Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1252

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
200.124.737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep kort geding zorgregeling. Gezamelijk gezag. Invulling zorgregeling. Halen en brengen. Verstrekken naam en adres huisarts moeder afgewezen. Zelfde verzoek voor minderjarige toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.124.737/01

Rolnummer rechtbank : C/10/418377 / KG ZA 13-137

arrest van 11 februari 2014

inzake

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. V. Vos te Rotterdam,

thans mr. L. Faouzi te Zoetermeer,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.A.M. van Leeuwen te Schiedam.

Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar het tussenarrest in deze zaak, gewezen op 7 mei 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast. Deze comparitie heeft op 10 september 2013 plaatsgevonden. Een proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben ter comparitie van partijen arrest gevraagd. Arrest is, na aanhoudingen, bepaald op heden.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

De feiten

1.1.

Partijen zijn op[in] 2010 te [plaatsnaam], gehuwd, uit welk huwelijk op [in] 2011 te [plaatsnaam] is geboren: [het kind] (hierna verder: de minderjarige).

1.2.

Bij beschikking van 13 december 2011 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken, welke beschikking op [in] 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Den Haag.

1.3.

Een beslissing over het gezag en / of de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige is door de rechtbank aanvankelijk aangehouden, waarna bij beschikking van 16 oktober 2012 een zorgregeling werd vastgesteld; het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag te belasten, werd afgewezen. Tegen deze beschikking is door de moeder ter zake het gezag hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vader is de onderhavige kort geding procedure gestart, teneinde nakoming te bewerkstelligen van de zorgregeling die de rechtbank bij beschikking van 16 oktober 2012 had bepaald. De moeder, die inmiddels een verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingediend bij de rechtbank, vordert in het kort geding, eerste aanleg in reconventie, opschorting van de contactregeling, tenzij de vader zou voldoen aan enige voorwaarden.

1.5.

De voorzieningenrechter heeft in conventie bepaald dat de moeder er aan meewerkt dat de omgang tussen de vader en de minderjarige aan het woonadres van de moeder plaatsvindt, in die zin dat de minderjarige aldaar door de vader wordt opgehaald en teruggebracht. Voorts dient de moeder in dat kader haar woonadres aan de vader te verstrekken door overlegging van een recent uittreksel uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). De moeder is veroordeeld aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,-- voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders verzochte, ook de vordering in reconventie, is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

1.6.

In de bodemzaak ter zake de contactregeling, waarbij namens de moeder tevens een verzoek tot vervangende toestemming om naar Engeland te verhuizen is ingediend, heeft de rechtbank de raad voor de kinderbescherming verzocht onderzoek te doen, in combinatie met een onderzoek naar het gezag, waarover de procedure in hoger beroep aanhangig is.

1.7.

Bij gelegenheid van de comparitie die in deze zaak is belegd is gebleken dat de ouders eind augustus 2013 contactherstel tussen de vader en de minderjarige hebben bewerkstelligd. Zij hebben na de schorsing tijdens de comparitie uitgesproken dat zij de volgende regeling (tenminste) willen naleven voor de duur van de bodemprocedure: contact tussen de vader en de minderjarige zal wekelijks plaatsvinden, de ene week op zaterdag, de andere week op zondag van 14.00 uur tot 17.00 uur. De ouders zullen elkaar ontmoeten bij de [winkelnaam] in Rotterdam van waaraf de vader de omgangstijd met de minderjarige zelfstandig zal doorbrengen. Hij zal de minderjarige weer terugbrengen naar de moeder bij de [winkelnaam] bij afloop van de overeengekomen tijd. De buggy zal bij ieder omgangsmoment door de moeder aan de vader voor de duur van het omgangsmoment ter beschikking worden gesteld, evenals andere spullen die de vader tijdens de omgang nodig zal hebben.

De vorderingen in het hoger beroep

2.

De vorderingen van de moeder en de vader

2.1.

De moeder vordert vernietiging van het vonnis in kort geding door de voorzieningenrechter op 27 februari 2013 tussen de partijen gewezen en opnieuw rechtdoende de vader in zijn vorderingen in conventie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem die te ontzeggen en haar vordering in reconventie alsnog toe te wijzen. In reconventie verzoekt de moeder: in afwachting van de bodemprocedure de omgang tussen de vader en de minderjarige op te schorten, tenzij de vader een aantal nader gespecificeerde zaken meeneemt tijdens de omgang; vast te stellen dat partijen zijn overeengekomen dat de vader de minderjarige niet ophaalt bij de moeder, kosten rechtens.

2.2.

De vader concludeert tot bekrachtiging van het in conventie gewezen vonnis; ten aanzien van het in reconventie gewezen vonnis vordert de vader thans: de betalingsverplichting van de vader jegens de moeder met betrekking tot de alimentatie van € 1.811,12 op te schorten vanaf 27 februari 2013 tot de datum waarop de moeder meewerkt aan omgang met het kind waarbij het kind door de vader aan de woning van de moeder wordt opgehaald en teruggebracht; subsidiair: de dwangsom en het maximum zoals in het vonnis van 27 februari 2013 opgenomen, te stellen op € 500,--, respectievelijk het maximum op € 20.000,--, alsmede te bepalen dat de verbeurde dwangsommen worden verrekend met de door de vader aan de moeder verschuldigde alimentatie; voorts dat de moeder binnen een week na het ten deze te wijzen arrest de naam en het adres van de huisarts van de minderjarige aan de vader verstrekt op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat de moeder in gebreke is, kosten rechtens.

Partijen hebben elkaars vorderingen bestreden.

Beoordeling van het hoger beroep

Het hof ziet aanleiding de vorderingen van de moeder en de vader in het hoger beroep gezamenlijk te bespreken.

3.1. Partijen zijn verdeeld over de wijze waarop de contactregeling tussen de vader en de minderjarige invulling behoeft. De moeder acht het niet gewenst dat de vader zich in het kader van de contactregeling bij haar aan de deur meldt: zij wenst haar adresgegevens voor de vader verborgen te houden, omdat zij escalatie tussen partijen vreest met negatieve gevolgen voor haar en de minderjarige. Om diezelfde reden wenst zij ook niet de naam en het adres van de huisarts aan de vader te verstrekken. Zij vreest dat de vader zo toch haar adres zal kunnen achterhalen en dat wil zij niet.

De vader stelt zich op het standpunt dat de vrees van de moeder voor escalaties niet gegrond is. Hij ziet haar opstelling en handelwijze als een obstructie ten aanzien van de mogelijkheden van hem om contact met de minderjarige te hebben. Hij wijst op de regeling die de rechtbank in de beschikking van 16 oktober 2012 heeft bepaald en die neerkomt op onbegeleide omgang waarbij de vader de minderjarige bij de moeder ophaalt en terugbrengt.

3.2. Partijen hebben hun geschillen aanvankelijk niet weten bij te leggen. Pas eind augustus 2013 zijn partijen tot een vorm van herstel van contact tussen de vader en de minderjarige geraakt. Tijdens de comparitie van partijen in deze procedure hebben de partijen tussen hen bindende, voorlopige afspraken gemaakt voor de duur van de inmiddels lopende bodemprocedure(s). Beide partijen hebben daarbij hun vorderingen over en weer gehandhaafd, in die zin dat de moeder er belang bij heeft dat de dwangsom verplichtingen alsnog in hoger beroep ongedaan worden gemaakt (grief 3), dat halen en brengen vooralsnog niet op haar huisadres geschiedt (grief 2 gedeeltelijk) en dit adres niet zal behoeven te worden verstrekt aan de vader (grief 1, tevens verweer). De vader heeft er belang bij dat de dwangsommen worden gehandhaafd, respectievelijk verhoogd. Voorts wil hij de minderjarige bij de moeder thuis afhalen en terugbrengen, waartoe de moeder haar adres dient te verstrekken. Hij acht het tenslotte van belang dat hem naam en adres van de huisarts worden verstrekt.

3.3. Het hof wijst er op dat bij voorzieningen in een kort gedingprocedure als de onderhavige, waarin belangen van een minderjarige in het geding zijn, in de eerste plaats die belangen tot uitgangspunt dienen te worden genomen (artikel 3 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind). Daarnaast worden ook de belangen van de partijen gewogen. In deze zaak brengt dat voor het hof mee dat bij het nemen van de beslissingen op de door de partijen in hoger beroep gehandhaafde vorderingen mede een inschatting wordt gemaakt van de (uiteindelijke) effecten van die beslissingen op het welzijn van de minderjarige. Dat brengt het hof ten aanzien van de diverse vorderingen op het volgende:

3.4. De dwangsommen ter zake de (niet) nakoming van de omgangsregeling.

Partijen zijn laat, maar uiteindelijk wel zelf tot contactherstel tussen de vader en de minderjarige gekomen. Het hof sluit niet uit dat de rechterlijke interventies daartoe hebben bijgedragen en dat de dwangsombepaling niet zonder zin is geweest. De andere kant is dat acties, die partijen over en weer zouden kunnen of moeten gaan ondernemen om niet- nakomingsmomenten, gelegen in het verleden, in een door ieder van hen gewenste richting te sturen, ernstige schade kunnen toebrengen aan hun gezamenlijke ouderschap en daarmede aan de belangen van de minderjarige. Het hof zal derhalve het bestreden vonnis in zoverre vernietigen dat er ter zake het verleden geen dwangsommen meer kunnen worden verbeurd of verhaald, behoudens voor zover deze reeds zouden zijn betaald door de moeder en geïncasseerd door de vader. Anders gesteld: een streep onder het verleden voor wat betreft de dwangsommen. Ten aanzien van de toekomst schat het hof in dat de moeder haar verplichtingen zal blijven nakomen, hetgeen het hof ook van haar verwacht. De vordering van de vader zal worden afgewezen.

3.5. Het halen en brengen, het verstrekken van het thuisadres van de moeder

Hoewel het hof inschat dat er van escalaties als die de moeder vreest, in het heden geen sprake zal zijn, acht het hof het vooralsnog aan de moeder om binnen een redelijke, niet al te lange termijn, vrijwillig haar adresgegevens aan de vader te verstrekken. Het is in het belang te achten van de minderjarige dat adres- en ook telefoongegevens wederzijds worden uitgewisseld teneinde de ouders in de gelegenheid te stellen elkaar te bereiken in geval van calamiteiten. De partijen dienen normalisatie van hun betrekkingen als ouders na te streven en daarin past informatievoorziening. Het hof acht echter het opleggen van een dwingende verplichting aan de moeder tot het verstrekken van haar gegevens aan de vader in het kader van deze procedure niet in het belang van de minderjarige, vanuit de gedachte dat zulks op dit moment meer dan gewenst spanningen zou kunnen oproepen en aldus de nu overeengekomen contactregeling nadelig kan beïnvloeden.

3.6 Het verstrekken van de naam en het adres van de huisarts

Het hof stelt vast dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Beide ouders hebben er belang bij bekend te zijn met relevante zaken die de gezondheid van de minderjarige betreffen. Het hof is van oordeel dat tot die relevante zaken de naam en het adres van de huisarts in wiens of wier praktijk de minderjarige staat ingeschreven, behoren. De moeder heeft er niet een zodanig rechtens te respecteren belang bij dat zij deze gegevens niet aan de vader zou behoeven te verstrekken. Het hof zal die vordering toewijzen, echter zonder daaraan een dwangsom te verbinden. Het hof verwacht van de moeder dat zij uit vrije wil en terstond aan de veroordeling zal voldoen.

3.7. De contactregeling

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen en hetgeen de partijen nader zelf zijn overeengekomen zal het hof de tussen de partijen overeengekomen regeling als geldend voor de duur van de tussen de partijen lopende procedures bij de rechtbank te Rotterdam en dit hof bepalen.

3.8. Het bovenstaande breng met zich mee dat het hof op de vorderingen zal beslissen als na te melden. Het hof ziet aanleiding de kosten te compenseren.

Beslissing in hoger beroep

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 27 februari 2013 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen in conventie en reconventie gewezen, en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de vader inzake sanctionering van niet nakoming van de omgangsregeling af, behoudens voor zover door de moeder reeds dwangsommen aan de vader zijn betaald dan wel deze op haar zijn verhaald;

bepaalt dat de contactregeling voor de duur van de terzake tussen de partijen lopende bodemprocedures als volgt zal zijn:

contact tussen de vader en de minderjarige zal wekelijks plaatsvinden, de ene week op zaterdag, de andere week op zondag van 14.00 uur tot 17.00 uur. De ouders zullen elkaar ontmoeten bij de [winkelnaam] in [plaatsnaam] van waaraf de vader de omgangstijd met de minderjarige zelfstandig zal doorbrengen. Hij zal de minderjarige weer terugbrengen naar de moeder bij de [winkelnaam] bij afloop van de overeengekomen tijd. De buggy zal bij ieder omgangsmoment door de moeder aan de vader voor de duur van het omgangsmoment ter beschikking worden gesteld, evenals andere zaken die de vader tijdens de omgang nodig zal hebben;

wijst af de vordering van de vader, strekkende tot opgave door de moeder aan de vader van haar huisadres;

veroordeelt de moeder tot opgave van de naam en het adres van de huisarts in wiens of wier praktijk de minderjarige staat ingeschreven aan de vader, zulks binnen tien dagen na betekening van dit arrest;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.A. Mink en J.A. van Kempen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014 in aanwezigheid van de griffier.