Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1405

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
200.126.940.01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:1525
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

ontheffing van gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 april 2014

Zaaknummer : 200.126.940/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-8511

Zaaknummer rechtbank : 430925

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.B. Brouwer te Den Haag,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

Als degene wiens/wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

1.

De Stichting MEE Zuid-Holland Noord,

hierna te noemen: de Stichting MEE,

2.

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg te Den Haag,

hierna te noemen: de WSS.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 31 juli 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij die beschikking is - voor zover thans van belang - bepaald dat de moeder er voor dient te zorgen dat via de Stichting MEE schriftelijk antwoord volgt op de door het hof in die beschikking gestelde vragen. Voorts is de WSS verzocht via de stichting Jeugdformaat te Voorburg een onderzoek in te stellen, waarbij gekeken wordt naar de interactie tussen de moeder en de minderjarige. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden tot 28 december 2013 pro forma.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 24 december 2013 een brief van 20 december 2013 met bijlage,

van de zijde van de raad:

- op 24 september 2013 een brief van 19 september 2013 diezelfde datum zonder bijlage.

Bij het hof is voorts ingekomen:

  • -

    van de zijde van stichting MEE op 16 augustus 2013 een brief van 12 augustus 2013 met bijlagen,

  • -

    van de zijde van de WSS op 17 december 2013 een brief van 16 december 2013 met bijlagen.

De behandeling van de zaak is op 19 maart 2014 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw E. Segaar namens de raad;

  • -

    mevrouw D. van de Wetering namens de Stichting MEE;

  • -

    mevrouw L.E. Vooijs namens de WSS.

Voorts is aan de zijde van de moeder verschenen de heer Froam (Stichting Humanitas), begeleider/ contactpersoon van de moeder.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarige.

2.

Blijkens het (eerstelijns) onderzoek van de Stichting MEE, uitgevoerd op 20 en 24 september 2013, is er bij de moeder sprake van duidelijke sterke en minder sterke kanten in het cognitief functioneren. In de praktijk betekent dit dat de moeder op meerdere gebieden beperkingen ervaart en dat zij moeite heeft om de wereld om zich heen te begrijpen. Zij beschikt over een concreet denk- en leerniveau gericht op het heden, kan beperkt informatie opnemen en vasthouden en vindt het moeilijk om naar haar eigen handelen te kijken en hiervan de consequenties te kunnen overzien. Zij heeft een beperkt inlevingsvermogen. Haar cognitief functioneren speelt een belangrijke (beperkende) rol in wat zij kan leren en overzien. De Stichting MEE stelt verder dat de moeder in het onderzoek naar voren komt als een zeer liefdevolle en betrokken moeder die niets liever wil dan voor haar kinderen zorgen. Zij meent dat zij dit als de beste kan. Het gebrek aan inzicht in haar eigen (on)mogelijkheden, de problemen en het ontstaan daarvan beperken haar oplossingsgerichte vaardigheden. Voor het overzicht en inzicht in hoe te handelen is zij voor een groot deel afhankelijk van begeleiding. De onderzoeker constateert dat de moeder zich zeer (pro)actief opstelt in het hulpverleningstraject. Zij houdt zich goed aan de afspraken die zij ook begrijpt. De afspraken die meer inzicht vragen worden door haar minder goed nageleefd en roepen bij haar veel frustratie en spanning op. De onderzoeker is er van overtuigd dat er bij de moeder geen sprake is van onwil maar van onkunde.

3.

De WSS deelt in haar brief van 16 december 2013 aan het hof mee dat zowel de Stichting Jeugdformaat als de Opvoedpoli het door het hof verzochte onderzoek niet hebben kunnen uitvoeren, gezien de verstandelijke beperking van zowel de moeder als de minderjarige. Voor wat betreft de ontwikkelingen in de afgelopen periode stelt de WSS dat de moeder veel van haar kinderen houdt en erg haar best doet haar leven weer op orde te brengen. Feit is evenwel, dat de minderjarige inmiddels meer dan drie jaar uit huis is geplaatst en dat het de moeder nu pas lukt de hulpverlening te accepteren en te werken aan praktische problemen. Feit is ook dat de minderjarige, mede gezien haar verstandelijke beperking, begeleiding en stimulans nodig heeft om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen. Volgens de WSS kan de moeder zich, gezien haar verstandelijke beperking, onvoldoende inleven in de minderjarige. De moeder handelt vaak vanuit haar eigen belang en schaadt daarmee het belang van de minderjarige. De bezoekregeling is uitgebreid. De minderjarige gaat geregeld logeren bij de moeder en tijdens de feestdagen en vakantie is dit ook voor een langere periode. De bezoeken en logeerpartijen verlopen goed en de minderjarige heeft het naar haar zin bij de moeder.

4.

De moeder heeft ter zitting - kort samengevat - aangevoerd dat zij zich blijft verzetten tegen het verzoek tot ontheffing. Zij acht zich in staat om de minderjarige met de benodigde hulp en begeleiding (voor haarzelf en voor de minderjarige) binnen een korte periode weer thuis te kunnen opvoeden en te verzorgen. Verder acht zij het van belang dat alsnog onderzoek wordt gedaan naar de vragen die het hof in de beschikking van 31 juli 2013 heeft gesteld.

5.

De raad blijft bij haar standpunt dat de moeder ongeschikt en onmachtig is de minderjarige op te voeden en te verzorgen. Er zijn wellicht geen concrete antwoorden gekomen op de door het hof gestelde onderzoeksvragen, maar het beeld is duidelijk. De moeder is - ondanks haar goede wil - door haar verstandelijke beperking niet in staat om naast het onderhouden van de praktische zaken ook de zorg voor de minderjarige, die ook met een beperking kampt, op zich te nemen.

6.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 van het BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige af te wenden.

7.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist dat de moeder onmachtig is de minderjarige op te voeden. Het hof neemt genoemde gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt in aanvulling daarop nog dat de door het hof in de beschikking van 13 juli 2013 gestelde onderzoeksvragen weliswaar niet volledig zijn beantwoord, doch het hof heeft voldoende informatie en nader inzicht verkregen teneinde een beslissing te kunnen nemen. De minderjarige is twaalf jaar en staat sinds 20 januari 2008 onder toezicht en is sinds 20 oktober 2010 uit huis geplaatst. Zij verblijft sinds april 2011 bij
’s Heeren Loo in Monster, alwaar zij een positieve ontwikkeling doormaakt. In de afgelopen jaren is gebleken dat de langdurige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Uit de onderzoeken van de Stichting Mee en de WSS en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder vanwege haar verstandelijke beperking onvoldoende in staat om voor de minderjarige, die specifieke behoeften heeft, te zorgen. Er is geen perspectief op terugplaatsing. Hierdoor zal het uiteindelijke doel van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, namelijk terugplaatsing bij de moeder, niet worden behaald. Het hof deelt de zorgen van de raad en de WSS. Gebleken is dat de moeder liefdevol is en veel leert met betrekking tot opvoedingsvaardigheden, maar hetgeen zij heeft geleerd, beklijft niet, althans onvoldoende om de minderjarige, die extra zorg behoeft, op te voeden en te verzorgen. Het hof acht het risico te groot dat de moeder de opvoeding en verzorging van de minderjarige niet aan kan, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. Verder zal een ontheffing de minderjarige duidelijkheid verschaffen over het toekomstperspectief van de minderjarige dat niet bij de moeder ligt, en tevens recht doen aan de feitelijke situatie. De minderjarige heeft belang bij duidelijkheid omtrent haar perspectief. In een geval als het onderhavige zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet voldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden en is een ontheffing van het gezag noodzakelijk. Het belang van de minderjarige verzet zich daar naar het oordeel van het hof niet tegen.

8.

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten, zoals door de moeder betoogd.

9.

Uit het voorgaande volgt dat de wettelijke gronden voor de ontheffing van het gezag van de moeder over het kind aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Hetgeen de moeder overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

10.

Het hof wenst nog op te merken dat de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige niet tot gevolg zal hebben dat er geen contacten meer tussen de moeder en de minderjarige zullen plaatsvinden. De moeder zal immers altijd de moeder van de minderjarige blijven en de moeder zal altijd een rol van betekenis in het leven van de minderjarige kunnen blijven vervullen.

11.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of ander verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Sutorius-van Hees en Burgerhart, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2014.