning wordt verstaan elke handeling of gedraging van de schuldenaar jegens de schuldeiser waaruit blijkt dat hij de schuld erkent. Laser heeft gesteld (memorie van grieven onder 12) dat het vonnis in de eerdere procedure aan [geïntimeerde] is betekend en dat [geïntimeerde] bevel is gedaan om binnen twee dagen aan de inhoud van het vonnis te voldoen, dat [geïntimeerde] aan dat bevel geen gehoor heeft gegeven, waarna executoriaal derdenbeslag is gelegd onder het UWV Gak en dat [geïntimeerde] in het kader van die executie, middels inhoudingen op zijn uitkering, aan de inhoud van het vonnis heeft voldaan en totaal een bedrag van € 9.953,32 heeft betaald. Het hof is van oordeel dat de door de deurwaarder na het leggen van derdenbeslag ten laste van [geïntimeerde] onder het UWV Gak bij die instantie geïnde gelden niet als erkenning kunnen gelden. Het betreft geen handeling van de schuldenaar zelf, zij is zonder zonder zijn instemming verricht en zij is ook niet gericht tot de schuldeiser. Andere gronden voor stuiting zijn door Laser niet aangevoerd. Zij heeft bij het pleidooi in hoger beroep verklaard dat zij na de dagvaarding en het verstekvonnis in 2004 geen aanmaningen kan produceren, zodat het ervoor wordt gehouden dat die er niet zijn.

7.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring slaagt. De grieven behoeven verder geen behandeling, omdat zij niet tot een ander gevolg kunnen leiden.

Slotsom

8.

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld. Het vonnis waarvan beroep zal, met wijziging van de gronden, worden bekrachtigd en Laser zal als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage van 22 december 2011 onder wijziging van de gronden;

- veroordeelt Laser in de proceskosten in het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.896,00 aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Olthof, P.M. Verbeek en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.