Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1273

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
BK-13/00689
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Geparkeerd op runshopplaats met gehandicaptenkaart. Niet voldaan aan kenbaarheidseis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0948
V-N Vandaag 2014/729
Belastingblad 2014/240
V-N 2014/30.18.10

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-13/00689

Uitspraak van 4 april 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2013, nummer SGR 13/933.

Naheffingsaanslag, bezwaar en beroep

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Delft opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 maart 2014 in Den Haag. Belanghebbende is verschenen. Van de zijde van de Inspecteur is, met voorafgaand schriftelijk bericht, niemand verschenen.

Feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding, als tussen partijen niet in geschil dan wel door de ene partij gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 25 november 2012 om 18.38 uur staat de auto van belanghebbende op een parkeerplaats aan de [a-straat] in Delft. De parkeerplaats is door burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats, meer in het bijzonder als een runshopplaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd, met dien verstande dat daar de vrijstelling voor voertuigen die zijn voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart niet geldt.

3.2. Een parkeercontroleur constateert op dat moment dat in de auto een geldige gehandicaptenparkeerkaart ligt en dat geen parkeerbelasting is betaald. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag, groot € 56,80 (€ 2,80 belasting en € 54 kosten), opgelegd.

De rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. [

Belanghebbende] beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe zakelijk weergegeven aangevoerd dat hij een Europese gehandicaptenparkeerkaart heeft en daarmee, als niet anders is aangegeven, zonder betaling kan parkeren. Bovendien was [belanghebbende] niet op de hoogte, en is hij ook niet op de hoogte gesteld, van de invoering van de runshopplaatsen en dat op die plaatsen zijn Europese gehandicaptenparkeerkaart niet geldig is. Ook ontbreekt een bord op de desbetreffende parkeerplaats waarop specifiek is vermeld dat de gehandicaptenparkeerkaart op die plaats niet geldig is.

5. [

De Inspecteur] beantwoordt deze vraag bevestigend en de heeft de stellingen van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken.

6.

De rechtbank stelt voorop dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich ter plaatse, in het bijzonder indien het zijn woonplaats betreft, op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo’n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan.

7.

Niet in geschil is dat ter plekke bebording aanwezig is. Echter, [belanghebbende] vindt de aanwezige bebording onvoldoende duidelijk nu een specifiek bordje voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart ontbreekt. Met hetgeen [de Inspecteur] heeft gesteld over de aanwezige bebording ter plekke, heeft [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het daar geldende parkeerregime met inachtneming van de ter zake geldende regelgeving voldoende duidelijk is aangegeven en dat over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting voor de betreffende parkeerplaats, ook voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart en gelet op het hierna overwogene , geen misverstand kan bestaan.

8.

De stelling van [belanghebbende] dat hij niet op de hoogte had kunnen zijn van de regels die gelden met betrekking tot de runshopplaatsen, omdat sprake is van een nieuwe regeling en hij daar niet middels een brief van op de hoogte is gesteld, faalt. [De Inspecteur] heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat van een nieuwe regeling geen sprake is. Bovendien is nergens voorgeschreven dat inwoners persoonlijk per brief op de hoogte moeten worden gesteld van de (gewijzigde) parkeerregels. Dat [belanghebbende] van de regels met betrekking tot de runshopplaatsen nooit kennis heeft genomen dient voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Dat klemt te meer nu [belanghebbende] beschikt over een gehandicaptenkaart en van [belanghebbende] kan worden verwacht dat hij zich juist dan op de hoogte stelt van het plaatselijke, ook op de kaart betrekking hebbende, parkeerregime.

9.

Nu niet in geschil is dat [belanghebbende] zijn auto geparkeerd heeft op een runshopplaats waar een gehandicaptenparkeerkaart niet geldig is en slechts tegen betaling van parkeerbelasting (kort) geparkeerd mag worden en [belanghebbende] dit heeft nagelaten te doen, is de naheffingsaanslag derhalve terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

10.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Geschil en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of aan de naheffingsaanslag in de weg staat dat zich in de auto van belanghebbende een geldige gehandicaptenparkeerkaart bevindt, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof stelt voorop dat zeker in een gemeente als de gemeente Delft, waar namelijk als regel geldt dat geen parkeerbelasting is verschuldigd wanneer de auto is voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, ter plaatse duidelijk moet blijken, door bebording of anderszins, dat overeenkomstig een uitzondering in de gemeentelijke verordening, de houder van een gehandicaptenparkeerkaart aldaar niet zonder het betalen van parkeerbelasting mag parkeren.

6.2. De stukken van het geding laten er naar ’s Hofs oordeel geen misverstand over bestaan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan die kenbaarheidseis niet is voldaan.

6.3. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierechten

7.1. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat hij geen vergoeding van proceskosten hoeft.

7.2. De Inspecteur dient de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag; en

- gelast de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 160 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mr. U.E. Tromp, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.