Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1254

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
200.116.541-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad; vordering gemaakte redreskosten; beweerdelijk onjuiste naheffingsaanslag inkomstenbelasting; formele rechtskracht; ambtshalve beoordeling; toezegging tot opnihilstelling?; gewekt vertrouwen door toezegging coulance-vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/64

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.116.541/01

Rolnummer rechtbank : 1127857 RL EXPL 11-36971

Arrest van 22 april 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.T. van Dalen te Groningen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 27 september 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, tussen [appellant] en Optica Beheer Ltd. als eisers en de Staat als gedaagde gewezen vonnis van 27 juni 2012. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Aangezien geen grieven zijn aangevoerd tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld, gaat ook het hof van deze feiten uit. Het gaat in deze zaak om het volgende. De Belastingdienst randmeren, kantoor Lelystad (verder: de Belastingdienst), heeft aan [appellant] een naheffingsaanslag in de loonheffing over de jaren 1998 tot en met 2011 opgelegd (aanslagnummer [nummer]), gedagtekend 26 februari 2003. Namens [appellant] is tegen deze aanslag bij brief van 1 oktober 2004 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij brief van 18 maart 2005 aangevuld. Het bezwaarschrift is bij brief van 24 juli 2007 ingetrokken. Bij brief van 14 september 2009 heeft de Belastingdienst [appellant] medegedeeld dat de aanslag inmiddels door de ontvanger oninbaar is geleden en dat stappen zullen worden ondernomen opdat de aanslag verminderd kan worden tot nihil. De Belastingdienst heeft de aanslag bij besluit van 2 oktober 2009 verminderd tot nihil.

2.

[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat deze de Staat zal veroordelen aan hem € 14.625,97 te betalen, met rente en kosten. Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door hem een foutieve aanslag op te leggen op basis van verkeerde sofinummers en dat hij kosten heeft moeten maken om die aanslag terug te draaien. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

3.

Met zijn eerste grief klaagt [appellant] over de afwijzing van zijn vordering door de kantonrechter. De grief beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. [appellant] voert aan dat hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht dat de Staat heeft erkend dat de oplegging van de litigieuze belastingaanslag niet goed is gegaan, dat hij heeft aangeboden dat te bewijzen en dat de kantonrechter hem daartoe ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld. In hoger beroep heeft hij aan zijn vordering mede ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat de Belastingdienst een door haar ambtenaar gedane toezegging om de aanslag in te trekken, niet is nagekomen. Hij biedt in hoger beroep aan door het doen horen van zijn administrateur als getuige te bewijzen dat die toezegging aan zijn administrateur is gedaan. De tweede grief betreft de omstandigheid dat de kantonrechter in haar vonnis de grondslag van de vordering heeft beperkt tot de vraag of al dan niet door de desbetreffende ambtenaar van de Belastingdienst een toezegging is gedaan dat na intrekking van het bezwaarschrift de naheffingsaanslag zal worden ingetrokken. [appellant] persisteert bij zijn stelling dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door hem foute aanslagen op te leggen. Hij wijst er wederom op dat de Belastingdienst heeft erkend dat foutief is gehandeld en dat de Belastingdienst, door hem uit coulance een schadevergoeding aan te bieden, bij hem de verwachting heeft gewekt dat hij bereid was zijn fout te herstellen door het aanbieden van financiële compensatie. [appellant] stelt dat hij extra kosten heeft moeten maken om die compensatie te verkrijgen en wenst die extra kosten ook vergoed te hebben. De derde grief keert zich tegen de proceskostenveroordeling door de kantonrechter. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.

4.

Het hof stelt voorop dat, indien een belastingplichtige van mening is dat een hem opgelegde belastingaanslag onjuist is, hij daartegen binnen zes weken na ontvangst van de aanslag bezwaar kan indienen bij de Belastingdienst en vervolgens, ingeval aan zijn bezwaar niet (geheel) is tegemoetgekomen, binnen de wettelijke termijnen tegen de beslissing op bezwaar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie kan instellen bij de belastingrechter. Indien deze procedure niet is gevolgd, dient de burgerlijke rechter er in beginsel van uit te gaan dat de aanslag (zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming) rechtmatig is. Dat leidt uitzondering, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de belastingplichtige redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij deze procedure volgt. Daarvan is onder meer sprake als de Belastingdienst de onrechtmatigheid van de aanslag vóór het verlopen van de bezwaar- of beroepstermijn heeft erkend.

5.

In het onderhavige geval geldt, dat [appellant] niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag. Een door hem te laat gemaakt bezwaar is ingetrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst in elk geval niet vóór het eind van de bezwaartermijn de onrechtmatigheid van de aanslag heeft erkend. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij tijdig bezwaar tegen de aanslag maakte. Daarom moet het hof ervan uitgaan dat de betwiste belastingaanslag inhoudelijk juist is. Het enkele feit dat de aanslag in een later stadium tot nihil is teruggebracht, impliceert bovendien niet dat de aanslag ten onrechte was opgelegd en dus ook niet dat het opleggen van die aanslag jegens [appellant] onrechtmatig was. Indien de kantonrechter ervan was uitgegaan dat de vordering van [appellant] (mede) was gebaseerd op de onjuistheid van de aanslag, had dat niet tot toewijzing van die vordering geleid.

6.

Het hof begrijpt de eerste grief van [appellant] aldus, dat hij in hoger beroep alsnog aanbiedt bewijs te leveren door het horen van zijn administrateur als getuige. Zijn in de dagvaarding in eerste aanleg gedane bewijsaanbod heeft immers slechts betrekking op het overleggen van (nog meer) correspondentie tussen partijen, en uit het door [appellant] ondertekende proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg blijkt evenmin dat hij getuigenbewijs heeft aangeboden; de kantonrechter hoefde daarover dus geen beslissing te nemen.

7.

De belastingdienst heeft de litigieuze belastingaanslag in 2007 ambtshalve aan herziening onderworpen. Het hof gaat er veronderstellenderwijs (het wordt door de Staat betwist en uit de door de administrateur aan de Belastingdienst gezonden intrekkingsbrief van 24 juni 2007 blijkt niet méér dan dat de betrokken ambtenaar van de Belastingdienst heeft toegezegd dat hij de voorgestelde correcties nogmaals zal beoordelen) van uit dat in dat kader de betrokken ambtenaar telefonisch met de administrateur van [appellant] heeft afgesproken dat het bezwaarschrift zal worden ingetrokken en dat de aanslag zal worden verminderd tot nihil. Een getuigenverhoor als aangeboden kan daarom achterwege blijven. De Belastingdienst heeft vervolgens in 2008 of 2009 de dwanginvordering van het ingevolge de litigieuze belastingaanslag verschuldigde gestaakt, heeft dat aan [appellant] medegedeeld en heeft, omdat daardoor niet elk effect aan die belastingaanslag werd ontnomen, de belastingaanslag verminderd tot nihil. Partijen zijn het erover eens dat daarmee aan de fiscale verlangens van [appellant] is tegemoetgekomen. Daarmee is de Belastingdienst de beweerde toezegging aan de administrateur van [appellant] nagekomen. De stelling dat aan de zijde van de Staat onrechtmatig is gehandeld doordat de Belastingdienst een (beweerde) toezegging van een van haar ambtenaren niet is nagekomen, is dus ongegrond. [appellant] heeft niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat de Belastingdienst de aanslag te laat heeft verminderd tot nihil.

8.

[appellant] legt ten slotte aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, doordat hij het door de brief van het Ministerie van Financiën van 8 maart 2010 gewekte vertrouwen dat schade zou worden vergoed, heeft beschaamd. Ook dit betoog gaat niet op. In de brief van 8 maart 2010 valt niet méér te lezen dan dat de Staat heeft toegezegd uit coulance-overwegingen een vergoeding aan te bieden, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dit aanbod heeft de Staat na kennisname van overgelegde correspondentie bij brief van 10 november 2010 gespecificeerd op € 1.300,- (gebaseerd op een beperkt aantal op de onderhavige aanslag betrekking hebbende acties van de administrateur van [appellant]), mits [appellant] kopieën van bank- of giroafschriften overlegde van de door hem opgevoerde kosten. In deze brieven valt niet te lezen dat de Staat aan [appellant] schadevergoeding heeft toegezegd, laat staan volledige schadevergoeding. Evenmin is ooit sprake geweest van een onvoorwaardelijke toezegging. Naar het oordeel van het hof valt aan de brieven van 8 maart 2010 en 10 november 2010 redelijkerwijs niet de verwachting te ontlenen dat schade van [appellant] zonder meer zou worden vergoed.

9.

De slotsom is dat de grieven niet tot resultaat leiden. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Daarbij past een veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 27 juni 2012;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden vastgesteld op € 1.815,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, S.A. Boele en W.M.G. Visser en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.