Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1376

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
200.086.526-02
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1200, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom; auteursrecht; Tripp trapp stoel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.086.526/02

Zaak-/rolnummer rechtbank : 312914 / HA ZA 08-1897

Arrest d.d. 29 april 2014

inzake

de vennootschap naar Duits recht FIRMA HAUCK GmbH & CO. KG,

gevestigd te Sonnefeld, Duitsland,

appellante,

hierna te noemen: Hauck,

advocaat: mr D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

1.

de vennootschap naar Noors recht STOKKE A.S.,

gevestigd te Skodje, Noorwegen,

2.

de vennootschap naar Noors recht PETER OPSVIK A.S.,

gevestigd te Oslo, Noorwegen,

3.

Peter OPSVIK,

wonende te Oslo, Noorwegen,

4.

STOKKE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: Stokke (in enkelvoud),

advocaat: mr. T. Cohen Jehoram te Amsterdam.

Het verloop van het geding

Bij exploten van 21 maart 2011 is Hauck in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2010. Bij memorie van grieven (hierna: MvG) heeft Hauck twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd die door Stokke zijn bestreden bij memorie van antwoord (MvA).

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 6 maart 2014, Hauck door mrs. S.A. Klos en S.A. Hoogcarspel, advocaten te Amsterdam, en Stokke door hun advocaat en diens kantoorgenote mr. S.C. Brinkhuis. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel, de pleitnota’s in de eerste aanleg zullen worden aangeduid als: PE). Met het oog op het pleidooi hebben partijen nog een aantal producties naar het hof en de wederpartij gestuurd, te weten:

- ingekomen bij het hof op 19 februari 2014: de producties 17 t/m 23 van Hauck;

- ingekomen bij het hof op 20 februari 2014: de producties 27 t/m 32 van Stokke.

Tegen de overlegging van deze stukken is – terecht – geen bezwaar gemaakt, zodat zij deel uitmaken van de processtukken. Ter zitting zijn exemplaren van de Tripp Trapp stoel en de New Alpha stoel en een grote foto van twee stoelen (volgens het opschrift daarbij: de Bambino) aan het hof ter beschikking gesteld met het oog op het maken van het arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1.

Het hof neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

a. Peter Opsvik (geïntimeerde sub 3) heeft de zogenoemde ‘Tripp Trapp’-kinderstoel (hierna: de Tripp Trapp) ontworpen en de rechten op dit ontwerp ingebracht in Peter Opsvik A.S. (geïntimeerde sub 2). Stokke A.S. (geïntimeerde sub 1) brengt sinds 1972 – met toestemming van Peter Opsvik (A.S.) – de Tripp Trapp op de markt. De verkoop van Stokke-producten geschiedt in Nederland door Stokke Nederland B.V. (geïntimeerde sub 4). Een uitvoering van de Tripp Trapp ziet er als volgt uit:

b. Hauck brengt in onder meer Nederland een kinderstoel op de markt onder de naam Alpha (hierna: ‘New Alpha’). Deze stoel ziet er als volgt uit.

Stokke heeft een aantal afnemers van Hauck sommatiebrieven gestuurd strekkende

tot staking van de verkoop van de New Alpha.

c. Op 30 juni 2009 heeft dit hof een tussenarrest gewezen in de zaak tussen Stokke enerzijds en Fikszo B.V. en H3 Products B.V. anderzijds (hierna kortweg: Stokke-Fikszo), waarin het ging om de vraag of de door Fikszo geproduceerde en door H3 geïmporteerde Bambino kinderstoel inbreuk maakt op het auteursrecht van Stokke op de Tripp Trapp. De in dat tussenarrest afgebeelde Bambino ziet er als volgt uit.

In voormeld tussenarrest van dit hof in de zaak Stokke-Fikszo (hierna: Stokke-Fikszo Hof TA) is onder meer het volgende overwogen.

4. Het hof stelt voorop dat van een verveelvoudiging in de zin van art. 13 Aw. sprake is indien een voldoende mate van overeenstemming bestaat tussen het auteursrechtelijk beschermde werk en het beweerdelijk inbreukmakende werk; daartoe moet worden beoordeeld of het beweerdelijk inbreukmakende werk de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, zodanig dat de totaalindrukken overeenkomen. (…).

(…)

9.

Het hof beschouwt (overeenkomstig hetgeen Stokke c.s stellen bij conclusie van repliek onder 20, voorlaatste zin) in het bijzonder als oorspronkelijk aan de Tripp Trapp de schuine staanders waarin alle elementen van de kinderstoel – de rugleuning, de zitting en de voetenplank – zijn verwerkt. De rugleuning, de zitting en de voetenplank, die aan weerszijden aan de staanders vast (rugleuning), dan wel verstelbaar (zitting en voetenplank), zijn verbonden, worden aldus ‘gedragen’ door de twee schuine staanders. Het effect daarvan is dat het zijaanzicht wordt bepaald door de achterover hellende staanders met de aan weerszijden van de staanders in horizontale richting uitstekende vlakken van de zitting en de voetenplank; de rugleuning is van opzij gezien nauwelijks zichtbaar. Hierdoor krijgt de Tripp Trapp een strak, ‘geometrisch’ uiterlijk. Van de voorkant gezien valt eveneens het strakke lijnenspel, gevormd door de (louter) verticale en horizontale elementen, op.

10.

Daarnaast, en daarvan te onderscheiden, acht het hof karakteristiek voor de Tripp Trapp de L-vorm, die ontstaat door de combinatie van de schuine staanders met de horizontale liggers. Hierdoor ontstaat het ‘zwevende’ effect. (…).

11.

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de schuine stand van de staanders niet louter technisch is bepaald, waarmee bedoeld wordt dat die schuine stand inherent is aan de toepassing van het sleuvensysteem bij een in hoogte verstelbare kinderstoel. (…).

Naar het oordeel van het hof waren dus andere uitvoeringsvormen met toepassing van dezelfde techniek mogelijk. De maker van de Tripp Trapp heeft gekozen voor een uitvoeringsvorm waarbij alle elementen van de kinderstoel in de staanders zijn verwerkt en wel zodanig dat deze elementen, van opzij bezien, zoveel mogelijk ‘wegvallen’ tegen de staanders. Aan dit oordeel doet niet af dat de hoek tussen de staanders en de liggers van de Tripp Trapp mede wordt bepaald door de anatomie van de mens (het kind) en voorts door praktische en technische voorwaarden, zoals de lengte van de liggers en de staanders en de stabiliteit van de stoel.

(…)

13.

Naar het oordeel van het hof heeft de Tripp Trapp dus twee afzonderlijke auteursrechtelijk beschermde trekken: de schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt en de L-vorm van de staanders en de liggers. Het door Fikzo c.s. ingenomen standpunt dat de auteursrechtelijke beschermingsomvang uitsluitend wordt bepaald door de L-vorm, wordt dus als te beperkt verworpen.

(…).

15.

Het hof is in het licht van het voorgaande van oordeel dat de Bambino in ieder geval één van de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp vertoont: de schuine staanders waarin rugleuning, zitting en voetenplank zijn verwerkt, zodanig dat van opzij gezien deze elementen wegvallen tegen de achterwaarts hellende staanders. De L-vorm van de staanders en de liggers van de Tripp Trapp, is in de Bambino als zodanig niet aanwezig. Van opzij gezien vormen de staander tezamen met de dwarsbalk de contouren van een A. Het ‘zwevende’ effect ontbreekt dan ook bij de Bambino. Dit neemt niet weg dat in het zijaanzicht van de Bambino, als onderdeel van de A-vorm, tevens de L-vorm ligt besloten, hetgeen wordt benadrukt door de keuze de dwarsbalk vrij laag (op ongeveer 9 cm afstand van de vloer) te plaatsen. De vraag rijst welke gevolgen dit heeft voor de totaalindrukken van beide kinderstoelen. In dit verband acht het hof het volgende van belang.

16. (…).

Naar het oordeel van het hof, en anders dan de rechtbank, is dan ook sprake van revolutionair ontwerp met een hoge mate van oorspronkelijkheid en een nieuwe visie op het tot dan toe bestaande concept van een kinderstoel. Daarbij past een ruime beschermingsomvang. In een geval als het onderhavige, waarin in een werk twee auteursrechtelijk beschermde trekken kunnen worden onderscheiden, terwijl voorts moeten worden uitgegaan van een ruime beschermingsomvang, kan niet worden aanvaard dat het overnemen van slechts één van die trekken zou meebrengen dat van auteursrechtinbreuk geen sprake kan zijn.

17.

Het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat Bambino met zijn schuine staanders, waarin de rugleuning, zitting en voetenplank zijn verwerkt, in combinatie met de A-vorm van het onderstel, waarin de L-vorm van de staanders en liggers van de Tripp Trapp ligt besloten, van opzij gezien in voldoende mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp vertoont, terwijl het vooraanzicht van beide stoelen alleen hierin verschilt dat bij de Bambino de dwarsbalk tussen de liggers ontbreekt. Een en ander leidt ertoe dat, ook al verschillen de totaalindrukken doordat de L-vorm van staander en ligger in de Bambino niet aanwezig is, de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de Bambino maken te weinig verschillen voor het oordeel dat de Bambino als een nieuw en oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt. (…).

Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Bambino inbreuk maakt op het auteursrecht op de Tripp Trapp. In het eindarrest van 5 oktober 2010 heeft het hof geoordeeld dat in twee andere stoelen van Fikszo – de Yasmine en de Thomas – de auteursrechtelijke trekken van de Tripp Trapp niet zodanig aanwezig zijn dat de totaalindrukken van deze stoelen overeenkomen met de totaalindruk van de Tripp Trapp, zodat met deze stoelen geen inbreuk op het auteursrecht op de Tripp Trapp wordt gemaakt.

d. Bij arrest van 12 april 2013 (LJN: BY1532) heeft de Hoge Raad (HR) in de zaak Stokke-Fikszo zowel het principale cassatieberoep van Stokke als het incidentele cassatieberoep van Fikszo verworpen. In het principale beroep heeft de HR onder meer het volgende overwogen.

(…) Zoals volgt uit het hiervoor in 4.1 onder (e) overwogene, zijn bij de vergelijking van de totaalindrukken de auteursrechtelijke beschermde trekken of elementen van het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk – in voorkomend geval: met inbegrip van onbeschermde elementen, voor zover de combinatie van al deze elementen in het beweerdelijk nagebootste werk aan de “werktoets” beantwoordt – bepalend. Daaraan doet niet af dat bij de bepaling van de totaalindruk die een gebruiksvoorwerp maakt, de niet auteursrechtelijke trekken niet kunnen worden weggedacht. Zij behoren evenwel, afgezien van het zojuist bedoelde geval van een oorspronkelijke combinatie, bij de overeenstemmingsvraag geen rol te spelen’. (rov. 5.1.1)

e. Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven overwegingen 9, 10, 11 (deels), 13 en 16 uit Stokke-Fikszo Hof TA heeft dit hof in een (eerdere) zaak tussen Stokke en Hauck (hierna: Stokke-Hauck I) bij arrest van 31 mei 2011 geoordeeld dat de Alpha-stoel van Hauck – de voorganger van de thans aan de orde zijnde ‘New Alpha’ – onder de beschermingsomvang van het auteursrecht op de Tripp Trapp valt. Bij arrest van – eveneens – 12 april 2013 (LJN: BY1533) heeft de HR wat het auteursrecht betreft zowel het principale cassatieberoep van Hauck als het incidentele cassatieberoep van Stokke tegen de arresten van dit hof in Stokke-Hauck I verworpen.

De vorderingen over en weer en het eindvonnis van de rechtbank

2.1

Hauck heeft in deze procedure – Stokke-Hauck II – gevorderd in conventie:

A. een verklaring voor recht dat de New Alpha geen inbreuk maakt op de auteursrechten van Stokke ten aanzien van de Tripp Trapp en dat de productie en/of verhandeling van de New Alpha niet anderszins onrechtmatig is jegens Stokke;

B. een bevel aan Stokke om zich te onthouden van mededelingen jegens derden dat de New Alpha inbreuk maakt op de auteursrechten van Stokke dan wel dat de productie en/of verhandeling daarvan anderszins onrechtmatig jegens Stokke zou zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

C. hoofdelijke veroordeling van Stokke tot schadevergoeding, op te maken bij staat,

met hoofdelijke veroordeling van Stokke in proceskosten, te begroten op basis van

artikel 1019h Rv.

2.2

Stokke heeft in reconventie gevorderd, kort gezegd, een bevel aan Hauck om (de (directe of indirecte) inbreuk op de auteursrechten op de Tripp Trapp in Nederland te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door Hauck te verbieden de New Alpha stoel te verveelvoudigen of openbaar te maken, met nevenvorderingen en schadevergoeding op te maken bij staat/winstafdracht.

2.3

In haar eindvonnis van 22 december 2010 (hierna kortweg: het eindvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Hauck in conventie afgewezen en de vorderingen van Stokke in reconventie grotendeels toegewezen, met veroordeling van Hauck in de ‘1019h Rv’-kosten in beide procedures. Daartoe heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de overwegingen 9 t/m 13 en 15 t/m 17 van Stokke-Fikszo Hof TA – overwogen dat evenals de in dat arrest aan de orde zijnde Bambino, de New Alpha in elk geval één van de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp vertoont, namelijk de schuine staander waarin de rugleuning, zitting en voetenplank zijn verwerkt, en dat dit al leidt tot auteursrechtinbreuk omdat de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de New Alpha maken te weinig verschillen.

Het hoger beroep; inleidende opmerkingen

3.1

Van het eindvonnis is Hauck tijdig in hoger beroep gekomen onder aanvoering van twee grieven. Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte de New Alpha-stoel als een verveelvoudiging van de Tripp Trapp heeft aangemerkt en daarom ten onrechte tot auteursrechtinbreuk heeft geconcludeerd. Grief II bestaat uit drie onderdelen. In de eerste plaats benadrukt Hauck daarmee dat de vorderingen van Stokke in reconventie alsnog moeten worden afgewezen. In de tweede plaats betoogt Hauck dat haar vorderingen in conventie alsnog moeten worden toegewezen. In de derde plaats maakt Hauck,voor het geval het hof auteursrechtinbreuk zou aannemen, bezwaar tegen de haars inziens te ruime toewijzing van een aantal van Stokke’s vorderingen.

Grief I van Hauck; de overeenstemmingsvraag

4.1

Het hof zal eerst grief I van Hauck onderzoeken. Daarbij zal – met Stokke, maar onder voorbijgaan aan Haucks daartegen gerichte, in de punten 87-97 MvG neergelegde, grief-onderdeel – de door dit hof in de zaken Stokke-Fikszo en Stokke-Hauck I aangenomen ruime beschermingsomvang tot uitgangspunt worden genomen. Meer in het bijzonder zal het hof er ook in dit geding van uitgaan dat de Tripp Trapp twee afzonderlijke auteursrechtelijke trekken heeft, namelijk (i) de schuine staander waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt, en (ii) de L-vorm van de staander en de ligger. Deze trekken zullen hierna ook worden aangeduid als Trek (i) en Trek (ii). Tenslotte zal het hof ook in dit geding tot uitgangspunt nemen dat, zoals is beslist in Stokke-Fikszo, de Bambino onder de beschermingsomvang van de Tripp Trapp valt.

4.2

De New Alpha heeft – net als de Bambino – naast een voorste schuine staander (de linkerpoot van de A), een achterste schuine staander (de rechterpoot van de A). De voorste schuine staander in deze stoelen kan worden gezien als de ene schuine staander (de omhoog stekende verticale poot van de L) in de Tripp Trapp.

4.3

Stokke heeft grief I onder meer bestreden met de stelling dat de in Stokke-Fikszo inbreukmakend geoordeelde Bambino in de kern eenzelfde kopie van de Tripp Trapp is als de New Alpha (MvA onder 39; PA onder 33). Hierbij heeft Stokke er met juistheid op gewezen dat Hauck onder 42 van de inleidende dagvaarding (ID) zelf heeft aangegeven dat de Bambino ‘een (vrijwel) identieke stoel als de New Alpha’ is.

4.4

In hoger beroep heeft Hauck evenwel de verschillen tussen de Bambino en de New Alpha benadrukt. Volgens Hauck is Trek (i), die door het hof is geïdentificeerd in de Bambino, in de New Alpha niet terug te vinden (MvG onder 39 en 58). Verder is er in de visie van Hauck een verschil doordat de L-vorm niet in de New Alpha ligt besloten (MvG onder 66-68), terwijl dat blijkens rov. 15 van Stokke-Fikszo Hof TA wel het geval is bij de Bambino.

4.5

Het hof stelt voorop dat – anders dan Stokke betoogt – dit standpunt van Hauck in hoger beroep geen gedekt verweer vormt in het licht van haar onder 4.3 weergegeven stelling in punt 42 ID. In aanmerking nemende dat, naar uit dit punt blijkt, deze stelling door Hauck is betrokken tegen de achtergrond van het toen nog geldende maar later vernietigde oordeel van de rechtbank in Stokke-Fikszo, dat de Bambino niet onder de beschermingsomvang van de Tripp Trapp viel, kan immers niet worden gezegd dat daaruit ondubbelzinnig voortvloeit dat Hauck het onder 4.4 vermelde standpunt heeft prijsgegeven. Het is vaste rechtspraak dat op de enkele grond dat een in hoger beroep ingenomen standpunt onverenigbaar is met de in eerste aanleg door de desbetreffende partij aangenomen proceshouding, dat standpunt nog niet als gedekt kan worden beschouwd in de zin van artikel 348 Rv (vergelijk HR 19 januari 1996, NJ 1996, 709 ‘Royal Nederland/Campina’).

4.6

Uit rov. 15 van Stokke-Fikszo Hof TA blijkt dat het hof de dwarsbalk onderaan in de Bambino niet heeft gezien als een element dat is verwerkt in de voorste schuine staander als bedoeld in Trek (i), maar deze heeft beschouwd als een variant van de ligger als bedoeld in Trek (ii). Mede doordat deze dwarsbalk vrij laag (op ongeveer 9 cm afstand van de vloer) is geplaatst, ligt in het zijaanzicht van de Bambino, als onderdeel van de A-vorm, de L-vorm besloten, aldus het hof in de genoemde overweging.

4.7

In de New Alpha bevindt de onderste dwarsbalk zich een stuk(je) hoger dan de onderste dwarsbalk in de Bambino. Hierdoor heeft de onderste dwarsbalk in de New Alpha niet, althans veel minder dan in de Bambino, het karakter van een ‘ligger’ als bedoeld in Trek (ii). Dit wordt benadrukt door de omstandigheid dat de dwarsbalk aanmerkelijk ‘dunner’ is uitgevoerd dan die van de Bambino of de ligger van de Tripp Trapp. Bovendien is in de New Alpha boven de onderste dwarsbalk nog een tweede dwarsbalk aangebracht die in ieder geval niet als een ‘ligger’ als bedoeld in Trek (ii) kan worden beschouwd. Deze twee dwarsbalken van de New Alpha zijn niet verwerkt in de voorste staander, maar daar tegenaan geplaatst. Dit betekent dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – in de New Alpha Trek (i) niet voorkomt, en dus ook niet het daarvan uitgaande effect (zie rov. 9 van Stokke-Fikszo Hof TA), dat het zijaanzicht wordt bepaald door de achterover hellende staander met aan weerszijden daarvan de uitstekende elementen, waardoor een strak ‘geometrisch’ uiterlijk wordt verkregen. In de New Alpha ontbreekt – veel meer dan in de Bambino die maar één en laaggeplaatste dikkere dwarsbalk heeft – deze strakke geometrie door de aanwezigheid van twee tamelijk hoog geplaatste dwarsbalken die niet in, maar tegen de staander zijn aangebracht.

4.8

Hierbij komt nog dat in de New Alpha-stoel het zitvlak niet, zoals in de Bambino het geval is, alleen in de voorste schuine staander is verwerkt, maar ook kruist met de achterste staander (vgl. punten 47 en 48 MvG), althans wanneer het zitvlak op een zodanige hoogte wordt aangebracht dat de afstand tussen het zitvlak en de voetensteun niet te groot of te klein is voor een baby/peuter (vgl. punten 50 en 51 MvG). Ook hierdoor is in de New Alpha-stoel (visueel) niet aan Trek (i) voldaan, en treedt het daarvan uitgaande, zojuist omschreven effect in deze stoel niet op, althans in veel mindere mate dan in de Tripp Trapp (en de Bambino).

4.9

Niet betwist is dat Trek (ii) als zodanig in de New Alpha niet voorkomt, evenmin als in de Bambino. In de A-vorm van de Bambino, die één als ligger te beschouwen dwarsbalk heeft, ligt ingevolge Stokke Fikszo Hof TA de L-vorm van Trek (ii) niettemin besloten. Omdat (zie rov. 4.7) de onderste dwarsbalk in de New Alpha hoger is geplaatst en dunner is, alsmede door de aanwezigheid van een tweede dwarsbalk, kan niet worden gezegd dat dit ook het geval is in de deze stoel.

4.10

Nu Trek (i) en Trek (ii) daarin niet voorkomen en de L-vorm van Trek (ii) daarin evenmin ligt besloten, moet worden geconcludeerd niet alleen dat de New Alpha (aanzienlijk) verder van de Tripp Trapp afstaat dan de Bambino, maar vooral dat de New Alpha geen van de in Stokke-Fikszo geïdentificeerde auteursrechtelijke trekken van de Tripp Trapp bevat.

4.11

Zoals uit de rovv. 4.2 onder (e) en 5.1.1 van het HR-arrest in Stokke/Fikszo blijkt (zie ook rov. 1.d hiervoor) kunnen tot de ‘auteursrechtelijk beschermde trekken’ evenwel ook onbeschermde elementen behoren voor zover de selectie of combinatie daarvan aan de werktoets beantwoordt. Op deze regel heeft Stokke een beroep gedaan in de punten 41 MvA en 28 en 43 PA, in samenhang bezien met punt 29 van haar conclusie van antwoord (CvA), waar zij heeft betoogd dat in de New Alpha vele elementen van de Tripp Trapp zijn overgenomen die in combinatie een auteursrechtelijk beschermd werk vormen. In punt 28 PA heeft Stokke hieromtrent het volgende nader gesteld:

Een kleine greep uit de vele punten van overeenstemming:

- De open vormgeving (men kan door het geheel heenkijken);

- De materiaalkeuze; ongeverfd beukenhout en metaal (en het contrast daartussen);

- De in zwarte kleur uitgevoerde schroeven, die dienen om de verbindingen aan te trekken aan de zijkanten van de stijlen, die fraai gebruikt worden als in het oog springende details;

- Gebruik van dunne, ronde verbindingsstammen;

- De gebogen rugleuning bestaat uit twee gebogen parallel horizontaal geplaatste planken;

- Etc. (zie Stokke’s Conclusie van Antwoord onder 29).

Het hof begrijpt dat Stokke hier de vijf in haar optiek meest kenmerkende punten van overeenstemming heeft genoemd uit de zesentwintig in punt 29 CvA opgesomde overeenstemmingspunten, zodat op de overige eenentwintig punten niet afzonderlijk hoeft te worden ingegaan. De hier bedoelde punten van overeenstemming betreffen ieder voor zich in stoelen veel voorkomende en (dus) banale elementen die op zichzelf beschouwd geen auteursrechtelijke bescherming genieten. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat de selectie of combinatie van deze bekende/banale elementen in de Tripp Trapp het persoonlijk stempel van de maker daarvan draagt en/of een eigen oorspronkelijk karakter heeft. Nu die selectie of combinatie derhalve niet aan de ‘werktoets’ voldoet, gaat voormeld betoog van Stokke niet op; de door haar bedoelde selectie of combinatie geniet geen auteursrechtelijke bescherming.

4.12

Uit het voorgaande volgt dat in de New Alpha geen, of in onvoldoende mate, auteursrechtelijke beschermde trekken van de Tripp Trapp zijn overgenomen. Naar blijkt uit de in rov. 1.d weergegeven passage uit het HR-arrest in Fikszo-Stokke zijn deze trekken bepalend bij de vergelijking van de totaalindrukken en mogen de niet auteursrechtelijke trekken bij de overeenstemmingsvraag geen rol spelen. Een en ander voert tot de slotsom dat de totaalindruk van de New Alpha te zeer verschilt van die van de Tripp Trapp om overeenstemming te kunnen aannemen en dat de New Alpha dus niet onder de beschermingsomvang van het auteursrecht op de Tripp Trapp valt. Dat Hauck, zoals zij heeft erkend ter comparitie in de eerste aanleg, het ontwerp van Stokke heeft nagevolgd, doet hieraan – anders dan Stokke lijkt te willen betogen onder 41 MvA en 16 PA – niet af nu zij daarbij voldoende afstand van dat ontwerp heeft genomen.

Slotsom en proceskosten

5.1

Hiermee is de grondslag aan de vorderingen van Stokke in reconventie ontvallen. Hauck’s grief I slaagt derhalve, evenals het eerste onderdeel van haar grief II. Aan het derde onderdeel van grief II komt het hof niet toe. Nu van auteursrechtinbreuk geen sprake is zijn de vorderingen van Hauck in conventie – die niet (gemotiveerd) zijn bestreden op andere gronden dan dat Hauck wel auteursrechtinbreuk pleegt (ook niet in punt 49 conclusie van antwoord) – toewijsbaar, met dien verstande dat, gelet op punt 55 van de inleidende dagvaarding, in het dictum zal worden gepreciseerd dat de schadevordering is gebaseerd op door Stokke ten onrechte uitgebrachte sommaties. Ook het tweede onderdeel van Hauck’s grief II treft dus doel. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd onder alsnog toewijzing van Haucks vorderingen in conventie en alsnog afwijzing van Stokke’s vorderingen in reconventie.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Stokke worden veroordeeld in de op basis van artikel 1019h Rv te begroten kosten van beide instanties. De kosten van Hauck in de eerste aanleg zullen worden bepaald op het bedrag van € 32.500,- dat blijkens haar ‘akte houdende overlegging aanvullende specificatie proceskosten’ van 9 juni 2010 en daarop volgende akte van Stokke tussen partijen was overeengekomen. In hoger beroep zullen de kosten van Hauck conform haar onbestreden specificatie worden vastgesteld op € 58.450,54.

Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2010, en opnieuw rechtdoende:

in conventie

* verklaart voor recht dat de New Alpha geen inbreuk maakt op de auteursrechten van Stokke op de Tripp Trapp en dat de productie en/of verhandeling van de New Alpha niet anderszins onrechtmatig is jegens Stokke;

* beveelt Stokke zich te onthouden van mededelingen jegens derden dat de New Alpha inbreuk maakt op de auteursrechten van Stokke op de Tripp Trapp dan wel dat de productie en/of verhandeling daarvan anderszins onrechtmatig jegens Stokke zou zijn, en veroordeelt Stokke om aan Hauck een dwangsom te betalen van € 20.000,- per overtreding, dan wel € 10.000,- per dag dat deze overtreding bij gebreke van uitdrukkelijke rectificatie voortduurt;

* veroordeelt Stokke hoofdelijk tot vergoeding van de als gevolg van de ten onrechte uitgebrachte sommaties door Hauck geleden schade, op te maken bij staat;

* wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

* wijst af het door Stokke gevorderde;

in conventie en in reconventie

* veroordeeld Stokke in de kosten van de procedure in de eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van Hauck begroot op € 32.500,-;

- veroordeelt Stokke in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Hauck begroot op € 58.450,54;

- verklaart dit arrest zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, A.D. Kiers-Becking en E.F. Brinkman; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.