Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1456

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
200.133.248/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401, geldigheid: 2014-09-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak: 30 april 2014

Zaaknummer : 200.133.248/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-6323

Zaaknummer rechtbank : C/09/425826

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne te Den Haag,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Schoneveld te Haarlem.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 september 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 juni 2013 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 18 november 2013 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 3 oktober 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 18 oktober 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 1 november 2013 een brief van 31 oktober 2013 met bijlage;

van de zijde van de vrouw:

- op 30 januari 2014 een V-formulier van 29 januari 2014 diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 6 maart 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden

beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 23 februari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage – de door de man met ingang van 22 augustus 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te[geboorteplaats], bepaald op € 235,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het anders of meer verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1.

In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook kinderalimentatie.

2.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door de man verschuldigde kinderalimentatie met ingang van 13 augustus 2009 vast te stellen op nihil, subsidiair op het bedrag aan kinderalimentatie voor de diverse jaren zoals dat per jaar volgt uit de overgelegde alimentatieberekeningen, kosten rechtens.

3.

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man in eerste aanleg af te wijzen althans een hogere bijdrage vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

Onjuiste of onvolledige gegevens

4.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank in haar beschikking van 23 februari 2010 – zijnde de beschikking in de procedure die heeft geleid tot een eerste vaststelling van de kinderalimentatie, waarvan de man thans wijziging verzoekt – is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, zal het hof de kinderalimentatie ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW opnieuw beoordelen.

Ingangsdatum

6.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte 22 augustus 2012 als ingangsdatum heeft gehanteerd. De man voert daartoe aan dat de vrouw rekening had kunnen en moeten houden met een eerdere ingangsdatum, nu hij in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 23 februari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage geen verweer heeft gevoerd en de vrouw op de hoogte was van zijn financiële situatie.

7.

Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de man gelegen zich tijdig tot de rechter te wenden teneinde wijziging van de door hem te betalen kinderalimentatie te verzoeken. De man heeft dat nagelaten en zijn wijzigingsverzoek pas op 22 augustus 2012 bij de rechtbank ingediend. Gelet daarop is het hof van oordeel dat deze omstandigheid voor zijn rekening en risico komt. Bovendien neemt het hof in aanmerking dat de man de afgelopen jaren – via loonbeslag – wel een deel van de door hem verschuldigde kinderalimentatie heeft betaald. Een eerdere ingangsdatum zou derhalve ingrijpende financiële gevolgen hebben voor de vrouw, die als alleenstaande moeder de zorg heeft voor drie minderjarige kinderen.

8.

Gelet op het voorgaande acht het hof het evenals de rechtbank redelijk om de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatie vast te stellen op 22 augustus 2012, zijnde de datum van indiening van het wijzigingsverzoek, nu de vrouw vanaf deze datum pas rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de alimentatieverplichting.

Behoefte van de minderjarige

9.

Het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige van € 357,74 (geïndexeerd naar 2012) per maand staat als niet bestreden vast. Nu de vrouw wordt geacht in het resterende gedeelte van de behoefte te voorzien, zal het hof – evenals de rechtbank – de draagkracht van de vrouw buiten beschouwing laten.

Draagkracht van de man

10.

De man stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om enige bijdrage voor de minderjarige te voldoen. Hij voert daartoe aan dat hij schulden heeft en dat er verschillende executoriale beslagen zijn gelegd.

11.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

Inkomen

12.

Het hof gaat – evenals de rechtbank – voor berekening van de draagkracht van de man uit van een inkomen van € 1.979,- per maand (inclusief vakantiegeld), hetgeen volgt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2012 van [werkgever] De stelling van de vrouw, dat de man in staat is een inkomen tot op het niveau van 2009 te genereren of dat de man extra inkomen geniet, wordt – nu de vrouw haar door de man gemotiveerd betwiste stellingen niet nader heeft onderbouwd – door het hof gepasseerd. Daarnaast houdt het hof rekening met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zorgverzekering van € 1.573,- per jaar, alsmede met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

Lasten

13.

Voorts zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een ziektekostenpremie (CVZ) van € 154,- per maand en een huur van € 350,- per maand, omdat de man deze lasten voldoende heeft onderbouwd.

14.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht aan de zijde van de man geen rekening houden met de door de hem gestelde schulden, aangezien hij geen (recent) overzicht heeft overgelegd van zijn schulden, de door hem gedane aflossingen en het restantbedrag van de schulden. Daarnaast is de noodzaak voor het aangaan van de schulden niet duidelijk geworden. Weliswaar is gebleken dat via loonbeslag ten laste van de man betalingen zijn ingehouden maar dit is onder meer gebeurd ten behoeve van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen in verband met achterstallige alimentatie. In hoeverre het loonbeslag ziet op de schuld aan het LBIO, is door de man echter niet inzichtelijk gemaakt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet zo kan zijn dat het niet betalen van kinderalimentatie leidt tot een schuld waarmee bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening moet worden gehouden. Nu niet inzichtelijk is welk deel van het loonbeslag ziet op achterstallige alimentatie en welk deel ziet op de overige schulden, beschikt het hof over onvoldoende gegevens om te kunnen bepalen in hoeverre met de betalingen die via het loonbeslag plaatsvinden, rekening dient te worden gehouden. Het had op de weg van de man gelegen dit inzichtelijk te maken nu hij stelt dat zijn gebrek aan draagkracht niet het gevolg is van beslagleggingen door het LBIO, maar van beslaglegging in verband met andere schulden. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, zal het hof met de betalingen die uit hoofde van het loonbeslag plaats vinden, geen rekening houden.

15.

Tot slot houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

16.

Uit het voorgaande volgt dat de man, inclusief het fiscaal voordeel dat hij zal genieten, een draagkracht heeft van € 235,- per maand. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

Proceskosten

17.

Het hof ziet geen aanleiding om – zoals de man heeft verzocht – de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

18.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Stollenwerck en Sutorius-van Hees, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2014.