Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1259

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
2200543311
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 11 april 2014 in hoger beroep de verdachte N. schuldig bevonden aan twee maal doodslag, twee maal poging doodslag, afpersing en vervoer van cocaïne. De verdachte W. is schuldig bevonden aan afpersing en vervoer van cocaïne. Aan de verdachte N. is 21 jaren gevangenisstraf opgelegd, aan de verdachte W. 4 jaren en 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005433-11

Parketnummer: 09-753290-11

Datum uitspraak: 11 april 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 september 2013 en 28 maart 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief, 4 eerste cumulatief/alternatief en 5 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 tweede cumulatief/alternatief, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent drie vorderingen van benadeelde partijen als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsmede gelet op een uitspraak van de Hoge Raad van

3 april 2007 met nummer ECLI:NL:HR:2007:AZ8393 niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

De onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 tweede cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten zullen hierna worden aangeduid als het - respectievelijk - onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [achternaam slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.
hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [achternaam, slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer 2] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


3.
hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [achternaam slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

4.
hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 4] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [achternaam slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


5.
hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en/of elders in het arrondissement Den Haag ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] van het leven te beroven met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) achter die in een auto zittende [achternaam slachtoffer 3] en/of [achternaam slachtoffer 4] is aangereden en/of met een vuurwapen in de richting van die auto waarin die [achternaam slachtoffer 3] en/of [achternaam slachtoffer 4] zaten, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (poging doodslag) niet is voltooid;

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair:

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en/of elders in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [achternaam slachtoffer 4] en/of [achternaam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met zijn mededader(s), althans alleen, althans door een of meer van zijn mededader(s))

- met hoge snelheid en/of op korte afstand achter de in een auto zittende [achternaam slachtoffer 4] en/of [achternaam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden waardoor die [achternaam slachtoffer 4] en/of [achternaam slachtoffer 3] en/of [achternaam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] schotwonden had(den) opgelopen en/of

- met een vuurwapen in de richting van die auto waarin die [achternaam slachtoffer 4] en/of [achternaam slachtoffer 3] en/of [achternaam slachtoffer 1] en/of [achternaam slachtoffer 2] zaten, te schieten, althans hoorbaar voor die [achternaam slachtoffer 4] en/of [achternaam slachtoffer 3] met dat vuurwapen te schieten;

6.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Krimpen aan den IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de raadsman in zijn pleidooi naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel geschoten in het hoofd van die [achternaam slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2.
hij op 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel geschoten in het hoofd van die [achternaam slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;


3.
hij op 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen (een) kogel(s) heeft afgevuurd op die [achternaam slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas (inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

4.
hij op 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 4] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [achternaam slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

5.

subsidiair


hij op 02 april 2011 in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne, toebehorende aan die [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 3], welke bedreiging met geweld bestond uit het met zijn mededader

- met hoge snelheid en op korte afstand achter de in een auto zittende [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 3] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden waardoor die [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 3] schotwonden had(den) opgelopen en

- hoorbaar voor die [achternaam slachtoffer 3] met een vuurwapen te schieten;

6.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en Krimpen aan den IJssel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

1 Inleiding

De navolgende feiten en omstandigheden volgen uit het dossier en staan niet ter discussie, zodat het hof hiervan uit gaat.

Op 2 april 2011, op de parkeerplaats tussen de Havixhorst en de Broekhorst in Alphen aan den Rijn (hierna ook: de parkeerplaats), vindt vlak na middernacht een ontmoeting plaats tussen enerzijds de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] en anderzijds [naam slachtoffer 4], [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1]. Deze ontmoeting zou gaan over de verkoop van drie kilo cocaine, door de verdachte en zijn medeverdachte aan (een van) de genoemde vier anderen.

[achternaam slachtoffer 3], [achternaam slachtoffer 1], [achternaam slachtoffer 2] en [achternaam slachtoffer 4] arriveren in een Renault Laguna op de genoemde parkeerplaats. [achternaam slachtoffer 3] parkeert deze auto achterwaarts - derhalve met de neus naar de straat gericht - in één van de parkeervakken. Vanaf de voorzijde van de Renault Laguna bezien, staan aan de linkerzijde een witte Hyundai bestelbus en rechts een witte Ford Fiësta en daarnaast een rode Fiat 500 geparkeerd. [achternaam slachtoffer 3] en [achternaam slachtoffer 1] stappen uit de Renault Laguna. [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 2] blijven in de auto zitten. Vervolgens arriveert de verdachte samen met [naam kennis verdachte], een kennis, in diens auto. Medeverdachte [achternaam medeverdachte] en zijn vriendin [naam vriendin medeverdachte] arriveren in een Kia Ceed. [achternaam kennis verdachte] rijdt weg nadat de verdachte uit de auto is gestapt. [achternaam medeverdachte] parkeert zijn auto in de directe omgeving van de afgesproken ontmoetingsplek en stapt ook uit. Hij heeft de tas met de cocaïne bij zich. De verdachte en [achternaam medeverdachte] lopen samen in de richting van [achternaam slachtoffer 3] en [achternaam slachtoffer 1] en vervolgens lopen zij alle vier naar de plek waar de Renault Laguna is geparkeerd.

Op enig moment loopt [achternaam medeverdachte] terug naar zijn auto. De verdachte neemt plaats in de Renault Laguna. Op dat moment ligt de tas met cocaïne ook in die auto.
Hoewel de verklaringen hieromtrent niet eensluidend zijn, is het duidelijk dat de verdachte zich op enig moment weer buiten de auto bevindt en dat tussen hem en [achternaam slachtoffer 2] een worsteling plaatsvindt. Ook kan worden aangenomen dat de verdachte tijdens deze worsteling op de grond ligt en op enig moment een wapen in zijn handen heeft. [achternaam slachtoffer 2] roept dan: “Hij heeft een pistool”, stapt in de Renault Laguna en de auto wordt gestart. De tas met cocaïne ligt nog steeds in de auto.
Terwijl de Renault Laguna uit het parkeervak wegrijdt en een bocht naar links maakt richting de Broekhorst, schiet de verdachte – die zich op dat moment links en op korte afstand van de bestuurderszijde van de Renault Laguna bevindt - meermalen in de richting van die Renault Laguna. Hierbij worden alle vier de inzittenden geraakt. [achternaam slachtoffer 1] en [achternaam slachtoffer 2] worden in het hoofd geraakt, [achternaam slachtoffer 3] ter hoogte van de linkerborst, schouder en achterarm en [achternaam slachtoffer 4] in de linkerschouder.

De Renault Laguna rijdt weg en verdachte rent vervolgens in de richting van de Kia Ceed. Hij stapt in de auto en zegt tegen [achternaam medeverdachte] en [achternaam vriendin medeverdachte] dat ‘ze’ hem hebben geript, dat hij is geslagen en dat de cocaïne is afgepakt. Ook zegt de verdachte dat hij ‘hen’ heeft geschoten. De verdachte en [achternaam medeverdachte] besluiten de Renault Laguna achterna te rijden om te proberen de cocaïne terug te krijgen. Ze rijden – met [achternaam medeverdachte] aan het stuur - daarbij met hoge snelheid en op korte afstand achter de Renault Laguna aan. Op enig moment gooit [achternaam slachtoffer 4] de tas met cocaïne uit het raam van de auto. Hierop stopt [achternaam medeverdachte] de auto, de verdachte stapt uit, pakt de tas, stapt weer in en rijdt met [achternaam medeverdachte] en Van Berkel naar Rotterdam. De inzittenden van de Renault Laguna rijden naar het Bleuland Ziekenhuis in Gouda. Daar blijkt dat zowel [achternaam slachtoffer 2] als [achternaam slachtoffer 1] zijn overleden door orgaanschade aan de hersenstam ten gevolge van een doorschot in het hoofd.

2 Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten.

2.1.

Opzet ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2014 verklaard dat hij op de parkeerplaats heeft geschoten op de Renault Laguna, zonder dat dit gericht was tegen de personen die zich in die auto bevonden, zodat hij geen opzet had om deze personen te doden, dan wel te verwonden.


Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Uit het schotrestenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is ten aanzien van de verwonding in het hoofd van het slachtoffer [achternaam slachtoffer 2] in combinatie met schotrestenfolie, gebleken dat de schootsafstand tussen de 25 en 150 centimeter moet zijn geweest.
Dit past bij de op 4 april 2011 afgelegde verklaring van [achternaam slachtoffer 4] dat de afstand tussen hen en de schutter ‘qua lengte maar één auto was’ en dat werd geschoten direct nadat de auto was gestart, alsmede de op 3 april 2011 door [achternaam slachtoffer 3] afgelegde verklaring dat hij in de bocht een aantal knallen hoorde.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de Renault Laguna vanuit het parkeervak nog in de bocht aan het wegrijden was en dat de verdachte vanaf korte afstand op de auto heeft geschoten.

Bij onderzoek aan die Renault Laguna is voorts gebleken dat het raam aan de bestuurderszijde (door een kogelinslag) was vernield. Er zijn kogels aangetroffen in de linkermiddenstijl en de rechtervoorstijl van het voertuig alsmede fragmenten van een kogel in de bekleding/vulling van de rugleuning van de bijrijders

stoel. In de bekleding van het rechtervoorportier is voorts een inschotopening aangetroffen van een kogel op de binnenzijde van het plaatstaal van het rechtervoorportier.
Uit deze bevindingen volgt dat alle schoten zijn afgevuurd in de richting van de ruiten van de linkerzijde van de auto, en niet in de richting van de (onderzijde) van de autoportieren, alwaar immers geen kogelinslagen zijn aangetroffen.

Uit het dossier volgt voorts dat de schoten zijn afgevuurd met – naar moet worden aangenomen - een revolver, een wapen dat meestal bestaat uit zes kamers met daarin de patronen (kogels). Bij het schieten zijn alle inzittenden van de Renault Laguna geraakt. [achternaam slachtoffer 3] heeft drie kogelgaten opgelopen, te weten in de linkerborst, linkerschouder en linker achterarm, [achternaam slachtoffer 4] is door één kogel in de schouder geraakt en [achternaam slachtoffer 2] en [achternaam slachtoffer 1] zijn beiden in het hoofd geraakt, door twee kogels, dan wel één kogel (middels een doorschot). De verdachte heeft verklaard vaker de trekker te hebben overgehaald, maar dat het zo zal zijn dat hij een keer of zes heeft geschoten, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [achternaam slachtoffer 3], die het heeft over ‘een stuk of zes schoten’ alsmede met de verklaringen van omwonenden die spreken over vijf á zes schoten.

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het wapen met twee handen op de auto heeft gericht en heeft geschoten.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte op korte afstand van de auto stond, het wapen met twee handen vasthield en gericht en meer dan eens heeft geschoten op de binnenkant van de auto. In de auto bevonden zich de inzittenden, die de verdachte allen heeft geraakt.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit al deze omstandigheden dat verdachte niet slechts op de auto heeft geschoten, maar doelbewust op de inzittenden van die auto en dus onvoorwaardelijk opzet had op het doden van deze inzittenden.

Ten overvloede overweegt het hof dat de herkomst van het door de verdachte gebruikte wapen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan. Reeds gelet op de aard van de ontmoeting – een drugstransactie van aanzienlijke omvang, met grote geldelijke belangen - acht het hof het niet onaannemelijk dat de verdachte het wapen zelf zou hebben meegebracht, echter dit geldt evenzeer voor de (latere) slachtoffers, die van plan waren de verdachte ‘te rippen’. Wat hier ook van zij, de ernst van de tenlastegelegde feiten is dusdanig dat de uiteindelijke herkomst van het wapen aan de beoordeling hiervan niets toevoegt of afdoet.

2.2.

Het bestanddeel ‘toebehoren’ in het onder 1 tot en met 5 subsidiair tenlastegelegde ‘afpersing’.

Uit de hiervoor onder 1. beschreven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte en medeverdachte [achternaam medeverdachte]de cocaïne wilde verkopen en dat [achternaam slachtoffer 4], [achternaam slachtoffer 3], [achternaam slachtoffer 2] en [achternaam slachtoffer 1] de cocaïne van de verdachte en medeverdachte [achternaam medeverdachte]hebben ‘geript’. Aan de verdachte is onder 5 subsidiair ten laste gelegd dat hij [achternaam slachtoffer 4], [achternaam slachtoffer 3], [achternaam slachtoffer 2] en [achternaam slachtoffer 1] vervolgens – kortgezegd - met geweld heeft gedwongen de hen toebehorende cocaïne af te geven.

Het hof overweegt met betrekking tot de vraag aan wie de cocaïne op dat moment toebehoorde, het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat (het een feit van algemene bekendheid is dat) cocaïne een illegaal goed is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en mitsdien vatbaar voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36c, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast brengt het enkele aanwezig hebben van cocaïne reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 2, onder C, in samenhang met artikel 10, derde lid van de Opiumwet met zich.



Tegen die achtergrond bezien is het hof van oordeel dat het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne, zoals waarvan in deze zaak sprake is, geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag betreffende het toebehoren van rechtsgoederen kunnen derhalve niet worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in deze.
Naar oordeel van het hof konden [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 3], nadat zij, samen met de andere twee inzittenden van de Renault Laguna, de verdachte de cocaïne hadden afgenomen, als heer en meester daarover beschikken. Toen zij met de auto, waarin zich de tas met cocaïne bevond, van de parkeerplaats wegreden, behoorde de cocaïne hen dus daadwerkelijk toe in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, zodat zij in de zin van die bepaling door de verdachte en medeverdachte [achternaam medeverdachte] konden worden gedwongen tot afgifte hiervan.

2.3

Het schieten tijdens de achtervolging, zoals onder 5 subsidiair ten laste gelegd.

De verdachte heeft ontkend tijdens de achtervolging vanuit de Kia Ceed op de Renault Laguna te hebben geschoten. Gelet op de bij de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [achternaam vriendin medeverdachte], de verklaring van [achternaam slachtoffer 3] en de aanvankelijke verklaringen van medeverdachte [achternaam medeverdachte], is het hof echter van oordeel dat vast staat dat de verdachte tijdens de achtervolging wel degelijk heeft geschoten. Nu evenwel uit voornoemde verklaringen noch uit enig ander bewijsmiddel volgt dat dit schot in de richting van de Renault Laguna is gelost, zal het hof de verdachte van dat onderdeel in de tenlastelegging vrijspreken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het onder 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verweren met betrekking tot noodweer(exces)/putatief en extensief noodweer(exces) ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2014 is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer wegens een onmiddellijk dreigend gevaar van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich mocht verdedigen.

Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De verdachte werd door [achternaam slachtoffer 2] uit de Renault Laguna getrokken en er ontstond een worsteling, waarbij hij is geslagen en ten val is gekomen. De verdachte schopte het wapen uit de hand van [achternaam slachtoffer 2], heeft dit in zijn angst gepakt en zich geprobeerd te onttrekken aan de situatie door te vluchten. Vervolgens kwam de Renault Laguna met gierende banden op verdachte afgereden. De verdachte moest wegspringen om niet door de auto te worden geraakt en heeft daarna met het wapen in zijn handen op de auto geschoten om zijn belagers af te schrikken. Pas later heeft hij beseft dat zijn belagers er met de cocaïne vandoor gingen en heeft hij tezamen met medeverdachte [achternaam medeverdachte] de achtervolging ingezet om deze terug te krijgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelijk de rechtbank onderscheidt het hof in de hiervoor onder 1 weergegeven feiten en omstandigheden twee fasen, te weten de eerste fase bestaande uit de worsteling van verdachte met [achternaam slachtoffer 2] en de tweede fase bestaande uit het wegrijden van de Renault Laguna en het op deze auto schieten door de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich in de eerste fase, te weten de worsteling met [achternaam slachtoffer 2] waarbij de verdachte ten val is gekomen, geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij gerechtigd was om zich te verdedigen.

Tijdens de tweede fase echter, die aanving op het moment dat de worsteling ten einde was en toen alle vier de inzittenden in de Renault Laguna waren gestapt en - onder medeneming van de tas met cocaïne - wegreden uit het parkeervak, was de noodweersituatie naar ’s hofs oordeel feitelijk reeds geëindigd. De verdachte werd op dat moment niet meer belaagd en kon zich onttrekken aan de situatie, reeds door zelf geen handelingen meer te verrichten: zijn aanvallers reden immers weg.

Het hof acht de door de verdediging geschetste gang van zaken in de tweede fase, te weten dat de Renault Laguna met gierende banden op verdachte af kwam rijden terwijl hij richting de auto van [achternaam medeverdachte] probeerde te vluchten, volstrekt onaannemelijk. De bevindingen uit het forensisch onderzoek, de 3D-reconstructie zoals getoond ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2013, de verklaringen van [achternaam slachtoffer 4] en [achternaam slachtoffer 3] alsmede de aanvankelijk door de verdachte zelf afgelegde verklaringen bieden geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat de Renault Laguna - zoals door de verdediging is betoogd - in de richting van de verdachte is gereden dan wel op de verdachte dreigde in te rijden. Met name voornoemde 3D-reconstructie, waarbij de draaicirkel van de uit het parkeervak wegrijdende Renault Laguna (die tussen een bestelauto en een personenauto stond geparkeerd) is getoond ten opzichte van de mogelijke plaatsen waarop verdachte - mede gebaseerd op zijn eigen verklaringen – op dat moment stond, de kogelinslagen die alle vanaf de linkerzijde de Renault Laguna hebben geraakt dan wel zijn binnen gekomen, alsmede de verwondingen van de slachtoffers, alle aan de linkerzijde van hun lichaam, laten geen enkele ruimte voor de stelling dat deze auto op verdachte af/in kwam rijden.

Veeleer acht het hof het aannemelijk - mede gelet op de verklaring van de verdachte d.d. 26 april 2011 - dat de inzittenden van de Renault Laguna zich met de cocaïne uit de voeten wilden maken en dat de verdachte om dit te voorkomen bij het wegrijden van de Renault op hen heeft geschoten.

De verdachte heeft op voormelde datum immers verklaard dat hij hoorde dat de auto gestart werd en dat hij dacht dat “ze” van plan waren weg te rijden. Hij heeft de revolver op de auto gericht en geroepen “stop, stop, stop”. Hij was in angst en paniek en zij hadden de spullen die niet van hem waren.

Uit deze verklaring leidt het hof af dat de verdachte reeds op dat moment besefte dat de inzittenden van de Renault Laguna er met de cocaïne vandoor wilden gaan en dat hij hen bewust wilde tegenhouden. De verdachte heeft aldus de confrontatie gezocht met zijn rippers.

Naar het oordeel van het hof was op het moment dat verdachte op de inzittenden van de auto schoot dus geen sprake van een noodweersituatie in de zin van een onmiddellijk dreigend gevaar van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich mocht verdedigen.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat verdachte in een noodweersituatie verkeerde omdat er een reëel gevaar bestond op aantasting van zijn lijf door letale represailles van de leveranciers als de drugs (dan wel het hiervoor verkregen geld) niet bij hen zouden worden (terug-)gebracht, overweegt het hof dat deze (eventueel te ontstane) situatie in geen enkel opzicht voldoet aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een geslaagd beroep op noodweer vereist.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Nu het hof in het voorgaande heeft geoordeeld dat het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, kan het door de raadsman subsidiair gevoerde verweer dat bij verdachte sprake was van (exensief) noodweerexces evenmin slagen.

Meer subsidiair is ten slotte door de raadsman betoogd dat bij verdachte sprake was van putatief noodweer(exces) aangezien hij meende in onmiddellijk dreigend levensgevaar te verkeren en zich genoodzaakt zag zich daartegen te verdedigen.

Het hof overweegt hieromtrent dat de omstandigheden in de tweede fase, zoals hiervoor omschreven niet een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij in levensgevaar verkeerde.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte

ter zake van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief, 4 eerste cumulatief/alternatief en 5 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 tweede cumulatief/alternatief, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 2 april 2011 D. [achternaam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] doodgeschoten en geprobeerd om [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] om het leven te brengen door ook op hen te schieten. [achternaam slachtoffer 3] is hierbij in zijn linkerborst, schouder en arm geraakt en [achternaam slachtoffer 4] in zijn linkerschouder. Door aldus te handelen heeft de verdachte de slachtoffers [achternaam slachtoffer 1] en [achternaam slachtoffer 2] hun belangrijkste recht ontnomen, te weten het recht op leven. Daarnaast heeft hun dood diepe sporen achtergelaten in het leven van hun nabestaanden, zoals ook blijkt uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen.

Dat [achternaam slachtoffer 3] en [achternaam slachtoffer 4] niet aan de verwondingen die zij ten gevolge van verdachtes handelen hebben opgelopen, zijn overleden, is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.

Dat de aanleiding voor het plegen van deze misdrijven was dat de slachtoffers er zonder te betalen vandoor gingen met een tas met een grote hoeveelheid cocaïne, die verdachte en zijn mededader aan de slachtoffers wilden verkopen, neemt niet weg dat verdachtes handelen volstrekt verwerpelijk wordt geacht. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn eigen geldelijk belang boven de levens van anderen heeft geacht.

Het schieten heeft bovendien in een woonwijk plaatsgevonden en is door vele buurtbewoners gehoord.

Dergelijke grove geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Tevens is de verdachte samen met zijn mededader direct aansluitend aan voormelde schietpartij in een auto met hoge snelheid en op korte afstand achter de slachtoffers aangereden en heeft hij nogmaals een schot gelost, door welk handelen [achternaam slachtoffer 3] en [achternaam slachtoffer 4] uiteindelijk werden gedwongen om de tas met cocaïne uit het raam van hun auto te gooien.

Deze feiten zijn door de [achternaam slachtoffer 3] en [achternaam slachtoffer 4], die reeds door de schoten van de verdachte waren geraakt en met de zwaargewonde, dan wel reeds overleden [achternaam slachtoffer 1] en [achternaam slachtoffer 2] in de auto zaten, als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. De achtervolging heeft voorts plaatsgevonden op de openbare weg waardoor het ook voor eventuele medeweggebruikers een beangstigende en onveilige situatie kan zijn geweest. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.
Meer in zijn algemeenheid versterken drugsgerelateerde geweldsfeiten gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Ten slotte heeft de verdachte tezamen met zijn mededader in verband met de verkoop daarvan een grote hoeveelheid cocaïne vervoerd. Handel in verdovende middelen is een ernstig feit. Door de handel in harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en wordt onder meer het plegen van vermogensdelicten onder de gebruikers bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Ook dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Ook (zeer ernstige) geweldsdelicten kunnen door drugshandel worden bevorderd, zoals de door de verdachte verrichte gedragingen laten zien.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2014, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een drugsgerelateerd misdrijf. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Uit een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 18 februari 2014, opgesteld door T.V. van Lent, psychiater, volgt onder meer dat bij de verdachte geen aanwijzingen zijn voor een agressieregulatiestoornis. Evenmin is sprake van een persoonlijkheidsstoornis of persoonlijkheidsstructuur die gepaard zou kunnen gaan met gestoorde agressie of gewelddadigheid. Voorts is het gedrag van de verdachte geen onderdeel van een psychiatrische stoornis of kenmerk van zijn persoonlijkheid.

Uit een psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 19 februari 2014, opgesteld door R. Bullens, klinisch psycholoog, komt onder meer naar voren dat er geen aanwijzingen zijn voor agressieregulatieproblematiek en dat verdachte de neiging heeft om agressie op een vooral passief-agressieve manier te uiten. Er zijn geen aanwijzingen voor een gewelddadige karakterstructuur.

De verdachte is volgens voormelde rapporteurs volledig toerekeningsvatbaar.

De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Het hof heeft bij de strafoplegging wel meegewogen dat de slachtoffers een beduidende rol hebben gespeeld bij de aanloop naar de bewezenverklaarde feiten, maar houdt daarbij niettemin in het oog dat de verdachte en zijn mededader zichzelf welbewust in een zeer risicovolle situatie hebben begeven. Het hof heeft ook meegewogen dat de feiten zich binnen een kort tijdsbestek hebben afgespeeld en in zoverre als één feitencomplex kunnen worden beschouwd.

Het hof komt al met al, ondanks de bewezenverklaring van onvoorwaardelijk opzet ten aanzien van de gekwalificeerde doodslagen en de pogingen daartoe, tot een straf gelijk aan de straf die in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [naam nabestaande 1]

In het onderhavige strafproces heeft [naam nabestaande 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.586,50.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 4.586,50 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu het hof ervan uitgaat dat het overige deel van de kosten ten behoeve van de uitvaart, te weten € 1.000,- , door benadeelde partij [naam nabestaande 2] is betaald, zal het hof de vordering van de benadeelde partij [naam nabestaande 1] voor wat betreft dit gedeelte afwijzen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [naam nabestaande 1], nabestaande van het slachtoffer [naam slachtoffer 1].

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 4.586,50 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [naam nabestaande 1].

Vordering tot schadevergoeding [naam nabestaande 2]

In het onderhavige strafproces heeft [naam nabestaande 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.245,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.200,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade - € 1000,- ter zake van begrafeniskosten en € 200,- aan grafbloemen - is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [naam nabestaande 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.200,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam nabestaande 2].

Vordering tot schadevergoeding [naam slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [naam slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van € 2.969,73 aan medische (gerelateerde) kosten alsmede tot vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade; in totaal derhalve tot een bedrag van € 7.969,73.

Het hof merkt het op het voegingsformulier vermelde totaalbedrag van € 7.669,73 aan als een rekenfout, nu de op de op de facturen vermelde bedragen bij elkaar opgeteld een bedrag van € 7.969,73 vormen.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade ten bedrage van € 2.969,73 aan medische (gerelateerde) kosten is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve voor wat betreft de materiele schade worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de onder 3 en 5 bewezen verklaarde feiten. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,- , waarvan een gedeelte van € 1.000,- hoofdelijk, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.969,73 aansprakelijk is voor de schade die door de onder 3 en 5 bewezen verklaarde feiten zijn toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 45, 47, 57, 288, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair en

6 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

21 (eenentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam nabestaande 1] ter zake van het onder

1. bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 4.586,50 (vierduizend vijfhonderdzesentachtig euro en vijftig cent)

ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam nabestaande 1], een bedrag te betalen van

€ 4.586,50

(vierduizend vijfhonderdzesentachtig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam nabestaande 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.200,- (duizend tweehonderd euro)

ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam nabestaande 2], een bedrag te betalen van

€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro)

als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 7.969,73

(zevenduizend negenhonderdnegenenzestig euro en drieënzeventig eurocent)

bestaande uit een bedrag van € 2.969,73 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer 3], een bedrag te betalen van

€ 7.969,73

(zevenduizend negenhonderdnegenenzestig euro en drieënzeventig eurocent)

als vergoeding voor materiele en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor wat betreft een gedeelte van het toegewezen bedrag aan immateriële schade, groot € 1.000,- , indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M. Mos-Verstraten, mr. A.J.M. Kaptein en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 april 2014.